ECLI:NL:RBROT:2026:8716

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/711579/ 25-1075
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BWArt. 1:164 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van depot na verkoop woning en afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding

Partijen, die in 2023 zijn gescheiden, kwamen niet tot overeenstemming over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding. In april 2025 sloten zij een vaststellingsovereenkomst tijdens een zitting, waarna de gezamenlijke woning werd verkocht. De notaris betaalde eerst beslagleggers uit de verkoopopbrengst en maakte het restant over aan de advocaat van de man, die vervolgens andere schuldeisers betaalde.

De rechtbank moest beslissen over de verdeling van het resterende depot van €93.670,06, omdat partijen hierover geen overeenstemming bereikten. Diverse vorderingen van partijen werden beoordeeld, waaronder regresvorderingen van de vrouw voor door haar betaalde schulden, en vorderingen van de man voor kosten en betalingen die hij had gedaan. De rechtbank oordeelde dat schulden uit eerdere relaties ook tot de fictieve gemeenschap behoorden en dat de vrouw recht had op vergoeding van haar betalingen mits zij bewijs leverde dat deze na 14 juli 2022 waren gedaan.

Uiteindelijk bepaalde de rechtbank dat uit het depot eerst enkele schulden inclusief rente en kosten betaald moesten worden, waarna het resterende bedrag verdeeld werd waarbij de vrouw een bedrag van €9.005,32 extra boven haar helft kreeg. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank gelast de betaling van schulden uit het depot en bepaalt dat de vrouw een bedrag van €9.005,32 boven haar helft ontvangt, waarna het restant aan de man wordt uitgekeerd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711579 / HA ZA 25-1075
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. L.A. Jansen,
tegen
[de vrouw],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: eerst: mr. R. van Noord, later: mr. J.W. Prinsen.
Partijen worden hierna [de man] en [de vrouw] genoemd.

1.De zaak in het kort

[de man] en [de vrouw] zijn getrouwd geweest en in 2023 gescheiden. Zij zijn het niet eens over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden. In april 2025 is er een zitting geweest en partijen hebben toen een vaststellingsovereenkomst gesloten die is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Hun gezamenlijke woning is daarna verkocht. De notaris heeft uit de netto-verkoopopbrengst betalingen aan beslagleggers gedaan en het resterende bedrag daarna overgemaakt op de derdengeldrekening van de advocaat van [de man] , mr. Jansen, die daaruit diverse andere schuldeisers heeft voldaan. Omdat partijen er niet uitkomen hoe het restant verdeeld moet worden, beslist de rechtbank daar nu over.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 30;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met niet-genummerde producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de bief van mr. Jansen van 17 april 2025 met productie 31 van [de man] ;
- het B-formulier van mr. Van Noord van 22 april 2025 met een bijgewerkt overzicht van de kosten ter verdeling;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 22 april 2025, met daarin een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en de beslissing om de zaak te verwijzen naar de parkeerrol;
- de brief van mr. Jansen van 4 november 2025, met producties 32 tot en met 54, met het verzoek de zaak op te brengen en een nieuwe mondelinge behandeling te bevelen;
- het bericht van de rechtbank van 12 december 2025 waarbij een nieuwe mondelinge behandeling is bevolen;
- het bericht van de rechtbank van 14 april 2026 met een zittingsagenda;
- de brief van mr. Prinsen van 21 april 2026 waarin hij meldt de zaak te hebben overgenomen van mr. Van Noord;
- de brief van mr. Prinsen van 21 april 2026 met producties 0 tot en met XXI;
- de brief van mr. Prinsen van 24 april 2026 zonder producties, met een reactie op de brief van mr. Jansen van 4 november 2025;
- de mondelinge behandeling van 28 april 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[de man] en [de vrouw] zijn gehuwd geweest van [datum 1] tot en met [datum 2] .
3.2.
[de vrouw] heeft een dochter uit een eerdere relatie, [dochter van de vrouw] .
3.3.
Voorafgaand aan hun huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden gesloten. Daarin hebben zij iedere gemeenschap van goederen uitgesloten (artikel 1), geen jaarlijks verrekenbeding afgesproken (artikel 9) en een finaal verrekenbeding afgesproken. Artikel 11 bepaalt Pro:

1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding en bij scheiding van tafel en
bed wordt tussen de echtgenoten afgerekend alsof de echtgenoten in
gemeenschap van goederen waren getrouwd.”
3.4.
[de man] is gedetineerd geweest van [datum 3] tot en met [datum 4] .
3.5.
Bij beschikking voorlopige voorziening van 7 november 2022 heeft de familierechter bepaald dat [de vrouw] met ingang van 7 november 2022 het uitsluitend gebruik toekwam van de echtelijke koopwoning aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). De woning vormde een eenvoudige gemeenschap tussen partijen.
3.6.
Er zijn daarnaast diverse bezittingen en schulden. Partijen dreven een tweetal ondernemingen, [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.
3.7.
Ter zitting van 22 april 2025 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in het proces-verbaal van de zitting (hierna ook: de vaststellingsovereenkomst):
“1. Partijen zullen de woning aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) zo spoedig mogelijk te koop zetten. Partijen zullen daartoe samen een verkoopopdracht geven aan De Zeeuw Makelaardij in [plaats] . Omtrent de verkoop van de woning spreken partijen het volgende af:
-
indien partijen over de vaststelling van de vraag- of laatprijs of over enige andere
kwestie in verband met de verkoop van de woning geen overeenstemming kunnen bereiken, zal ieder der partijen gerechtigd zijn een bindend advies aan de verkoopmakelaar te vragen en zullen partijen aan dat advies uitvoering geven;
-
beide partijen zullen meewerken aan elke rechtshandeling die nodig is om tot verkoop en levering van de woning te komen, zoals het tekenen van de overeenkomst van opdracht met de verkoopmakelaar, de koopovereenkomst en de akte van levering;
-
beide partijen zullen meewerken aan alle feitelijke handelingen die nodig zijn om te komen tot verkoop van de woning, zoals het openstellen van de woning voor het maken van foto’s door de verkoopmakelaar en voor bezichtigingen;
-
de hypotheekschuld zal worden afgelost uit het saldo van de spaarpolis en de verkoopopbrengst van de woning;
-
alle schulden waarvoor beslag op de woning is gelegd zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
-
de lasten in verband met de woning na de datum van deze zitting en de achterstand in de betaling van die lasten, voor zover niet onder schulden in deze overeenkomst genoemd, zullen uit de verkoopopbrengst van de woning worden betaald. [de vrouw] zal zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken een overzicht van de lopende lasten aan [de man] geven;
-
de kosten in verband met de verkoop en de levering van de woning, waaronder de kosten van de makelaar en eventuele verkoopkosten, zullen eveneens worden betaald uit de verkoopopbrengst;
-
het resterende deel van de verkoopopbrengst zal aan de notaris in depot worden gegeven.
Partijen spreken af dat de woning tot aan de levering niet door één van hen bewoond zal worden. Ook spreken partijen af dat er alleen onderhoud aan de woning gepleegd zal worden als partijen het daar samen over eens zijn.
Over de spaarpolis komen partijen overeen dat [de vrouw] in verband met betalingen op die polis na 22 juli 2022 een vordering heeft op [de man] van € 4.000,- die zal worden betaald uit het depot op de wijze bepaald in artikel 5.
2. [de man] zal tot aan de datum van ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning namens partijen mogen onderhandelen met schuldeisers om te proberen een regeling met die schuldeisers te treffen. [de man] zal geen regeling treffen zonder de instemming van [de vrouw] .
3. Uit het depot zullen worden betaald alle hierna te noemen schulden (het betreft uitsluitend schulden die in de procedure zijn besproken):
-
de schuld aan Eneco in verband met de woning;
-
de schuld aan MijnDomein;
-
de schuld aan CZ;
-
de schulden aan Heineken;
-
de schuld aan Vodafone;
-
de schuld aan de gemeente Rotterdam wegens terugvordering bbz-uitkering.
Partijen zijn het erover eens dat deze schulden door hen beiden 50/50 gedragen moeten worden. [de man] zal binnen een maand de actuele stand opvragen van de schulden aan Eneco, MijnDomein, CZ en Heineken. [de vrouw] zal binnen een maand de actuele stand opvragen van de schuld aan Vodafone. Zodra de omvang van deze schulden vaststaat, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan die schulden uit het depot uit te keren aan mr. Jansen. Vervolgens zal mr. Jansen ervoor zorgen dat de betreffende schuldeisers worden betaald.
