ECLI:NL:RBROT:2026:8722

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/705713 HA ZA 25-714
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 3:185 BWArt. 3:300 BWArt. 1:94 lid 7 BWArt. 1:100 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gezamenlijke woning en afwijzing geldvorderingen na echtscheiding

De man en vrouw, ex-echtgenoten, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en hebben een openstaande hypotheek en lening bij het Warmtefonds. De rechtbank behandelt het geschil over de verdeling van de woning, de vraag of de vrouw de helft van de schuld aan het Warmtefonds moet betalen en andere geldvorderingen van de man.

De rechtbank oordeelt dat de woning eerst getaxeerd moet worden tegen de actuele marktwaarde. De man krijgt vier maanden na het taxatierapport de tijd om de vrouw uit te kopen, waarbij zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de helft van de overwaarde ontvangt. Indien de uitkoop niet lukt, moet de woning aan een derde worden verkocht en de netto-opbrengst gelijk verdeeld.

De vorderingen van de man tot betaling van de helft van de schuld aan het Warmtefonds en andere kosten die hij in plaats van de vrouw heeft betaald, worden afgewezen wegens gebrek aan juridische grondslag en onvoldoende bewijs. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man krijgt de mogelijkheid de woning uit te kopen tegen actuele waarde na taxatie, maar zijn geldvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705713 / HA ZA 25-714
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N. Schuerman.

1.De zaak in het kort

1.1.
De man en de vrouw zijn ex-echtgenoten. In deze procedure gaat het om de vraag wat er met hun gezamenlijke woning moet gebeuren. De rechtbank beslist dat de man de tijd krijgt om te onderzoeken of hij de uitkoop van de vrouw kan realiseren. Daarvoor zal de woning eerst moeten worden getaxeerd. Als een uitkoop niet lukt, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. Verder is het de vraag of de man nog geld van de vrouw tegoed heeft vanwege een gemeenschappelijke schuld van partijen aan het Warmtefonds en of hij nog andere bedragen van haar tegoed heeft. De rechtbank wijst de vorderingen van de man die hierop zien, af.

