Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam] ,
Rechtbank Rotterdam
Verhuurder en huurder hebben gezamenlijk verzocht om goedkeuring van bedingen in een huurovereenkomst die afwijken van de wettelijke bepalingen in artikel 7:292 e.v. BW. De huurovereenkomst betreft een bedrijfsruimte, een shop bij een tankstation, met een looptijd van twee jaar en een automatische beëindiging zonder opzegging, terwijl tussentijdse opzegging door verhuurder mogelijk is met een opzegtermijn van één jaar.
De kantonrechter heeft op basis van de stukken besloten geen mondelinge behandeling te houden. Bij de beoordeling is gekeken of de afwijkende bedingen de rechten van de huurder wezenlijk aantasten of dat de maatschappelijke positie van de huurder zodanig is dat wettelijke bescherming niet nodig is. De maatschappelijke positie van de huurder werd niet als zodanig beoordeeld, zodat de toets op wezenlijke aantasting centraal stond.
De verhuurder heeft het pand oorspronkelijk gekocht voor ontwikkeling, maar omdat die niet direct mogelijk was, is het pand verhuurd. De huurrelatie loopt sinds 2021 en is meerdere malen verlengd. De gemeente heeft plannen om het gebied te herontwikkelen tot woonlocatie, waarbij het tankstation en de shop niet passen. De huurder is afhankelijk van de klantenstroom van het tankstation en ontvangt een huurkorting. Gezien deze omstandigheden acht de kantonrechter de afwijkende bedingen niet als een wezenlijke aantasting van de rechten van de huurder.
De kantonrechter verleent daarom goedkeuring aan de bedingen en compenseert de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitgesproken door de kantonrechter mr. dr. P.G.J. van den Berg op 7 juli 2026.
Uitkomst: De kantonrechter keurt de afwijkende bedingen in de huurovereenkomst goed en compenseert de proceskosten.