ECLI:NL:RBROT:2026:8775

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/10/716963 / KG ZA 26-285
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verkoop woning en toewijzing inschrijving kind op woonadres vader

Partijen, ex-partners, zijn gezamenlijk erfpachters van een woning waarin de man met hun zoon woont. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde, terwijl de man vordert dat de vrouw medewerking verleent aan de inschrijving van hun zoon op zijn woonadres en afgifte van diens identiteitsbewijs.

De rechtbank stelt vast dat de man bereid is de woning te verkopen maar meer tijd nodig heeft vanwege zijn ernstige ziekte en herstel. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een executoriale verkoop dreigt. Daarom wordt de vordering van de vrouw tot verkoop afgewezen. De man wordt wel veroordeeld tot betaling van de hypotheekachterstand en lopende lasten.

De vordering van de man tot inschrijving van de zoon op zijn woonadres wordt toegewezen omdat de feitelijke situatie dit vereist en het belang van het kind dit rechtvaardigt. De vordering tot afgifte van het identiteitsbewijs wordt afgewezen omdat de man niet het gezag over het kind heeft. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Vordering vrouw tot verkoop woning afgewezen, vordering man tot inschrijving zoon op woonadres toegewezen, man veroordeeld tot betaling hypotheekachterstand en lasten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716963 / KG ZA 26-285
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A. Apistola,
tegen
[naam man],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. F.O. Ligeon-Merton.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De zaak in het kort
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samen nog een woning, waarin de man met de zoon van partijen woont. In dit kort geding vordert de vrouw dat de man zijn medewerking verleent aan de verkoop van de woning aan een derde. De man vordert dat de vrouw haar medewerking verleent aan de inschrijving van de zoon op zijn woonadres en de identiteitspapieren van de zoon aan hem afgeeft. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw grotendeels af. De vorderingen van de man worden toegewezen voor zover het gaat om de inschrijving van de zoon op zijn feitelijke woonadres.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 25 maart 2026,
  • de producties 1 tot en met 6 van de vrouw,
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie,
  • de producties 1 tot en 6 van de man.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarna is de zaak aangehouden vanwege onderhandelingen tussen partijen. Op 20 april 2026 heeft mr. Apistola aan de voorzieningenrechter bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en heeft hij verzocht om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1] (hierna: [voornaam minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2016, en
  • [minderjarige 2] (hierna: [voornaam minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2023.
De man heeft beide kinderen erkend. De vrouw oefent alleen het gezag uit over [voornaam minderjarige 1] . Partijen oefenen samen het gezag uit over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
Partijen zijn erfpachters van de woning aan de [adres] , [postcode] in Rotterdam (hierna: de woning). Op het recht van erfpacht is ten gunste van ASR Levensverzekering N.V. (hierna: ASR) een recht van hypotheek gevestigd. In juli 2025 bedroeg de openstaande hypotheekschuld € 312.946,63.
2.3.
Na het eindigen van de relatie heeft de vrouw de woning verlaten. De man woont nog in de woning. [voornaam minderjarige 1] verblijft bij de man en [voornaam minderjarige 2] verblijft bij de vrouw. De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder van de vrouw.
2.4.
Tussen partijen is bij deze rechtbank een procedure aanhangig (met zaak- en rekestnummer: C/10/706168 / FA RK 25-6761) over, onder andere, het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de uitoefening van het omgangsrecht. Tijdens de mondelinge behandeling op 23 oktober 2025 hebben partijen afgesproken om een mediationtraject in te gaan. Ook zijn zij overeengekomen dat in de aanloop van en gedurende het te starten mediationtraject een voorlopige contactregeling geldt. De rechtbank heeft die regeling bij beschikking van 6 november 2025 vastgelegd en de verdere behandeling van de zaak aangehouden. Het mediationtraject heeft vervolgens niet tot een oplossing geleid. De procedure tussen partijen wordt daarom voortgezet.
2.5.
Bij brief van 10 januari 2026 schrijft ASR aan partijen dat niet is gereageerd op eerdere brieven en dat ook de achterstand van € 2.836,12 op de verschuldigde hypotheektermijnen nog niet is betaald. ASR verzoekt partijen om het bedrag zo snel mogelijk te betalen en wijst er verder op dat een achterstand van drie of meer maanden moet worden gemeld bij het Bureau Krediet Registratie.