4. Naast de hiervoor genoemde schulden zijn er ook schulden waarover partijen het eens zijn dat die door hen beiden 50/50 gedragen moeten worden, en waarvan [de vrouw] stelt dat zij die al geheel of gedeeltelijk betaald heeft. Dit betreft de volgende schulden:
-
de schuld aan Aksa Media met betrekking tot [bedrijf 3] ;
-
de schuld aan Vattenfall met betrekking tot [bedrijf 3] ;
-
de schuld aan Ministry of Beauty met betrekking tot [bedrijf 3] ;
-
de schuld aan Marco Warmte;
-
de schuld aan Pascal Service;
-
de schuld aan Bol.com in verband met de zwembadpomp;
-
de hypotheekachterstand op 14 juli 2022;
-
de schuld aan Armeare met betrekking tot [bedrijf 3] ;
-
de schuld aan Hallostroom in verband met de woning;
-
de schuld aan NLE in verband met de woning;
-
de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ;
-
de vaste lasten in verband met de woning, niet zijnde lasten die elders in deze overeenkomst als schuld worden genoemd;
-
de schulden aan de belastingdienst die staan vermeld op het door [de vrouw] bij haar conclusie van antwoord in het geding gebrachte overzicht;
-
de schuld die wordt geïncasseerd door Intrum, niet zijnde de schuld aan Vattenfall;
-
de schuld aan de dierenarts Bernisse;
-
de schuld aan Van Gemert ;
-
de schuld aan [dochter van de vrouw] in verband met geld dat van haar spaarrekening is gehaald om schulden voor gas, water en licht en schulden in verband met de auto te betalen, niet zijnde de elders in deze overeenkomst genoemde schulden aan Eneco, NLE en Hallostroom;
-
de schuld aan [dochter van de vrouw] met betrekking tot haar salaris over de maanden april t/m juli 2022.
Met betrekking tot deze schulden komen partijen overeen dat [de vrouw] binnen een maand en in één keer stukken zal aanleveren aan [de man] waaruit het bestaan van die schuld blijkt en waaruit haar betaling van (een deel van) die schuld blijkt. Als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit het bestaan van die schuld blijkt, zijn partijen het erover eens dat die schuld door partijen 50/50 gedragen wordt. Als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit blijkt dat zij (een deel van) die schuld betaald heeft, is [de man] het ermee eens dat [de vrouw] een vordering op hem heeft gelijk aan de helft van het door [de vrouw] betaalde bedrag. Dit laatste geldt ook voor de schuld aan SVHW die door de notaris zal worden voldaan omdat SVHW beslaglegger is.
Voor wat betreft schulden als hiervoor genoemd die 50/50 gedeeld moeten worden, en die nog niet geheel zijn betaald, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan die schulden uit het depot uit te keren aan mr. Jansen. Vervolgens zal mr. Jansen ervoor zorgen dat de betreffende schuldeisers worden betaald.
Omtrent schulden als hiervoor genoemd, waarvan komt vast te staan dat [de vrouw] daarvan een deel of alles heeft betaald, komen partijen overeen dat [de vrouw] een vordering op [de man] heeft ter grootte van de helft van het door haar betaalde bedrag. Deze vordering zal verrekend worden bij de uitkering van het depot nadat alle schulden als hiervoor omschreven zijn betaald.
5. Nadat alle schulden als hiervoor bedoeld zijn betaald, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan de helft van het restant wat in depot staat, verminderd met het bedrag dat [de vrouw] van [de man] te vorderen heeft wegens door haar betaalde schulden en vermeerder met € 2.500 ter zake van de inboedel, aan [de man] uit te keren, en het restant aan [de vrouw] uit te keren.
6.
Partijen zullen geen nieuwe schulden en vorderingen in de afrekening betrekken, anders dan de in deze overeenkomst genoemde schulden en vorderingen.
7.
Over de inboedel spreken partijen af dat [de vrouw] deze mag houden en dat zij daarvoor € 2.500,- aan [de man] verschuldigd is. Dit bedrag zal door [de vrouw] uit haar deel van het depot worden betaald zodra dat depot tot uitkering komt.
8.
Over de bankrekeningen spreken partijen af dat ieder de bankrekeningen houdt die hij heeft en dat partijen elkaar daarvoor niks verschuldigd zijn.
9.
Over de beide BV’s spreken partijen af dat [de vrouw] ervoor zal zorgen dat deze worden geliquideerd via de procedure van de zogenaamde turbo-liquidatie.
10.
Over de BMW 535d spreken partijen af dat [de man] te dier zake geen vordering heeft op [de vrouw] .
11.
Na de volledige uitvoering van deze overeenkomst zal de afrekening tussen partijen zoals vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden volledig zijn afgewikkeld.
12.
Deze overeenkomst is niet vatbaar voor ontbinding wegens niet-nakoming.
13.
De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol. Ieder van partijen kan, indien er een geschil is over de uitvoering van deze regeling, verzoeken dat de zaak weer op de gewone rol wordt geplaatst. Die partij moet daarbij aangeven wat de stand van zaken tussen partijen is, over welke kwestie de rechtbank zich nog moet uitlaten, en wat die partij voorstelt voor het verdere verloop van de procedure.”
3.8.
De woning is verkocht. De levering heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. De notaris heeft een nota van afrekening opgesteld. De notaris heeft uit de verkoopopbrengst enkele schuldeisers - voornamelijk beslagleggers - betaald en heeft vervolgens, in weerwil van de afspraak tussen partijen, het resterende bedrag ad € 124.693,16 op de derdengeldrekening van Schep Advocaten, het kantoor van mr. Jansen, overgemaakt.
Mr. Jansen heeft daaruit een aantal andere schuldeisers van partijen betaald, waarna € 93.670,06 resteert (hierna: het depot).
3.9.
Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van het geld in het depot.

4.Het geschil in conventie en in reconventie

4.1.
[de man] heeft oorspronkelijk bij dagvaarding gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:
“De huwelijkse voorwaarden af te wikkelen als volgt:
I. De vrouw te veroordelen de woning staande en gelegen aan [adres 1] te ( [postcode 1]
) [plaats] , [gemeente] , binnen twee maanden na het wijzen
van onderhavig vonnis te verlaten en te ontruimen van haar eigen goederen onder
afgifte van de sleutels van de woning en ontruimd te houden, aan man ter vrije
beschikking te stellen, althans een zodanig datum te bepalen, op straffe van een
dwangsom ad € 500,00 per dag of gedeelte voor zover de vrouw zich niet houdt aan
deze veroordeling;
II. De man te machtigen tot het te gelde maken van de woning aan [adres 1] te
( [postcode 1] ) [plaats] , in die zin dat hij als deelgenoot en als vertegenwoordiger
van de vrouw, zelfstandig en dus buiten de vrouw om gemachtigd zal zijn tot het
verrichten van handelingen die kunnen leiden tot de verkoop en levering van de
woning, waarbij het navolgende geldt:
A. makelaar [naam makelaar] te ( [postcode 2] ) [adres 2] wordt gevraagd
om te bemiddelen bij verkoop en levering van de woning van partijen en daarbij
een vraagprijs te hanteren zoals geadviseerd door de makelaar, indien de
makelaar adviseert tot een lagere vraagprijs, zal het advies van de makelaar
worden gevolgd;
B. op het moment dat partijen geen overeenstemming bereiken over een bod op
de woning, beslist makelaar [naam makelaar] of het bod door partijen moet worden
geaccepteerd;
C. de woning wordt zo spoedig mogelijk na verkoop geleverd;
D. met de verkoopsom wordt de hypothecaire geldlening waarmee de woning is
bezwaard, afgelost alsmede de schulden en worden de verkoopkosten van de
woning voldaan, te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn
voor de schulden ter zake de Nederlandse voorschotbank, Eneco, Tonit,
Zelfstroom Zonnepanelen, LAVG mijn domein, CZ, SVHW.
III. de vrouw te veroordelen tot het onvoorwaardelijk opvolgen van de schriftelijke
aanwijzingen van de makelaar en dus al datgene te verrichten respectievelijk na te
laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en
eigendomsoverdracht van de woning te komen, op straffe van verbeurte van een
dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw na betekening van
het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent;
IV. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen ad € 7.500,00 voor
wat betreft de inboedel, althans te bepalen dat partijen de inboedel bij helfte dienen te
delen;
V. te bepalen dat de vrouw de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. (kvk nummer [nummer 1] ) en De
[bedrijf 2] B.V. (kvk nummer [nummer 2] ). heeft voortgezet met ingang van
26 september 2022;
VI. te bepalen dat ieder der partijen de eigen bankrekening met het saldo daarop behoudt
zonder nadere verrekening;
VII. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen ad € 3.000,00 voor
wat betreft de auto;
VIII. te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man draagplichtig is voor de schuld aan
Heineken genoemd onder VI sub H en I;
IX. Met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding, althans de proceskosten
tussen partijen te compenseren.”
4.2.
[de vrouw] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [de man] . In reconventie heeft [de vrouw] gevorderd dat € 31.692,36 aan haar wordt toegewezen.
4.3.
[de man] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [de vrouw] en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] in haar vorderingen in reconventie, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
[de man] heeft bij brief van 4 november 2025 zijn eis in conventie gewijzigd en heeft daarvan ter zitting van 28 april 2026 akte gevraagd. Primair vordert [de man] - na de wijziging van zijn eis - dat het bedrag van het depot (€ 93.670,06) als volgt wordt uitbetaald:
“ [de vrouw] heeft een vordering op [de man] ad € 4.000,00 voor spaarpolis. [de man] op [de vrouw] ad € 2.500 voor inboedel. Per saldo krijgt [de vrouw] dus € 1.500,00 meer. € 93.670,06 /2 = € 46.835,03 - € 1.500,00= € 45.335,03 aan [de man] en € 48.335,03 aan [de vrouw] ”
en subsidiair:
“dat het saldo van de derdengeldrekening wordt verdeeld: € 50.564,13 aan [de man] en € 43.105,93 aan [de vrouw] .”
met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten.