2.De procedure

2.1.
Ter inleiding merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 1 augustus 2025 (zaaknummer / rekestnummer: C/10/684457/FA RK 24-6154) in een door de man gestarte verzoekschriftprocedure beslist dat het verzoek van de man strekkende tot machtiging tegeldemaking van een gemeenschapsgoed ex artikel 3:174 BW Pro en zijn daarmee verband houdende verrekenvorderingen, alsmede de zelfstandige verzoeken die de vrouw daarop in haar verweerschrift heeft geformuleerd, in een dagvaardingsprocedure thuis horen. De rechtbank heeft daarom beslist dat de procedure in de stand waarin zij zich bevond moest worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure bij de handelskamer van de rechtbank. Zij heeft partijen verder in de gelegenheid gesteld hun stellingen aan de toepasselijke regels voor de dagvaardingsprocedure aan te passen.
2.2.
Het verloop van de (verdere) procedure blijkt uit (de rechtbank hanteert hieronder de aanduidingen die partijen hebben gebruikt):
een akte omzetting verzoek naar vordering van 8 oktober 2025 van de man, met verwijzing naar zijn eerdere verzoekschrift strekkende tot machtiging tegeldemaking van een gemeenschapsgoed ex artikel 3:174 BW Pro (met productie);
een akte omzetting zelfstandige verzoeken naar vorderingen van de vrouw, met verwijzing naar haar eerdere verweerschrift;
het bericht van de rechtbank aan partijen van 19 november 2025 waarin is meegedeeld dat de datum voor de mondelinge behandeling is bepaald op 24 maart 2026;
het bericht van de rechtbank aan partijen van 26 februari 2026, met daarin een zittingsagenda;
een door de advocaat van de man aan de rechtbank op 14 maart 2026 toegestuurd kostenoverzicht;
een brief van de advocaat van de vrouw aan de rechtbank van 16 maart 2026, waarin zij – in antwoord op een in de zittingsagenda geformuleerde vraag – schrijft dat volgens haar Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen;
de mondelinge behandeling op 24 maart 2026.
2.3.
De rechtbank gaat ervan uit dat met de akte onder i. een dagvaarding is bedoeld, en met de akte onder ii. een conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie. De man heeft geen conclusie van antwoord in reconventie ingediend.
2.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum 1] in [plaats 1] , [land] . De
rechtbank van [plaats 1] , [land] , heeft het huwelijk van ontbonden door haar
beslissing die onherroepelijk is geworden op [datum 2] .
3.2.
Partijen leven al sinds najaar 2010 in Nederland en zijn daar na de huwelijksvoltrekking ook blijven wonen. Zij hebben samen een minderjarige zoon.
3.3.
Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning aan [adres] ,
[postcode] [plaats 2] (hierna: de woning). Die woning is belast met een hypotheek bij de
Rabobank (hierna: de bank). Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze
hypotheekschuld.
3.4.
Partijen zijn tijdens hun huwelijk samen een lening aangegaan bij het Warmtefonds, in verband met de installatie van zonnepanelen en isolatiewerkzaamheden ten behoeve van de woning. Op die lening wordt maandelijks afgelost.
3.5.
Partijen wonen nog steeds allebei – met uitzondering van een periode dat de vrouw elders verbleef – in de woning, met hun zoon. Tot op heden is de woning niet te koop gezet. Partijen betalen ieder de helft van de verschuldigde hypotheekrente en overige woonlasten.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De man vordert – samengevat en naar de rechtbank begrijpt – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de wijze van verdeling van de woning gelast in die zin dat hij het aandeel van de vrouw in de woning mag overnemen tegen een woningwaarde van € 230.000,-, waarop hij op het door hem aan de vrouw te betalen deel in de overwaarde een bedrag van € 21.062,52 in mindering mag brengen, zijnde de helft van de schuld aan het Warmtefonds vermeerderd met de kosten die de man in plaats van de vrouw heeft betaald;
dat dit vonnis in de plaats komt van de rechtshandelingen van de vrouw die nodig zijn voor de levering van het aandeel van de vrouw aan hem.
4.2.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man.
in reconventie
4.3.
De vrouw vordert – samengevat en naar de rechtbank begrijpt – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. de wijze van verdeling van de woning gelast:
  • primairin de zin dat de woning wordt getaxeerd en dat de man de woning voor de getaxeerde waarde mag overnemen, onder de voorwaarde dat zij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en dat zij de helft van de overwaarde ontvangt op het moment van de levering van de woning aan de man;
  • subsidiairin de zin dat de woning wordt verkocht aan een derde en dat de man daaraan zijn medewerking moet verlenen, alsmede dat aan partijen de helft van de netto-overwaarde toekomt.
4.4.
De man voert geen verweer. Ter zitting heeft hij gereageerd op de vorderingen van de vrouw.