2.6.
Bij e-mail van 24 februari 2026 zendt mr. Apistola namens de vrouw de onder 2.5. genoemde brief van ASR aan mr. Ligeon-Merton en verzoekt hij om het ertoe te leiden dat de man de achterstand inlost. In de brief wordt gevraagd of de man kan instemmen met de verkoop van de woning aan een derde.
2.7.
Bij e-mail van 25 februari 2026 laat mr. Ligeon-Merton namens de man aan mr. Apistola weten dat de achterstand door de man wordt voldaan. Daarnaast schrijft zij dat de man van mening is dat de vrouw de helft van de kosten van de woning moet gaan betalen, omdat ook zij eigenaar van de woning is en de hypotheekrenteaftrek ontvangt. Daarbij wijst mr. Ligeon-Merton er namens de man op dat de vrouw op de hoogte is van de medische situatie van de man en dat verkoop van de woning aan een derde om die reden niet aan de orde is. Verder merkt zij op dat de vrouw de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [voornaam minderjarige 1] ontvangt, terwijl [voornaam minderjarige 1] al ongeveer een jaar bij de man woont.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de man veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een opdracht aan een makelaar te geven tot verkoop van de woning,
de man veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan en alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor de verkoop van de woning, onder oplegging van een dwangsom,
bepaalt dat a) iedere partijen gehouden is de helft van de makelaarskosten, notariskosten en overige kosten te dragen, b) de hypothecaire geldlening met de verkoopopbrengst moet worden afgelost en c) de resterende verkoopopbrengst tussen partijen wordt verdeeld of de restschuld bij helfte wordt gedragen,
bepaalt dat, als de man zijn medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde rechtshandeling en/of wilsverklaring van de man ter ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en/of leveringsakte,
de man veroordeelt, als hij niet aan de veroordelingen voldoet en het maximale bedrag aan dwangsommen is verbeurd, tot ontruiming van de woning, onder afgifte van de sleutels aan de makelaar,
de man veroordeelt om uiterlijk een week voor de levering van de woning, welke levering wordt gesteld op drie maanden na ondertekening van de koopovereenkomst, de woning te ontruimen, onder afgifte van de sleutels aan de makelaar,
de man veroordeelt tot betaling van de hypotheekachterstand van € 2.836,12,
de man veroordeelt tot tijdige al dan niet gedeeltelijke maandelijkse betalingen van de hypotheeklasten en erfpachtlasten totdat de woning is geleverd aan een derde,
de man veroordeelt tot betaling van een voorlopige gebruiksvergoeding aan de vrouw van € 1.350,00 per maand,
de man veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
in reconventie
3.3.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de vrouw veroordeelt om binnen drie dagen na dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het inschrijven bij de gemeente van [voornaam minderjarige 1] op het feitelijke woonadres van de man en de vrouw beveelt tot afgifte aan de man van het paspoort en/of identiteitsbewijs van [voornaam minderjarige 1] , onder oplegging van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4.De beoordeling

in conventie
Spoedeisend belang
4.1.
In zaken als de onderhavige is het uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel van de één in de woning (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) aan de ander moet worden overgedragen of, als die overdracht niet tot de mogelijkheden behoort, dat de woning moet worden verkocht aan een derde. De partij die in dit verband een voorziening in kort geding vordert, moet daarbij voldoende (spoedeisend) belang hebben.
4.2.
Met de stelling dat van de vrouw dat zij nog altijd hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldlening terwijl de relatie tussen partijen al geruime tijd geleden tot een einde is gekomen heeft de vrouw het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Of daadwerkelijk een BKR-registratie dreigt vanwege de achterstand is onvoldoende duidelijk geworden, maar ook niet beslissend.
De man wordt niet veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de woning
4.3.