4.5.
[de vrouw] heeft gereageerd op de stellingen in de brief van [de man] van 4 november 2025, en te kennen gegeven dat zij zich niet kan verenigen met de wijze van verdeling van het depotbedrag zoals door [de man] - na eiswijziging - gevorderd.
4.6.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, op de stellingen van partijen ingaan.

5.De beoordeling in conventie en reconventie

Processuele beslissingen
5.1.
De rechtbank staat de eiswijziging van [de man] in zijn brief van 4 november 2025, zie hiervoor onder 4.4, toe omdat deze tijdig is gedaan en [de vrouw] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat ook de eerste brief van 24 april 2026 van mr. Prinsen toe: deze is weliswaar te kort voor de zitting ingediend maar bevat geen producties en mr. Jansen maakt er geen bezwaar tegen. Deze brief wordt aangemerkt als spreekaantekeningen van
mr. Prinsen voor de zitting. De rechtbank laat de tweede brief van mr. Prinsen van 24 april 2026, met aanvullende producties, buiten beschouwing. Mr. Jansen maakt bezwaar tegen deze brief en de daarbij gevoegde producties omdat zij onvoldoende tijd heeft gehad om de brief en de producties te bestuderen. De rechtbank acht dit bezwaar terecht.
Juridisch kader
5.2.
Het geschil tussen partijen betreft in wezen de verdeling van een gemeenschap. Het bedrag in depot komt immers aan partijen gezamenlijk toe. In artikel 3:185 BW Pro is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
De primaire vordering van [de man]
5.3.
[de man] vordert primair dat het bedrag in depot tussen partijen wordt verdeeld zonder rekening te houden met eventuele vorderingen van [de vrouw] , omdat [de vrouw] zich niet heeft gehouden aan het bepaalde in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst (zij zou binnen een maand en in één keer stukken aanleveren aan [de man] waaruit het bestaan van de in artikel 4 genoemde Pro schulden blijkt en waaruit haar betaling van (een deel van) die schulden blijkt, en dat heeft zij niet gedaan). In wezen vordert [de man] dus gedeeltelijke ontbinding van de vaststellingsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van [de vrouw] . Daarvan kan echter geen sprake zijn omdat in artikel 12 van Pro de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst niet vatbaar is voor ontbinding wegens niet-nakoming. [de man] kan dus uitsluitend nakoming vorderen. Dat betekent dat de rechtbank de subsidiaire vordering van [de man] moet beoordelen (te weten dat het saldo van de derdengeldrekening wordt verdeeld: € 50.564,13 aan [de man] en € 43.105,93 aan [de vrouw] ), alsmede de vordering van [de vrouw] in reconventie. De rechtbank moet in dat kader alle vorderingen van partijen over en weer beoordelen.
5.4.
De vorderingen van partijen over en weer, zijn in te delen in de volgende categorieën:
vorderingen van [de vrouw] in verband met de door de notaris betaalde schulden;
vorderingen van [de vrouw] in verband met de door mr. Jansen betaalde bedragen;
vorderingen van [de vrouw] op grond van artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst;
vorderingen van [de man] genoemd in de brief van mr. Jansen van 4 november 2025.
5.5.
De rechtbank zal de vorderingen van partijen hierna per categorie bespreken.
Vorderingen van [de vrouw] in verband met de door de notaris betaalde schulden
5.6.
In de vaststellingsovereenkomst onder artikel 1, derde gedachtestreepje, is door partijen afgesproken dat
“alle schulden waarvoor beslag op de woning is gelegd zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning.”
De woning is verkocht en de notaris heeft volgens de nota van afrekening uit de koopsom van € 450.000,- - na eerst diverse eigenaarslasten te hebben verrekend - vier beslagleggers betaald: De Nederlandse Voorschotbank B.V. (€ 44,520,66), Zelfstroom Zon Huur II B.V. (€ 9.798,36), Tonit Afrekensystemen B.V. (€ 5.084,07) en SVHW (€ 8.312,23). Daarnaast is uit de verkoopopbrengst volgens deze nota van afrekening de hypotheekschuld bij ING Bank N.V. afgelost, en zijn de diverse notariële en kadasterkosten en de kosten van de makelaar betaald.
De Nederlandse Voorschotbank B.V.
5.7.
De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning € 44.520,66 aan De Nederlandse Voorschotbank betaald. [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat [de man] deze schuld in hun onderlinge verhouding moet dragen omdat dit een schuld is uit een eerdere relatie van [de man] . Volgens [de vrouw] is [de man] deze schuld bovendien lichtvaardig aangegaan en heeft hij daardoor de (fictieve) gemeenschap tussen partijen benadeeld. [de vrouw] stelt dat [de man] op grond van artikel 1:164 BW Pro de daardoor aangerichte schade aan de gemeenschap moet vergoeden.
5.8.
[de man] stelt dat er geen reden is om deze schuld niet als gemeenschapsschuld te behandelen. Ook wijst [de man] erop dat de (regres)vordering van [de vrouw] niet is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, en dat tussen partijen in diezelfde vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat zij geen nieuwe schulden en vorderingen in de afrekening zullen betrekken. [de vrouw] voert hiertegen aan dat die afspraak niet ziet op interne vorderingen.
5.9.
De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden afgesproken bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding met elkaar af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren getrouwd. De huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt in 2014, zodat met “gemeenschap van goederen” in de huwelijkse voorwaarden niets anders bedoeld kan zijn dan de wettelijke gemeenschap van goederen zoals die toen gold. Dat betekent dat partijen met elkaar moeten afrekenen alsof zij in volledige gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tot een dergelijke gemeenschap behoren ook schulden die de echtgenoten vóór het huwelijk zijn aangegaan. Voor schulden aangegaan tijdens eerdere relaties geldt geen uitzondering. De schuld aan De Nederlandse Voorschotbank valt dus in de fictieve gemeenschap tussen partijen en moet door partijen ieder bij helfte worden gedragen. Nu de schuld geheel ten laste van de gemeenschap (de verkoopopbrengst van de woning) is voldaan, heeft [de vrouw] niet meer dan haar deel daarvan gedragen en heeft zij uit dien hoofde geen vordering op [de man] .
5.10.
Aan [de vrouw] komt ook geen vordering toe op grond van het bepaalde in artikel 1:164 BW Pro. Die bepaling ziet immers op schulden die kort na of in het zicht van de echtscheiding zijn aangegaan, en daarvan is hier geen sprake. Het betreft een schuld die voor het huwelijk is aangegaan. In het midden kan dus blijven of de vordering van [de vrouw] een “nieuwe vordering” is als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
Tonit
5.11.
De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning € 5.084,07 betaald aan Tonit Afrekensystemen B.V. (hierna: Tonit). [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat zij al eerder € 4.673,44 op deze schuld had afbetaald en dat zij uit dien hoofde een regresvordering heeft op [de man] ten bedrage van € 2.336,72. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [de vrouw] e-mails overgelegd van Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders van 26 maart 2025 en 22 mei 2025, waarin staat dat op de schuld aan Tonit op dat moment € 4.673,44 was afgelost, waarvan € 3.738,52 was betaald aan de deurwaarder en € 934,92 aan Tonit.
5.12.
[de man] heeft ter zitting van 22 april 2025 erkend dat [de vrouw] een regresvordering heeft voor zover zij aantoonbaar betalingen heeft verricht op deze schuld. Volgens [de man] is het bedrag van € 3.738,52 echter niet betaald door [de vrouw] maar in mindering gebracht op de schuld omdat partijen twee kassa’s hebben ingeleverd bij Tonit. Ter zitting van 28 april 2026 heeft [de man] voorts aangevoerd dat sprake is van een nieuwe schuld die niet in het overzicht (opgenomen in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst) staat, en dat de brief van de deurwaarder vragen oproept.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de man] zijn verweer tegen deze vordering van [de vrouw] onvoldoende onderbouwd. Uit de e-mail van de deurwaarder van 22 mei 2025 blijkt dat de betalingen van € 3.738,52 en € 934,92 in mindering zijn gebracht op de schuld die resteerde ná inlevering van de kassa’s. Het bedrag van € 3.738,52 ziet dus niet op de ingeleverde kassa’s. Daarmee staat - als onvoldoende gemotiveerd betwist - vast dat dit bedrag, evenals het bedrag van € 934,92, door [de vrouw] is afgelost. [de vrouw] heeft dus € 4.673,44 méér afgelost op deze gemeenschappelijk schuld dan [de man] , zodat [de vrouw] een regresvordering van € 2.336,72 op [de man] heeft. Hieraan doet niet af dat deze schuld niet in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Immers, [de man] heeft reeds ter zitting van 22 april 2025 erkend dat [de vrouw] een regresvordering heeft voor zover zij aantoonbaar betalingen heeft verricht op deze schuld, zodat redelijkerwijs niet van een nieuwe schuld of vordering als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst kan worden gesproken.