5.De beoordeling

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
Inleidende overwegingen
5.2.
Omdat deze zaak internationale aspecten heeft, moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze dagvaardingsprocedure en welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Partijen wonen allebei tijdens het aanbrengen van deze zaak in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 onder Pro a van de Huwelijksvermogensverordening [1] bevoegd is te beslissen op de onderhavige vorderingen. Verder is Nederlands recht op grond van artikel 4 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op hun huwelijksvermogensregime, nu partijen direct na hun huwelijkssluiting hun gemeenschappelijke eerste huwelijksdomicilie in Nederland hadden. Beide partijen zijn hier overigens ook van uitgegaan.
5.3.
Partijen zijn volgens Nederlands recht in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, omdat zij vóór 1 januari 2018 zijn getrouwd en geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld. Dit betekent dat de inmiddels ontbonden, maar nog onverdeelde huwelijksgemeenschap – waarin de woning valt – alsnog moet worden verdeeld. Als peildatum geldt de datum van het verzoekschrift van de man aan de rechtbank in [land] , te weten 21 juli 2021, zoals de man ter zitting heeft gesteld en de vrouw niet heeft betwist.
5.4.
Het geschil tussen partijen ziet op de volgende onderwerpen:
  • de wijze waarop de woning moet worden verdeeld;
  • of de vrouw de helft van de openstaande schuld aan het Warmtefonds aan de man moet betalen;
  • of de man nog andere bedragen van de vrouw tegoed heeft.
De wijze waarop de woning moet worden verdeeld
5.5.
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verdeeld en dat de man de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. De vraag is welke woningwaarde voor die overname moet worden gehanteerd. De man stelt dat dit € 230.000,- moet zijn. De vrouw stelt daarentegen dat de huidige marktwaarde – die eerst door middel van een taxatie moet worden vastgesteld – voor het bepalen van de hoogte van de uitkoopsom moet worden gebruikt.
5.6.
De rechtbank geeft de vrouw gelijk en legt een zogenoemd spoorboekje op met daarin de wijze waarop de woning moet worden verdeeld. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg andere afspraken daarover te maken. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.
5.7.
In artikel 3:185 BW Pro is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
5.8.
De rechtbank stelt voorop dat de waardering van een op het tijdstip van de verdeling tot de (hier: ontbonden) gemeenschap behorend goed – te weten: de woning – moet gebeuren naar de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling. Partijen kunnen met elkaar afspreken van dit uitgangspunt af te wijken, terwijl ook uit de redelijkheid en billijkheid anders kan voortvloeien.
5.9.
Duidelijk is dat er geen sprake is van overeenstemming tussen partijen in die zin dat zij het erover eens zijn dat een andere waarde dan de waarde ten tijde van de verdeling moet worden gehanteerd. De man stelt dit ook niet. De rechtbank ziet verder onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat een andere waarde (dan de waarde ten tijde van de verdeling) uit de eisen van redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien. De woning is immers niet alleen gemeenschappelijk eigendom, maar partijen wonen daar ook nog allebei (afgezien van de periode dat de vrouw elders woonde) en betalen ieder de helft van de aan de woning verbonden lasten. Het enkele feit dat de man in februari 2024 een taxatierapport heeft laten opstellen, waarin een taxatiewaarde van € 230.000,- staat (en later nogmaals in juni 2025 een taxatierapport heeft laten opstellen), en hij destijds ook een financieringsopzet aan de vrouw heeft gestuurd waaruit bleek dat hij de vrouw op basis van die waarde kon uitkopen, doet aan het voorgaande niet af. Niet is immers gebleken dat de vrouw instemde met het laten opstellen van die taxaties en/of de taxatiewaarde en dat zij het uitkooptraject daarna bewust heeft gefrustreerd, zoals de man stelt.
5.10.
In het kader van de uitkoop moet dus worden uitgegaan van de waarde van de woning ten tijde van de verdeling. De woning zal dus (opnieuw) moeten worden getaxeerd door een taxateur/makelaar. Zoals de vrouw heeft gevorderd, zal de rechtbank bepalen dat ieder de helft van de kosten van de taxateur/makelaar betaalt.
5.11.
De opdracht tot taxatie moet door beide partijen worden verstrekt en getekend. Partijen zullen de taxateur informeren dat alle correspondentie aan hen beiden verstuurd moet worden. Partijen mogen bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien een partij aangeeft bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd te willen zijn, dan zal bij het bepalen van de datum van de taxatie rekening gehouden worden met de verhinderdata van die partij.
5.12.
Beide partijen hebben ter zitting laten weten dat zij liefst zo snel mogelijk duidelijkheid willen over de uitkoop. De man stelt in dit verband dat hij al bezig is om te bezien hoe hij de overname kan financieren en verwacht daar zo’n drie tot vier maanden voor nodig te hebben. De rechtbank zal in het dictum daarbij aansluiten, ook omdat de vrouw zich daartegen op zitting niet heeft verzet.
5.13.
De rechtbank beslist als volgt. Binnen één week na dit vonnis (24 juni 2026) selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week (1 juli 2026) uit die selectie de makelaar die de woning moet gaan taxeren. De rechtbank draagt partijen op om de taxateur te verzoeken om de taxatie daarna binnen vier weken te verrichten (29 juli 2026), tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en in aanwezigheid van partijen. De rechtbank acht vier maanden na het uitgebrachte taxatierapport een reële termijn voor de man om de daadwerkelijke financiering en overdracht te realiseren (dus uiterlijk 29 november 2026), door betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Hierbij wordt onder overwaarde verstaan de taxatiewaarde verminderd met het saldo van de hypotheekschuld op het moment van de notariële levering aan de man. De kosten van de notaris in verband met de levering komen voor rekening van degene die de woning wil overnemen, zoals te doen gebruikelijk is, hier: de man. Omdat de man de kosten van de notaris moet dragen, mag hij bepalen bij welke notaris de levering zal plaatsvinden.
5.14.