De vrouw stelt dat de man zijn medewerking weigert te verlenen aan het in de verkoop zetten van de woning. De vrouw heeft belang bij spoedige verkoop, omdat zij dan wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en de verplichtingen ten aanzien van het betalen van de erfpacht. De vrouw kan pas na verkoop van de woning een nieuwe woning aankopen en betrekken. Vanwege de achterstand op de hypothecaire geldlening vreest de vrouw executoriale verkoop van de woning. De verkoopopbrengst zal in dat geval lager zijn dan wanneer de woning onderhands wordt verkocht. De man stelt hiertegenover dat hij bereid is om de woning aan een derde te verkopen, maar dat hij meer tijd nodig heeft voor de verkoop. De man is immers ernstig ziek geweest en is nog herstellende. Bovendien is er geen sprake van een dreigende executoriale verkoop.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat de aannemelijk gemaakte belangen van de man zich verzetten tegen toewijzing van vorderingen 1 tot en met 6. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Het is niet aannemelijk geworden dat de man weigert om zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning. Immers, de man verklaart zich bereid om de woning te verkopen aan een derde, maar vraagt hiervoor meer tijd. De man heeft onbetwist aangevoerd dat bij hem een ernstige vorm van kanker is vastgesteld, dat hij een zware operatie heeft gehad en dat hij hiervan nog herstellende is. De man volgt op dit moment nog diverse therapieën.
Tegen die achtergrond, en mede gelet op de vaststaande omstandigheid dat niet alleen de man maar ook de minderjarige zoon van partijen in de woning woont, weegt het belang van de man bij het voorlopig in de woning kunnen blijven wonen zwaar.
De vrouw heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de hypotheekverstrekker wil overgaan tot executoriale verkoop. ASR heeft partijen er bij brief van 10 januari 2026 op geattendeerd dat er een achterstand op de hypotheek is. Vervolgens heeft mr. Ligeon-Merton aan mr. Apistola op 25 februari 2026 (zie 2.7.) laten weten dat de man de achterstand zal voldoen. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de man hieraan niet heeft voldaan. Met name is kennelijk geen sprake van een nadere brief van ASR, terwijl zo’n brief wel te verwachten was als geen regeling is getroffen voor de achterstand en/of deze verder zou zijn opgelopen.
Het belang van de man bij instandhouding van de huidige situatie weegt dan ook zwaarder dan het belang van de vrouw bij een spoedige verkoop van de woning. Het voorgaande betekent dat de man nu niet wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde.
4.6.
Dat de vorderingen worden afgewezen laat onverlet dat de woning op termijn wel moet worden verkocht en dat de man dus een nieuwe woning zal moeten zoeken, vermoedelijk een huurwoning. Ter zitting is gebleken dat de man nog niet alle mogelijkheden benut om een nieuwe woning te vinden; in dat verband is van belang dat hij gelet op zijn inkomen een huurwoning in de vrije sector moet kunnen betalen. De voorzieningenrechter overweegt dat het aan de man is om de zoektocht naar een nieuwe woning de komende maanden (verder) in gang te zetten. In algemene zin is te verwachten dat hij over ongeveer zes maanden een andere woning heeft gevonden.
De betalingsverplichtingen
4.7.
De vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van de achterstand op de hypotheek, tot tijdige al dan niet gedeeltelijke maandelijkse betalingen en erfpachtlasten totdat de woning is geleverd aan een derde en tot een voorlopige gebruiksvergoeding aan de vrouw. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen gedeeltelijk toe en licht dit als volgt toe.
4.8.
De betalingsverplichtingen richting de hypotheekverstrekker en de gemeente ten behoeve van de erfpacht zijn bestaande verplichtingen. De man betwist die verplichtingen niet en hij kan dus voor het geheel daarvan worden aangesproken, zoals kennelijk ook gebeurt. In dat opzicht bestaat onvoldoende belang bij een veroordeling.