SVHW
5.14.
De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning ook een bedrag van € 8.312,23 aan SVHW betaald. [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat zij uit dien hoofde een vordering heeft op [de man] . In haar (tweede) brief van 21 april 2026 stelt [de vrouw] dat twee van de aanslagen van SVHW die door de notaris zijn betaald (ten bedrage van totaal € 3.084,34) betrekking hebben op de periode na de echtscheiding. In haar brief van 24 april 2026 stelt zij dat die twee aanslagen geen betrekking hebben op de woning, maar op de woning van [de man] . [de vrouw] stelt ook dat zij vóór de verkoop van de woning al € 750,- op de schuld aan SVHW heeft afgelost. [de man] heeft ter zitting betwist dat de betreffende twee aanslagen betrekking hebben op zijn eigen woning.
5.15.
De twee betreffende aanslagen staan vermeld in de door [de vrouw] in het geding gebrachte brief van SVHW aan de notaris in verband met de verkoop van de woning. In die brief is een overzicht van openstaande aanslagen van SVHW opgenomen. Boven dat overzicht staat vermeld: “In verband met de verkoop van de woning [adres 1] te [plaats] stuur ik u een overzicht van de openstaande aanslagen.”. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de twee betreffende aanslagen betrekking hebben op de woning. Dat de twee aanslagen betrekking hebben op de periode na de echtscheiding van partijen, doet niet af aan de draagplicht van [de vrouw] . [de vrouw] heeft dus in verband met het bedrag dat de notaris heeft betaald aan SVHW geen vordering op [de man] .
5.16.
[de vrouw] heeft wel een vordering op [de man] in verband met haar betaling van € 750,- aan SVHW. Die vordering is door [de man] niet betwist. [de vrouw] heeft uit dien hoofde een vordering van € 375,- op [de man] .
Vorderingen van [de vrouw] in verband met de door mr. Jansen betaalde bedragen
5.17.
Partijen hebben in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst afgesproken dat de daar genoemde schulden 50/50 door hen gedragen worden en dat de actuele standen zouden worden opgevraagd met de bedoeling deze uit de verkoopopbrengst van de woning te voldoen. Mr. Jansen zou vervolgens voor betaling van de genoemde schuldeisers zorgen.
5.18.
Mr. Jansen heeft diverse schulden voor partijen afgewikkeld door ze te voldoen uit het van de notaris ontvangen bedrag:
- de schuld aan MijnDomein door betaling van € 750,- tegen finale kwijting op 14 oktober 2025;
- de schuld aan CZ door betaling van € 9.541,58 op 10 oktober 2025;
- de schuld aan Heineken door betaling van € 10.000,- tegen finale kwijting op 17 oktober 2025;
- de schuld aan Vodafone door betaling van € 850,- tegen finale kwijting op 14 oktober 2025.
De schuld aan CZ
5.19.
Mr. Jansen heeft € 9.541,58 aan CZ betaald. [de vrouw] heeft zich in haar brief van 24 april 2026 akkoord verklaard met die betaling. Ter zitting heeft [de vrouw] alsnog bezwaar gemaakt tegen die betaling. De rechtbank begrijpt dat [de vrouw] betwijfelt of de schuld aan CZ daadwerkelijk € 9.541,58 bedroeg en betwijfelt of mr. Jansen daadwerkelijk € 9.541,58 aan CZ heeft betaald. [de man] heeft echter als productie 36 een betalingsverzoek van CZ van € 9.541,58 en een betalingsbewijs aan CZ van € 9.541,58 overgelegd. In het licht hiervan lag het op de weg van [de vrouw] om haar bezwaar nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de rechtbank aan dit bezwaar voorbijgaat. De hoogte van de schuld en de betaling van de schuld staan daarmee vast. De schuld aan CZ moet volgens de vaststellingsovereenkomst door partijen 50/50 worden gedragen. Nu deze schuld door mr. Jansen uit het van de notaris ontvangen bedrag is betaald, heeft geen van partijen dus een vordering op de ander in verband met die betaling.
D
e schuld aan de gemeente Rotterdam
5.20.
Terzake de schuld aan de gemeente Rotterdam (terugvordering van uitkeringen onder de Transitie Bbz en Tozo) heeft mr. Jansen € 5.381,52 aan de gemeente betaald. [de man] heeft bewijs van die betaling overgelegd, alsmede twee brieven van de gemeente Rotterdam; één met betrekking tot de openstaande vorderingen op [de man] (totaal € 5.381.52) en één met betrekking tot de openstaande vorderingen op [de vrouw] (totaal € 5.381,52). In beide brieven staan dezelfde vijf vorderingsnummers met dezelfde ontstaansdata, dezelfde omschrijvingen en dezelfde bedragen vermeld. Volgens [de vrouw] is sprake van twee schulden van € 5.381,52 en moet dus nog € 5.381,52 aan de gemeente worden betaald uit het depot. Volgens [de man] is dat niet het geval en gaat het om één en dezelfde schuld omdat de vorderingsnummers, ontstaansdata en omschrijvingen hetzelfde zijn.
5.21.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de vrouw] haar stelling dat sprake is van twee verschillende schulden aan de gemeente onvoldoende onderbouwd. Het ligt immers niet voor de hand dat de gemeente voor verschillende vorderingen op verschillende personen dezelfde vorderingsnummers hanteert. Bovendien waren uitkeringen onder de Transitie Bbz en de Tozo gezinsuitkeringen, zodat denkbaar is dat de gemeente de terugvordering beschouwt als een schuld waarvoor beide partijen hoofdelijk (dus ieder voor het geheel) aansprakelijk zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de schuld van partijen aan de gemeente door de betaling van mr. Jansen is afgelost, en dat het niet nodig is om uit het depot nogmaals € 5.381,52 aan de gemeente te betalen.
Vorderingen van [de vrouw] op grond van artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst
Aksa Media
5.22.
[de vrouw] stelt dat zij € 3.379,45 heeft betaald ter aflossing van de schuld aan Aksa Media, en legt een e-mail over van Van der Vleuten & Van Hooff, gerechtsdeurwaarders en incasso, van 20 mei 2025 (productie I van [de vrouw] ), waarin staat:
“Er is in totaal een bedrag van € 3.379,45 betaald aan ons kantoor”.Volgens [de vrouw] moet [de man] de helft van dat bedrag aan haar vergoeden.
5.23.
[de man] plaatst vraagtekens bij het bedrag omdat in de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie een bedrag van € 1.477,57 wordt genoemd. Ook stelt [de man] dat niet duidelijk is wanneer de betalingen door [de vrouw] hebben plaatsgevonden. [de man] stelt dat hij vóór zijn detentie, dus vóór 14 juli 2022, geen eigen bankrekening had, en dat toen alles werd betaald van de rekening van [de vrouw] , die eigenlijk een gemeenschappelijke rekening was waarop ook zijn inkomsten werden gestort. Als er betalingen vóór 14 juli 2022 zijn gedaan, dan zijn die betalingen volgens [de man] dus uit gemeenschappelijke middelen gedaan. [de vrouw] stelt dat het er niet toe doet wanneer de betalingen precies hebben plaatsgevonden omdat in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat [de man] aan haar de helft zal vergoeden van de bedragen die zij aantoonbaar heeft betaald op de schulden genoemd in dat artikel 4.
5.24.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst staat dat als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit blijkt dat zij (een deel van) de in dat artikel genoemde schulden heeft betaald, zij een vordering op [de man] heeft gelijk aan de helft van het door [de vrouw] betaalde bedrag. Er staat niet dat dit alleen geldt voor betalingen die [de vrouw] na
14 juli 2022 heeft verricht. Echter, tot en met de zitting van 22 april 2025, dus tot en met het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, heeft [de vrouw] haar regresvorderingen op [de man] beperkt tot de helft van de bedragen die zij ná 14 juli 2022 heeft afgelost. Bij conclusie van eis in reconventie vorderde [de vrouw] de helft van € 19.190,78 van [de man] , op de grond dat zij na 14 juli 2022 dat bedrag (€ 19.190,78) had afgelost. Voorafgaand aan de zitting op 22 april 2025 heeft [de vrouw] een nieuw overzicht overgelegd van de door haar na 14 juli 2022 verrichte betalingen. Volgens dat overzicht heeft [de vrouw] na 14 juli 2022 € 23.319,- afgelost. Onderaan dat overzicht staat: “€ 23319 dit is allemaal door mij reeds betaald sinds 14-7-2022 en zou [de man] ook voor de helft hebben moeten betalen. € 11659,50 wi1 ik dan ook bij deze vorderen op meneer [de man] ”. De rechtbank leidt hieruit af dat het, zoals [de man] stelt, bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst inderdaad de bedoeling van partijen was dat [de vrouw] alleen regres op [de man] heeft voor betalingen die zij na 14 juli 2022 heeft gedaan. [de vrouw] moet dus betalingsbewijzen aanleveren waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Zonder dergelijke bewijzen is [de man] op grond van de vaststellingsovereenkomst niet gehouden tot betaling.