De rechtbank merkt op dat – als het buiten de macht van de man ligt dat notariële overdracht niet binnen die vier maanden plaatsvindt (bijvoorbeeld vanwege zeer beperkte beschikbaarheid van de notaris), terwijl wel al duidelijk is dat de man de woning kan financieren – de man ervoor moet zorgen dat de levering zo spoedig mogelijk daarna plaatsvindt.
5.15.
Als de uitkoop niet tijdig is gerealiseerd, waar beide partijen overigens niet van uit lijken te gaan, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. Partijen zijn het daarover ook eens. In dat geval geldt dat partijen ieder de helft van de gerealiseerde netto-opbrengst (dus na aftrek van kosten, zoals de kosten van de verkoopmakelaar) krijgen.
5.16.
De rechtbank zal vaststellen op welke wijze partijen de verkoop ter hand moeten nemen, als partijen gezamenlijk niet anders overeenkomen. De rechtbank verwijst naar 5.7, waarin zij heeft overwogen dat de rechter die de verdeling vaststelt een mate van vrijheid geniet en niet gebonden is aan wat partijen over en weer hebben gevorderd.
5.17.
Dit vonnis zal, zoals de vrouw in reconventie heeft gevorderd en waarop de man niet heeft gereageerd, in de plaats treden van de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de man, wanneer hij niet of niet tijdig zijn medewerking verleent aan de verkoopopdracht aan de makelaar, de koop en/of de levering (artikel 3:300 BW Pro).
5.18.
Als verkopend makelaar geldt de makelaar die het taxatierapport heeft opgesteld. Het staat partijen uiteraard vrij om ook hierover andere afspraken te maken.
De schuld aan het Warmtefonds
5.19.
Wat de man vordert – dat op het door hem in het kader van de uitkoop aan de vrouw te betalen deel in de overwaarde de helft van de schuld aan het Warmtefonds in mindering wordt gebracht – komt in feite erop neer dat hij vordert dat de vrouw aan hem de helft van die schuld moet betalen. Ter zitting is door de man nader toegelicht dat hij – anders dan het bedrag dat uit het petitum kan worden afgeleid (namelijk: € 6.306,-) – betaling vordert van de helft van de nu nog openstaande schuld. De vrouw voert hiertegen op zitting aan dat dit alleen kan worden toegewezen als daarmee dan ook haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld eindigt. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de man af en licht dat hierna toe.
5.20.
Partijen zijn het erover eens dat de schuld aan het Warmtefonds een gemeenschapsschuld is (artikel 1:94 lid 7 BW Pro). Niet is in geschil dat de hoogte van die schuld momenteel ongeveer € 7.720,29,- bedraagt, nu op de oorspronkelijke hoofdsom van meer dan € 12.000,- al een groot deel door partijen is afgelost. Partijen zijn het er ook over eens dat ieder van hen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld (artikel 1:100 lid 1 BW Pro).
5.21.
De man heeft voor zijn vordering – dat de vrouw hem nu de helft van de nog openstaande schuld moet betalen – geen juridische grondslag genoemd. Ambtshalve ziet de rechtbank, op basis van de in deze zaak vaststaande feiten, ook geen juridische grondslag op grond waarvan de vordering van de man nu kan worden toegewezen. Op grond van artikel 6:10 lid 2 BW Pro heeft de man immers pas een (regres)vordering op de vrouw indien en voor zover hij meer dan de helft van deze schuld aan het Warmtefonds waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, heeft afgelost. Dat daarvan sprake is, is niet gesteld en ook niet gebleken.
Vergoeding van kosten
5.22.
De man vordert – langs de weg van het in mindering brengen op de aan de vrouw in het kader van de uitkoop te betalen overwaarde – een vergoeding voor kosten die hij in plaats van de vrouw heeft betaald. Hij stelt dat hij die kosten voor de vrouw heeft gemaakt in de periode dat de vrouw elders woonde (van februari 2022 – begin 2024). Al hoewel in het petitum van de dagvaarding geen bedrag is genoemd, valt uit het door de man als productie overgelegde overzicht op te maken dat hij vordert dat de vrouw wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van € 14.756,54 te betalen. De man heeft op de zitting toegelicht dat in dit kostenoverzicht onder andere zijn opgenomen de door hem in die periode betaalde hypotheekrentelasten, aflossingen aan het Warmtefonds, betalingen voor gas/water- en licht, maar ook bijvoorbeeld de telefoonkosten van de vrouw.
5.23.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, wijst de rechtbank dit deel van de vordering van de man af. Zij licht dat hierna toe.
5.24.
De man heeft weliswaar een meer dan 20-pagina’s tellende tabel verstrekt met daarin een zeer groot aantal kostenposten (ongeveer 25 verschillende soorten kostenposten) met daarachter een toelichting van de met die posten gemoeide bedragen, variërend van enkele euro’s tot enkele honderden euro’s, maar hij heeft in de (1-pagina tellende) dagvaarding geen enkele toelichting daarop verstrekt en op zitting slechts een zeer summiere toelichting. Op zitting heeft hij bovendien verklaard dat er geen afspraak tussen hem en de vrouw bestond die inhield dat zij deze kosten aan hem moest betalen, maar dat het slechts een “vriendelijk verzoek” van hem aan de vrouw is om mee te betalen aan deze kosten. De man heeft op de zitting verwezen naar bankafschriften die hij aan de rechtbank zou hebben gestuurd voorafgaand aan de zitting, maar die bankafschriften heeft de rechtbank niet ontvangen.
5.25.
Het is dus niet komen vast te staan dat de man deze kosten heeft gemaakt, waarop die kosten zien en ook niet dat de vrouw verplicht is om daaraan mee te betalen. Het is bovendien niet aan de rechtbank om uit dit overzicht (met daarin vele regels aan kostenposten) en uit de zeer summiere toelichting door de man op zitting te achterhalen welke bedragen mogelijk wel voor vergoeding door de vrouw in aanmerking zouden kunnen komen. Dit lag op de weg van de man – nu op hem de stelplicht rust (artikel 150 Rv Pro) – maar dat heeft hij nagelaten.
5.26.
Als de man bedoeld heeft om in reconventie een beroep te doen op verrekening, dan wordt dat beroep op verrekening om dezelfde redenen verworpen.
Conclusie
5.27.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de vorderingen van de man in conventie afwijst en de vordering van de vrouw in reconventie toewijst, een en ander zoals in het dictum is opgenomen.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
5.28.
De rechtbank verklaart de veroordelingen van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad (233 Rv), zoals de vrouw heeft gevorderd en waarop niet is gereageerd door de man.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.29.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt (artikel 237 lid 1 Rv Pro).