Nu het de vrouw er echter kennelijk met name om gaat dat tussen hen wordt vastgesteld dat de man en niet zij deze lasten (voorlopig) dient te betalen geldt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen een afspraak hebben gemaakt over meebetaling aan de woonlasten door de vrouw. Een dergelijke afspraak is niet op te maken uit de door de man overlegde producties. Bovendien heeft hij kennelijk sinds de vrouw de woning heeft verlaten feitelijk de lasten betaald. Daar komt bij dat de man in de woning woont en de vrouw, nu zij niet het gebruik en het genot van de woning heeft waarop zij als deelgenoot recht heeft, in beginsel recht heeft op een gebruiksvergoeding. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de man alle lasten verbonden aan de woning blijft betalen totdat de woning is verkocht. Daartoe zal hij worden veroordeeld als in 7 en 8 gevorderd. De voorzieningenrechter acht het redelijk en billijk om het bedrag dat de man aan de vrouw dient te voldoen uit hoofde van haar recht op een gebruiksvergoeding, weg te strepen tegen de door de man te betalen eigenaarslasten.
4.9.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen 1 tot en met 6 en 9 van de vrouw in conventie worden afgewezen, en dat 7 en 8 worden toegewezen.
in reconventie
4.10.
De man vordert de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op zijn woonadres. De man heeft aannemelijk gemaakt dat [voornaam minderjarige 1] al een jaar bij hem woont, dat het de bedoeling van alle betrokkenen is dat dat voorlopig zo blijft en dat hij daardoor (spoedeisend) belang heeft bij zijn vordering. In contacten met derden (zoals, maar niet beperkt tot, overheidsinstanties) dient immers duidelijk te zijn waar [voornaam minderjarige 1] woont. De administratieve situatie dient overeen te stemmen met de feitelijke situatie. Dat de man binnen afzienbare tijd moet verhuizen, zoals de vrouw aanvoert, doet hier niet aan af. [voornaam minderjarige 1] dient na een toekomstige verhuizing wederom te worden ingeschreven op het adres waar hij dan feitelijk woont. Of de man na de inschrijving toeslagen voor [voornaam minderjarige 1] kan aanvragen en of dat, gelet op de verdere situatie tussen partijen, redelijk zou zijn valt buiten het bestek van dit kort geding. De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe, met dien verstande dat de vrouw binnen een week na betekening van dit vonnis haar medewerking moet verlenen aan de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] bij de gemeente op het feitelijke woonadres van de man. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat een prikkel tot nakoming noodzakelijk is.
4.11.
De man vordert tevens afgifte van het paspoort en/of identiteitsbewijs van [voornaam minderjarige 1] aan hem. De man legt aan deze vordering ten grondslag dat hij regelmatig met [voornaam minderjarige 1] naar onder andere artsen gaat en dat hij daarbij het identiteitsbewijs van [voornaam minderjarige 1] moet laten zien. De vrouw stelt hiertegenover dat zij juist regelmatig voor en met [voornaam minderjarige 1] het ziekenhuis bezoekt. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af en licht dit als volgt toe.
4.12.
Hoewel [voornaam minderjarige 1] feitelijk bij de man woont, oefent de man niet het ouderlijk gezag over hem uit. De voorzieningenrechter overweegt dat de bodemrechter nog geen uitspraak heeft gedaan over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het gezag over hen en dat de man dit onderwerp desgewenst in die procedure nog aan de orde kan stellen. De vordering van de man is daarom niet toewijsbaar.
4.13.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat partijen als ouders in het belang van hun kinderen dienen te handelen. De man stelt dat de vrouw heeft ingestemd met uitoefening van het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] . De vrouw heeft dat niet weersproken, en het past bij de feitelijke situatie. Wat daarvan zij, van partijen wordt verwacht dat zij, in het belang van [voornaam minderjarige 1] , een praktische oplossing vinden totdat definitief in de bodemzaak is beslist.
in conventie en in reconventie
4.14.
Partijen zijn ex-partners en krijgen over en weer (deels) ongelijk. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de man tot betaling van de hypotheekachterstand van € 2.836,12 voor zover nog niet betaald, en tot tijdige betaling van de hypotheeklasten en erfpachtlasten totdat de woning is geleverd aan een derde,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst de vorderingen van de vrouw voor het overige af,
in reconventie
5.5.
veroordeelt de vrouw om binnen een week na betekening van dit vonnis, haar medewerking te verlenen om [minderjarige 1] bij de gemeente in te schrijven op zijn feitelijke woonadres, te weten dat van de man,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.6. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst de vorderingen van de man voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026. [2971/3608/106]