5.25.
[de vrouw] heeft een e-mail overgelegd van deurwaarderskantoor Van Vleuten en Van Hooff van 19 augustus 2024 waaruit blijkt dat de schuld inzake Aksa Media op dat moment € 1.477,57 bedroeg. Aangezien vaststaat (dat blijkt uit de e-mail van Van der Vleuten & Van Hooff van 20 mei 2025) dat de schuld inmiddels geheel is afgelost, staat ook vast dat [de vrouw] ten minste € 1.477,57 na 19 augustus 2024, en dus na 14 juli 2022 heeft betaald op deze schuld. Uit de stukken blijkt niet dat [de vrouw] na 14 juli 2022 méér dan dat bedrag heeft afgelost op deze schuld. De rechtbank gaat daarom uit van een bedrag van € 1.477,57. [de vrouw] heeft voor de helft van dat bedrag, dus voor € 738,79, een regresvordering op [de man] .
Vattenfall
5.26.
[de vrouw] stelt dat zij € 350,- heeft betaald op de schuld aan Vattenfall en dat zij dus voor € 175,- regres heeft op [de man] . [de man] stelt dat niet duidelijk is of die betaling vóór of na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden en dat hij daarom niet tot bijdragen gehouden is. De rechtbank volgt [de man] op dit punt. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.24, heeft [de vrouw] uitsluitend een vordering op [de man] indien zij betalingsbewijzen overlegt waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
5.27.
[de vrouw] stelt ook dat van de schuld aan Vattenfall nog een bedrag van € 450,- openstaat. De rechtbank gaat ervan uit dat [de vrouw] bedoelt te vorderen dat dit bedrag ten laste van het depot wordt betaald. Hiertegen is door [de man] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de openstaande schuld aan Vattenfall van € 450,- plus rente en kosten uit het depot moet worden betaald.
Ministry of Beauty
5.28.
[de vrouw] stelt dat zij € 1.992,13 heeft betaald op de schuld aan Ministry of Beauty (die werd geïncasseerd door incassobureau Armeare), en dat zij dus voor € 996,07, regres heeft op [de man] . [de man] erkent dat [de vrouw] een bedrag van € 692,45 heeft betaald op deze schuld na
14 juli 2022 en dat hij de helft van dat bedrag aan [de vrouw] moet vergoeden. [de man] betwist echter dat [de vrouw] de rest van deze schuld na 14 juli 2022 heeft betaald, en betwist daarom dat [de vrouw] een vergoedingsrecht heeft in verband met de rest van de schuld. De rechtbank volgt [de man] op dit punt. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.24, heeft [de vrouw] uitsluitend een vordering op [de man] indien zij betalingsbewijzen overlegt waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Dat heeft zij voor wat betreft het bedrag boven € 692,45 niet gedaan. De rechtbank wijst deze vordering daarom af voor wat betreft het bedrag boven € 692,45. [de man] moet (€ 692,45 : 2 =) € 346,23 aan [de vrouw] vergoeden.
Marco Warmte
5.29.
[de vrouw] stelt dat zij diverse rekeningen van Marco Warmte heeft betaald. Zij heeft een e-mail van Marco Warmte overgelegd van 13 januari 2026 waaruit blijkt dat zij een factuur van € 75,63, betreffende een servicebezoek in maart 2023, heeft betaald, en dat nog twee facturen openstaan, te weten een factuur van 31 januari 2020 betreffende een servicebezoek in januari 2020 (€ 142,78) en een factuur van 27 januari 2025 betreffende een servicebezoek op 27 januari 2025 (€ 276,29). [de vrouw] wil dat de twee openstaande facturen worden betaald ten laste van het depot, en dat [de man] aan haar de helft van de door haar betaalde factuur vergoedt.
5.30.
[de man] erkent dat de openstaande factuur voor het servicebezoek in 2020 door partijen 50/50 moet worden gedragen en dat deze dus ten laste van het depot moet worden betaald. [de man] betwist dat de facturen voor de servicebezoeken in 2023 en 2025 deels door hem moeten worden gedragen, omdat hij in die periode niet in de woning woonde. Dat [de vrouw] de rekening van het servicebezoek in 2023 heeft betaald, is niet betwist door [de man] .
5.31.
Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de schuld aan Marco Warmte door hen 50/50 zal worden gedragen. Noch uit de stukken, noch uit hetgeen is besproken ter zitting van 22 april 2025 blijkt dat partijen bedoeld hebben deze schuld slechts gezamenlijk te dragen voor zover die is ontstaan voordat [de man] de woning heeft verlaten. Ook is gesteld noch gebleken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de schuld aan Marco Warmte, voor zover die is ontstaan nadat [de man] de woning heeft verlaten, voor de helft door [de man] zou worden gedragen. De schuld aan Marco Warmte moet dus door partijen 50/50 gedragen worden.
5.32.
Uit het voorgaande volgt dat de twee openstaande facturen van Marco Warmte ten laste van het depot betaald moeten worden. De rechtbank zal dit meenemen in de verdeling van het depot. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze facturen (totaal € 419,07) plus rente en kosten uit het depot moeten worden betaald. De door [de vrouw] betaalde factuur moet door [de man] voor de helft aan [de vrouw] vergoed worden. [de man] moet dus (€ 75,63 : 2 =) € 37,82 aan [de vrouw] betalen.
Pascal Service
5.33.
[de vrouw] stelt dat een schuld van € 145,20 aan Pascal Service ten laste van het depot betaald moet worden, en overlegt een factuur van Pascal Service ten bedrage van € 145,20 voor het ontstoppen van het riool op 3 juli 2024. [de man] betwist dat deze factuur ten laste van het depot betaald moet worden omdat het een hele andere schuld is dan de schuld genoemd in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
5.34.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de schuld aan Pascal Service, voor zover die nog niet is betaald, ten laste van het depot moet worden betaald. Zoals [de man] terecht stelt, en zoals ook door [de vrouw] ter zitting van 28 april 2026 is erkend, betreft dit echter niet de schuld die [de vrouw] nu ten laste van het depot wil brengen. De schuld bedoeld in de vaststellingsovereenkomst betreft een factuur die door [de vrouw] bij conclusie van eis in reconventie is omschreven als “€ 145,20 ivm kapot in tuin onderhoud woning al heel lang kapot voor dat [de man] in detentie ging”. De door [de vrouw] overgelegde factuur betreft het ontstoppen van het riool op 3 juli 2024, bijna twee jaar nadat [de man] in detentie ging. Dit is dus een andere schuld dan de schuld waarover partijen in de vaststellingsovereenkomst overeenstemming bereikt hebben. Afgesproken is in de vaststellingsovereenkomst dat partijen geen nieuwe schulden in de afrekening zullen betrekken. Deze schuld kan dus niet ten laste van het depot worden betaald.
Bol.com – zwembadpomp
5.35.
[de vrouw] stelt dat zij op 8 juli 2024 € 118,50 heeft betaald aan Bol.com voor een nieuwe zwembadpomp en vordert dat [de man] de helft van dat bedrag aan haar vergoedt. [de man] stelt dat deze kosten uitsluitend voor rekening van [de vrouw] komen omdat zij moest zorgen voor het onderhoud van het huis en het zwembad toen hij er niet meer woonde.
5.36.
Deze schuld is door [de vrouw] opgevoerd bij conclusie van eis in reconventie, en in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat [de man] de helft van deze schuld moet vergoeden aan [de vrouw] als [de vrouw] aantoont dat zij deze schuld betaald heeft. [de vrouw] heeft een betalingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij deze schuld heeft betaald. [de man] moet dus op grond van de vaststellingsovereenkomst de helft van deze schuld, dat is € 59,25, aan [de vrouw] vergoeden.
5.37.
Aan het voorgaande doet niet af dat [de vrouw] de zwembadpomp heeft vervangen toen [de man] niet meer in de woning woonde. Noch uit de stukken, noch uit hetgeen is besproken ter zitting van 22 april 2025 blijkt dat partijen bedoeld hebben de kosten van de zwembadpomp slechts gezamenlijk te dragen als die pomp is vervangen voordat [de man] de woning heeft verlaten. Ook is gesteld noch gebleken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de kosten van de zwembadpomp voor de helft door [de man] zou worden gedragen.
Hypotheekachterstand op 14 juli 2022
5.38.
Bij conclusie van eis in reconventie heeft [de vrouw] gesteld (zonder onderbouwing van stukken) dat de hypotheekachterstand op 14 juli 2022 € 4.072,82 bedroeg en dat zij dat bedrag heeft betaald. [de vrouw] vorderde daarom € 2.036,41 van [de man] . In haar brief van 21 april 2026 stelt [de vrouw] dat de hypotheekachterstand op 14 juli 2022 € 4.728,09 bedroeg. Bij die brief heeft zij bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij in augustus, september en oktober 2022 in vijf verschillende bedragen totaal € 4.753,09 van haar privérekening heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen, met als omschrijving “Hypotheek” of “ [nummer 3] aflossing rente leningdeel”, en dat zij op 10 september 2022 € 25,- van die gezamenlijke rekening heeft overgemaakt naar haar privérekening. Per saldo tellen de betalingen dus op tot € 4.753,09. [de vrouw] stelt dat dat bedrag is gebruikt om de hypotheekachterstand per 14 juli 2022 te betalen. Zij vordert daarom nu € 2.376,55 van [de man] .