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de man af,
in reconventie
6.2.
gelast de volgende wijze van verdeling van de woning:
uitkoop
6.2.1.
bepaalt dat de vrouw binnen één week na de datum van dit vonnis drie taxateurs/makelaars aandraagt, waarna de man één week de tijd krijgt om uit deze taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. De opdracht aan de taxateur geschiedt zoals in 5.11 is uiteengezet,
6.2.2.
bepaalt dat partijen de taxateur verzoeken – na verstrekking van de opdracht en ingevolge hetgeen in 5.11 is overwogen – binnen vier weken een waardebepaling van de woning te verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies,
6.2.3.
bepaalt dat de kosten van de taxatie door partijen ieder voor de helft gedragen worden,
6.2.4.
bepaalt dat de man de gelegenheid krijgt om het aandeel van de vrouw in de woning uiterlijk binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het taxatierapport over te nemen onder de verplichting om:
- te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en
- de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden,
6.2.5.
de notariële levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man moet uiterlijk op 29 november 2026 plaatsvinden bij een door de man te kiezen notaris,
6.2.6.
uiterlijk ten tijde van de notariële levering (i) moet de man ervoor zorgen dat een bedrag gelijk aan de helft van de overwaarde op de rekening van de notaris staat, zodat de notaris dit bedrag na het passeren van de akte aan de vrouw kan uitkeren en (ii) moet de vrouw worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld,
6.2.7.
bepaalt dat de kosten van de notariële levering door de man gedragen worden,
verkoop aan een derde
6.2.8.
als levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man niet uiterlijk 29 november 2026 plaatsvindt, zoals hiervoor is bepaald, moet de woning aan een derde worden verkocht,
6.2.9.
partijen moeten samen binnen vier weken nadat de datum van 29 november 2026 voor notariële levering van de woning door de vrouw aan de man is verstreken, een opdracht tot verkoop aan de in 5.18 genoemde makelaar geven,
6.2.10.
indien partijen over enige kwestie in verband met de verkoop van de woning (zoals de vraag- en de laatprijs of de overdrachtsdatum) geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zal het advies van de verkoopmakelaar bindend zijn en moet dat worden opgevolgd,
6.2.11.
de hypotheekschuld zal bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst (na aftrek van eventuele (verkoop)kosten) gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld,
6.2.12.
dit vonnis zal in de plaats treden van de vereiste wilsverklaring, medewerking of handtekening van de man benodigd voor het verstrekken van de opdracht tot verkoop aan de makelaar en/of de ondertekening van zowel de koopovereenkomst als de leveringsakte van de woning indien de man niet of niet tijdig zijn medewerking verleent aan het in de verkoop zetten dan wel tekenen van de koopovereenkomst of de overdracht aan de koper,
6.3.
verklaart 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
2334/3310

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/1103).