5.39.
[de man] betwist dat met het bedrag van € 4.753,09 een hypotheekachterstand per 14 juli 2022 is betaald. Omdat [de vrouw] geen stukken heeft overgelegd waaruit dit blijkt, komt haar volgens [de man] geen vordering toe op grond van de vaststellingsovereenkomst.
5.40.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de hypotheekachterstand per 14 juli 2022 door partijen 50/50 zal worden gedragen en dat [de vrouw] een vergoedingsrecht heeft jegens [de man] indien zij stukken aanlevert waaruit het bestaan van die achterstand blijkt, en waaruit blijkt dat zij die achterstand geheel of gedeeltelijk heeft betaald. Uit de stukken die [de vrouw] heeft aangeleverd blijkt niet van het bestaan van een achterstand op 14 juli 2022 en evenmin dat zij die achterstand heeft betaald. [de vrouw] heeft daarom geen vordering op [de man] in verband met de betaling van “de hypotheekachterstand op 14 juli 2022” als bedoeld in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
5.41.
Gesteld noch gebleken is dat met het bedrag van € 4.753,09 reguliere hypotheektermijnen zijn betaald die na 14 juli 2022 verschuldigd zijn geworden. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de vraag of het bedrag van € 4.753,09 is besteed aan “vaste lasten in verband met de woning niet zijnde lasten die elders in deze overeenkomst als schuld worden genoemd” als bedoeld in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst (zie hierover punt 5.50).
5.42.
Uit het voorgaande volgt dat de vaststellingsovereenkomst geen grond biedt voor een vordering van [de vrouw] op [de man] in verband met de gestelde betaling van € 4.753,09. Die vordering zal daarom worden afgewezen.
Hallostroom – termijnbetalingen
5.43.
[de vrouw] vordert de helft van € 1.661,- van [de man] op de grond dat zij dat bedrag aan leasetermijnen heeft betaald aan Hallostroom. Ter onderbouwing van haar vordering overlegt [de vrouw] screenshots van diverse betalingen. [de man] voert aan dat uit niets blijkt dat dit betalingen van een schuld sinds 14 juli 2022 zijn zodat aan [de vrouw] geen regres toekomt.
5.44.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de schuld aan Hallostroom door partijen 50/50 zal worden gedragen. Met “de schuld aan Hallostroom” in dat artikel is bedoeld de schuld die [de vrouw] had opgenomen in haar overzicht van door haar betaalde schulden sinds 14 juli 2022. In dat overzicht staat als schuld aan Hallostroom vermeld: “€ 153,00 achterstand van 3 maanden op 14-7-2022”. Bedoeld is dus de per 14 juli 2022 bestaande achterstand jegens Hallostroom, als daar sprake van is. Uit de door [de vrouw] overgelegde stukken blijkt niet dat op 14 juli 2022 sprake was van een achterstand, en evenmin dat het bedrag van € 1.661,- is betaald ter aflossing van die achterstand. [de vrouw] heeft dus geen vergoedingsrecht jegens [de man] wegens aflossing van “de schuld aan Hallostroom” als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst.
5.45.
De rechtbank merkt op dat [de vrouw] diverse betalingen die onderdeel zijn van het bedrag van € 1.661,- ook opvoert als door haar betaalde “vaste lasten” als bedoeld in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst, en dat zij op die grond ook vergoeding van de helft van die betalingen vordert. Er is dus sprake van een dubbeltelling. Of aan [de vrouw] op die grond een vordering toekomt, wordt hierna in 5.48 besproken.
Schuld NLE
5.46.
[de vrouw] stelt dat zij € 110,- van [de man] te vorderen heeft wegens de door haar betaalde schuld van € 220,- aan NLE. Dat wordt door [de man] erkend. De rechtbank zal deze vordering van [de vrouw] verwerken in de verdeling van het depot.
[school dochter van de vrouw] - de school van [dochter van de vrouw]
5.47.
[de vrouw] stelt dat zij twee facturen van de school van dochter [dochter van de vrouw] , ten bedrage van totaal € 1.681,50, heeft betaald, en zij vordert daarom € 840,75 van [de man] . [de man] stelt dat uit niets blijkt dat [de vrouw] dit bedrag betaald heeft. [de man] erkent dat hij voor de helft draagplichtig is voor de factuur van 6 september 2021 (€ 641,50). Hij betwist dat hij moet bijdragen aan de factuur van 11 september 2022 omdat partijen toen feitelijk al uit elkaar waren en omdat dit een nieuwe vordering is.
5.48.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de schuld aan de [school dochter van de vrouw] door partijen 50/50 zal worden gedragen. Met “de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ” in dat artikel is bedoeld de schuld die [de vrouw] had opgenomen in haar overzicht van door haar betaalde schulden sinds 14 juli 2022. In dat overzicht staat als schuld aan de [school dochter van de vrouw] vermeld: “€ 641,50 achterstand op 14-7-2022 schooljaar 2021”. Met “de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ” in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is dus bedoeld de per 14 juli 2022 bestaande schuld van € 641,50, dus de factuur van 6 september 2021. De factuur van 11 september 2022 is hiermee niet bedoeld. Dat is een nieuwe schuld als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben afgesproken nieuwe schulden niet in de afrekening te betrekken. De rechtbank zal daarom de factuur van 11 september 2022 niet in de verdeling van het depot betrekken.
5.49.
Met betrekking tot de factuur van 6 september 2021 heeft [de vrouw] geen betalingsbewijs overgelegd. [de vrouw] heeft daarom op grond van de vaststellingsovereenkomst geen vergoedingsrecht jegens [de man] in verband met deze factuur.
Vaste lasten, niet zijnde lasten die elders in de vaststellingsovereenkomst zijn genoemd
5.50.
[de vrouw] stelt dat zij tussen 14 juli 2022 en 7 november 2022 € 4.331,41 aan vaste lasten in verband met de woning heeft betaald, en vordert de helft van dat bedrag van [de man] . [de man] voert aan dat [de vrouw] deze lasten moet dragen, kennelijk omdat het lasten betreft over de periode waarin hij in detentie was.
5.51.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat “de vaste lasten in verband met de woning, niet zijnde lasten die elders in de overeenkomst als schuld worden genoemd”, door partijen 50/50 zullen worden gedragen. Met vaste lasten in dat artikel is bedoeld de vaste lasten zoals [de vrouw] die had opgenomen in haar overzicht van door haar betaalde schulden sinds 14 juli 2022. In dat overzicht staat bij vaste lasten vermeld: “tot de dag van scheiding en alleen recht woning € 5657,80 betaald wat door twee gedeeld dient te worden hypotheek kosten ed”. De rechtbank leidt hieruit af dat partijen met vaste lasten bedoeld hebben: de vaste lasten die de vrouw heeft betaald tussen 14 juli 2022, de datum waarop de man in detentie ging, en 7 november 2022, de datum waarop bij beschikking van deze rechtbank het exclusieve recht van gebruik van de woning aan de vrouw is toegekend. Niet betwist is dat [de vrouw] het bedrag van € 4.331,41 heeft besteed aan vaste lasten in die periode. [de man] moet dus de helft van dat bedrag, dat is € 2,165,71, vergoeden aan [de vrouw] . De rechtbank zal deze vordering van [de vrouw] verwerken in de verdeling van het depot.
Schuld aan de Belastingdienst
5.52.
[de vrouw] stelt dat zij € 6.853,- heeft afgelost op belastingschulden op haar naam, en vordert daarom betaling van de helft van dat bedrag, dus van € 3.426,50, van [de man] . [de vrouw] stelt ook dat nog een bedrag van € 8.057,- aan belastingschulden op haar naam openstaat. Die openstaande belastingschulden moeten volgens [de vrouw] door partijen 50/50 gedragen worden. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat [de vrouw] vordert dat die openstaande schulden ten laste van het depot worden betaald. Daarnaast stelt [de vrouw] dat nog een bedrag van € 3.954,- openstaat aan belastingschulden van [bedrijf 1] B.V. en een bedrag van € 18.209,- aan belastingschulden van [bedrijf 2] B.V.. Die bedragen moeten volgens [de vrouw] ook door partijen 50/50 gedragen worden. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [de vrouw] overzichten overgelegd van de belastingschulden op haar naam, op naam van [bedrijf 1] B.V. en op naam van [bedrijf 2] B.V per 15 april 2026.
5.53.
[de man] vraagt zich af of de door [de vrouw] overgelegde overzichten wel echt van de belastingdienst afkomstig zijn. [de man] voert ook aan dat uit het door [de vrouw] overgelegde overzicht van de openstaande belastingschulden op haar naam niet blijkt dat bedragen zijn afgelost door [de vrouw] . Het verschil tussen het nominale bedrag van de aanslag met nummer [nummer 4] (€ 10.137,-) en het openstaande bedrag van die aanslag (€ 3.687,-) kan volgens hem ook het gevolg zijn van een vermindering van de aanslag.
5.54.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om aan de authenticiteit van de door [de vrouw] overgelegde overzichten te twijfelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het overzicht van de openstaande belastingschulden op naam van [de vrouw] genoegzaam blijkt dat [de vrouw] € 6.853,- heeft afgelost. Het ligt immers voor de hand dat bij een vermindering van een aanslag het nominale bedrag van die aanslag in de kolom “Aanslag bedrag” wordt verminderd, zodat het verschil tussen dat bedrag en het bedrag in de kolom “Open bedrag” niet anders kan worden verklaard dan door een gedeeltelijke betaling van de betreffende aanslag. De verweren van [de man] tegen de vordering van [de vrouw] tot betaling van € 3.426,50 falen dus. De rechtbank zal deze vordering verwerken in de verdeling van het depot.
5.55.
De bedragen in de kolom “Totaal open” in het overzicht van de openstaande belastingschulden op naam van [de vrouw] , met uitzondering van de aanslagen die door [de vrouw] zijn aangemerkt als “buiten huwelijk” tellen op tot € 8.057,-. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de openstaande schuld van [de vrouw] voor aanslagen over de huwelijkse periode per 15 april 2026 € 8.057 bedroeg. Deze schuld, eventueel vermeerderd met rente en kosten na 15 april 2026, moet door partijen 50/50 worden gedragen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de openstaande belastingschulden ten bedrage van € 8.057,- plus rente en kosten uit het depot moeten worden betaald.
5.56.
Ten aanzien van de stelling van [de vrouw] dat de belastingschulden op naam van [bedrijf 1] B.V. en op naam van [bedrijf 2] B.V door partijen 50/50 moeten worden gedragen, overweegt de rechtbank dat hier kennelijk geen sprake is van belastingschulden van partijen zelf. Gesteld noch gebleken is dat partijen of één van hen medeaansprakelijk zijn of is voor die schulden. Deze schulden kunnen daarom niet in de afrekening tussen partijen worden betrokken.
Schuld KVN Gerechtsdeurwaarders inzake CCV Group
5.57.
[de vrouw] stelt dat zij € 200,- heeft betaald op een schuld aan CCV Group B.V. wegens achterstallige huur voor de pinautomaat van haar kapsalon. Die schuld wordt geïnd door KVN Deurwaarders. [de vrouw] wil dat [de man] de helft van dat bedrag, dus € 100,-, aan haar betaalt. Ook staat er volgens [de vrouw] nog € 2.322,48 open van deze schuld. Dat bedrag moet volgens [de vrouw] door partijen 50/50 gedragen worden. [de man] stelt dat sprake is van een nieuwe schuld die niet in de vaststellingsovereenkomst wordt genoemd en die dus niet in de afrekening moet worden betrokken. [de vrouw] stelt dat zij zich heeft vergist in de naam van het deurwaarderskantoor en dat dit de schuld is die zij in haar overzicht bij de conclusie van eis in reconventie heeft aangeduid als schuld aan Intrum.
5.58.
In het overzicht bij de conclusie van antwoord staat een schuld aan Intrum vermeld met als omschrijving: “Intrum kapsalon € 750,03 ontstaan tijdens huwelijk [bedrijf 3] eenmanszaak dus privé aansprakelijk”. In het bijgewerkte overzicht dat [de vrouw] kort voor de zitting van 22 april 2025 heeft overgelegd staat vermeld: “Intrum €0 openstaand € 800,03 te verdelen ontstaan tijdens huwelijk”. Niet alleen de naam van het deurwaarderskantoor is dus anders, maar ook het bedrag vermeld in het overzicht van [de vrouw] is anders en aanzienlijk lager dan het thans door [de vrouw] genoemde bedrag van € 2.322,48. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat de schuld aan CCV Group B.V niet dezelfde is als de schuld aan Intrum zoals opgenomen in het overzicht van [de vrouw] en genoemd in de vaststellingsovereenkomst. Het is dus een nieuwe schuld die volgens artikel 11 van Pro de vaststellingsovereenkomst niet in de afrekening mag worden betrokken. De rechtbank zal deze schuld daarom niet in de verdeling van het depot betrekken.
Dierenarts Bernisse
5.59.
Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat [de man] via het depot € 50,- aan [de vrouw] moet betalen omdat [de vrouw] € 100,- aan de dierenarts heeft betaald. Het restant van de rekening van de dierenarts, € 355,-, staat nog open en moet betaald worden uit het depot, zodat beide partijen hier de helft van dragen. Ook daarover zijn partijen het er zitting eens geworden. De rechtbank zal dit verwerken in de verdeling van het depot.
Van Gemert Belastingadvies
5.60.
[de vrouw] stelt dat zij € 350,- heeft betaald aan Belastingadvieskantoor Van Gemert en vordert de helft van dat bedrag van [de man] . Zij overlegt een bankafschrift waaruit blijkt van een betaling van € 350,- aan Belastingadvieskantoor Van Gemert op 6 december 2022. [de man] stelt dat sprake is van een nieuwe schuld die niet in de afrekening betrokken mag worden.
5.61.
In het overzicht van [de vrouw] bij de conclusie van antwoord staat (evenals in het latere, bijgewerkte overzicht) een schuld aan Van Gemert vermeld met als omschrijving: “ Van Gemert €242,00 voldaan openstaand 532,40 ontstaan tijdens huwelijk”. De schuld aan Van Gemert als bedoeld in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is dus een schuld van oorspronkelijk groot € 774,40 waarvan [de vrouw] € 242,- heeft voldaan. De schuld die [de vrouw] thans opvoert bedroeg oorspronkelijk kennelijk € 350,- en is kennelijk ook geheel voldaan. [de vrouw] stelt immers niet dat sprake is van een restschuld die door partijen 50/50 gedragen moet worden. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat de schuld aan Van Gemert die [de vrouw] thans opvoert niet dezelfde is als de schuld aan Van Gemert zoals opgenomen in het (bijgewerkte) overzicht van [de vrouw] en genoemd in de vaststellingsovereenkomst. Het is dus een nieuwe schuld die volgens artikel 11 van Pro de vaststellingsovereenkomst niet in de afrekening mag worden betrokken. De rechtbank zal deze regresvordering van [de vrouw] daarom niet in de verdeling van het depot betrekken.
Spaarrekening [dochter van de vrouw]
5.62.
[de vrouw] stelt dat tussen 2018 en 2022 in totaal een bedrag van € 5.235,- van de spaarrekening van dochter [dochter van de vrouw] is gehaald om schulden voor gas, water en licht en schulden in verband met de auto te betalen. Zij vindt dat dat bedrag moet worden terugbetaald aan [dochter van de vrouw] en vordert daarom de helft van dat bedrag van [de man] . [de man] voert aan dat uit niets blijkt dat het geld gebruikt is voor gas, water en licht en dergelijke. Hij wijst erop dat uit het door [de vrouw] overgelegde overzicht slechts blijkt dat geld is overgeboekt van de spaarrekening van [dochter van de vrouw] naar de betaalrekening van [de vrouw] . Ook wijst hij erop dat in het overzicht overboekingen staan met als omschrijving “laptop school”, “telefoon iPhone 11 lening” en “kleding”. [de man] meent dat hij daarom op grond van de vaststellingsovereenkomst niet gehouden is te delen in deze schuld aan [dochter van de vrouw] .
5.63.
In artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [de man] voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan [dochter van de vrouw] in verband met geld dat van haar spaarrekening is gehaald om schulden voor gas, water en licht en schulden in verband met de auto te betalen. Uit het door [de vrouw] overgelegde overzicht blijkt niet dat het geld dat van de spaarrekening van [dochter van de vrouw] is gehaald, is gebruikt om dergelijke schulden te betalen. Integendeel, uit het overzicht blijkt dat diverse overboekingen een ander doel hadden, zoals de aankoop van een laptop, een iPhone of kleding. [de vrouw] stelt daar tegenover dat zij zich niet kan voorstellen dat [de man] vindt dat [dochter van de vrouw] haar eigen laptop en iPhone moet betalen. [de man] handhaaft echter zijn verweer. De rechtbank kan daarom niet anders dan concluderen dat de vaststellingsovereenkomst geen grond biedt voor deze regresvordering van [de vrouw] . Die vordering zal daarom worden afgewezen.
Salaris [dochter van de vrouw]
5.64.
[de vrouw] stelt dat partijen een schuld hebben aan [dochter van de vrouw] wegens achterstallig salaris ten bedrage van € 2.131,85. Zij overlegt ter onderbouwing een verklaring van [dochter van de vrouw] waarin dat bedrag staat vermeld. [de man] betwist het bedrag. Hij stelt dat met [dochter van de vrouw] een bedrag van € 1.000,- is afgesproken en is bereid de helft daarvan te betalen.
5.65.
Volgens de vaststellingsovereenkomst moet [de vrouw] het bestaan van de schuld aan [dochter van de vrouw] aantonen. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Uit niets blijkt immers welk uurtarief met [dochter van de vrouw] is afgesproken en hoeveel uur zij heeft gewerkt. Nu [de man] erkent dat [dochter van de vrouw] recht heeft op een bedrag van € 1.000,-, zal de rechtbank de vordering van [de vrouw] tot een bedrag van € 500,- toewijzen.
Budget Energie en Evides
5.66.
[de vrouw] stelt dat schulden van € 536,80 aan Budget Energie en € 134,74 aan Evides openstaan, en wil dat deze schulden door partijen 50/50 wordt gedragen. Deze beide schulden zijn door [de vrouw] niet aan de orde gesteld tijdens de zitting van 28 april 2026 waarop alle vorderingen over en weer zijn besproken, en staan ook niet vermeld in artikel 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank gaat er daarom van uit dat op dit punt geen beslissing (meer) wordt verwacht.
Vorderingen van [de man] genoemd in de brief van mr. Jansen van 4 november 2025
Taxatiekosten woning en kosten verkoopklaarmaken woning
5.67.
[de man] stelt dat hij € 595,- heeft betaald voor een taxatie van de woning en € 444,39 heeft besteed aan het verkoopklaarmaken van de woning. Hij vordert de helft van die bedragen, dus € 519,70 van [de vrouw] . Deze vordering is door [de vrouw] niet betwist zodat de rechtbank deze zal betrekken in de verdeling van het depot.
Famed
5.68.
[de man] stelt dat hij € 1.247,64 heeft betaald aan Famed, en wil dat [de vrouw] de helft van dat bedrag aan hem betaalt. Daarnaast stelt [de man] dat nog € 1.031,68 openstaat van de schuld aan Famed. Volgens [de man] moet dat bedrag door partijen ieder voor de helft gedragen worden. [de vrouw] voert aan dat dit nieuwe vorderingen zijn van [de man] , die niet in de afrekening betrokken moeten worden.
5.69.
Deze vorderingen van [de man] zijn niet opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. Het zijn dus nieuwe vorderingen als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Om die reden zal de rechtbank deze vorderingen niet betrekken in de verdeling van het depot.
ING achterstand bij verkoop woning
5.70.
[de man] stelt dat uit de verkoopopbrengst van de woning onder meer een betalingsachterstand van € 1.689,59 jegens de hypotheekbank (ING) is voldaan, en wil dat [de vrouw] dat bedrag aan hem vergoedt. Volgens [de man] is tussen partijen afgesproken dat [de vrouw] alle woonlasten na 14 juli 2022 zou dragen. Dit wordt door [de vrouw] betwist.
5.71.
In de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat een achterstand in de betaling van de woonlasten uit de verkoopopbrengst van de woning zal worden betaald. Dat de betalingsachterstand jegens ING uit de verkoopopbrengst is betaald, is dus in overeenstemming met hetgeen tussen partijen is afgesproken. Tussen partijen is niet afgesproken dat [de man] een regresvordering heeft op [de vrouw] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen bedoeld hebben een eventuele achterstand in de betaling van de woonlasten ieder voor de helft te dragen. Bovendien, als [de man] al een regresvordering heeft, dan is dat een nieuwe vordering als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst, zodat die vordering niet in de afrekening mag worden betrokken. De rechtbank zal deze vordering van [de man] daarom niet in de verdeling van het depot betrekken.
Volmacht notaris
5.72.
[de man] vordert € 121,- van [de vrouw] . Dit is het bedrag dat de notaris bij de levering van de woning in rekening heeft gebracht omdat [de vrouw] niet in persoon bij de levering aanwezig wilde zijn. [de vrouw] erkent dat zij dit bedrag aan [de man] moet vergoeden. De rechtbank zal dit bedrag daarom in de verdeling van het depot betrekken.
Kosten mr. Jansen
5.73.
[de man] stelt dat zijn advocaat, mr. Jansen, veel tijd kwijt is geweest aan de afwikkeling van de schulden aan MijnDomein, Heineken, Vodafone, de gemeente Rotterdam en andere schuldeisers, terwijl het eigenlijk op de weg van partijen gezamenlijk had gelegen om dat te doen. Volgens [de man] bedragen de hiermee gemoeide kosten van zijn advocaat € 4.000,-. [de man] wil dat [de vrouw] de helft van dit bedrag betaalt. [de vrouw] vindt dat [de man] deze kosten moet dragen omdat het een familierechtelijke zaak betreft en ieder dan de eigen advocaatkosten draagt.
5.74.
De rechtbank is van oordeel dat [de vrouw] de helft van deze kosten moet dragen. Het staat immers - als onbetwist - vast dat mr. Jansen deze werkzaamheden heeft verricht en dat deze werkzaamheden door partijen gezamenlijk hadden moeten worden verricht. [de man] heeft dus mede als zaakwaarnemer van [de vrouw] gehandeld door de genoemde schulden op zijn kosten te laten afwikkelen door mr. Jansen. Van procesvertegenwoordiging in een familierechtelijke aangelegenheid is geen sprake. [de vrouw] moet daarom de schade die [de man] als gevolg van de zaakwaarneming heeft geleden, aan [de man] vergoeden. Als onbetwist staat dat de met de genoemde werkzaamheden van mr. Jansen gemoeide kosten € 4.000,- bedragen. De schade van [de man] is dus € 2.000,-. Dat bedrag moet [de vrouw] aan [de man] vergoeden. De rechtbank zal dit in de verdeling van het depot betrekken.
Achterstand CZ
5.75.
[de man] vordert € 275,- van [de vrouw] wegens door hem betaalde aflossingen van totaal
€ 550,- op een schuld aan CZ. [de vrouw] voert aan dat dit een nieuwe vordering is van [de man] , die niet in de afrekening betrokken moeten worden.
5.76.
Deze vordering van [de man] is niet opgenomen in de vaststellingsovereenkomst. Het is dus een nieuwe vordering als bedoeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Om die reden zal de rechtbank deze vordering niet betrekken in de verdeling van het depot.
Recapitulatie
5.77.
Uit het voorgaande volgt dat de navolgende schulden (plus rente en kosten) ten laste van het depot moeten worden betaald:
Te betalen uit depot
Vattenfall
450
Marco warmte
419,07
belastingdienst
8.057
dierenarts
355
5.78.
Uit het voorgaande volgt voorts dat partijen over en weer de volgende vorderingen op elkaar hebben:
[de man] te vorderen van [de vrouw]
te vorderen van [de man]
Tonit
2.336,72
SVHW
375
Aksa media
738,79
Vattenfall
Ministry of beauty
346,23
Marco warmte
37,82
zwembadpomp
59,25
Hallostroom
110
Vaste lasten
2.165,71
belastingdienst
3.426,50
dierenarts
50
Salaris [dochter van de vrouw]
500
Taxatie en verkoopklaar maken
519,70
volmacht
121
Kosten mr Jansen
2
Totaal
2.640,70
10.146,02
5.79.
Per saldo heeft [de vrouw] dus op grond van het bovenstaande een vordering van € 10.146,02 -/- € 2.640,70 =) € 7.505,32 op [de man] . Daarnaast zijn partijen het erover eens dat [de vrouw] nog € 4.000,- krijgt van [de man] in verband met de spaarpolis (artikel 1(einde) van de vaststellingsovereenkomst) en dat [de man] nog € 2.500,- krijgt van [de vrouw] in verband met de inboedel (artike5 van de vaststellingsovereenkomst). Na verrekening heeft [de vrouw] dus een bedrag van (€ 7.505,32 + € 4.000,- -/- € 1.500,- =) € 9.005,32 van [de man] te vorderen. Dit bedrag moet ten laste van het aandeel van [de man] in het depot aan [de vrouw] betaald worden.
5.80.
Het voorgaande leidt tot de navolgende verdeling van het depot: uit het depot moeten allereerst de schuld aan Vattenfall bedoeld in 5.27, de schuld aan Marco Warmte bedoeld in 5.32, de schulden aan de belastingdienst bedoeld in 5.55 en de schuld aan de dierenarts bedoeld in 5.59 worden betaald, in alle gevallen inclusief rente en kosten tot aan de datum van betaling. Vervolgens moet van het resterende bedrag in depot de helft plus € 9.005,32 aan [de vrouw] worden betaald. Het restant moet aan [de man] worden betaald.
Proceskosten
5.81.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
gelast de navolgende wijze van verdeling van het depot:
Uit het depot moeten betaald worden de schuld aan Vattenfall bedoeld in 5.27, de schuld aan Marco Warmte bedoeld in 5.32, de schulden aan de belastingdienst bedoeld in 5.55 en de schuld aan de dierenarts bedoeld in 5.59, in alle gevallen inclusief rente en kosten tot aan de datum van betaling. Van het daarna resterende bedrag van het depot moet aan [de vrouw] de helft plus € 9.005,32 worden betaald. Het restant moet aan [de man] worden betaald.
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
3246/3310