ECLI:NL:RBROT:2026:8712

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/706732/HA ZA 25-806
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BWArt. 3:185 BWArt. 3:186 BWArt. 3:300 BWArt. 1:100 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschap van goederen na ontbinding geregistreerd partnerschap

De man en vrouw zijn ex-geregistreerd partners zonder voorwaarden, met een ontbonden wettelijke gemeenschap van goederen. Na een eerdere uitsluiting van verdeling voor drie jaar, beslist de rechtbank dat de gemeenschap alsnog moet worden verdeeld.

Partijen bereikten overeenstemming over verkoop van de woning, die per 1 oktober 2026 in de verkoop gaat en niet eerder dan 1 februari 2027 wordt geleverd. De rechtbank legt een gedetailleerd spoorboekje op voor de verkoop en verdeling, waarbij de hypotheekschuld, bankspaarrekening, schulden aan DEFAM en gemeente, en overige vermogensbestanddelen worden betrokken.

De rechtbank bepaalt dat de vrouw uit haar deel van de netto-verkoopopbrengst aan de man bedragen moet betalen voor door hem betaalde inleg en rente op de bankspaarrekening en aflossingen aan DEFAM, verminderd met belastingvoordeel. Verder worden de verdeling van de Mercedes, aandelen in een vennootschap en banksaldi vastgesteld. Proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank gelast de verdeling van de gemeenschap van goederen, legt de wijze van verkoop van de woning en verdeling van vermogensbestanddelen vast en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/706732 / HA ZA 25-806
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers,
tegen
[de vrouw],
domicilie kiezende te [plaats 1]
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K.M. van Wijngaarden.

1.De zaak in het kort

1.1.
De man en de vrouw zijn ex-geregistreerd partners, zonder partnerschapsvoorwaarden. In een beschikking van 14 september 2022 heeft de rechtbank Den Haag de vordering tot verdeling van de gemeenschap voor een periode van drie jaar uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW Pro). De rechtbank beslist in deze procedure dat de gemeenschap alsnog moet worden verdeeld en bepaalt hoe dat moet gebeuren.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 september 2025, met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord, met productie 1;
  • de brieven van de rechtbank van 13 november 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 31 maart 2026,
  • het e-mailbericht van de rechtbank van 26 februari 2026, met daarin een zittingsagenda;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 11 tot en met 22;
  • de akte houdende overlegging productie van de vrouw, met productie 2;
  • de akte houdende overlegging productie van de man, met productie 23;
  • de mondelinge behandeling van 31 maart 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 12 juni 2009 in Maassluis een geregistreerd partnerschap aangegaan. Partijen zijn geen partnerschapsvoorwaarden overeengekomen, voorafgaande of tijdens hun geregistreerd partnerschap. Partijen hebben twee kinderen, van wie er één nog minderjarig is. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.2.
Partijen hebben in 2011 samen een woning in [plaats 2] gekocht (hierna: de woning). De woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening van BLG Wonen (nu ASN Bank) ter hoogte van € 375.000,-.. Deze hypothecaire geldlening bestaat uit een bankspaarhypotheek (€ 80.000,-) met een rentepercentage van 4,7% en een aflossingsvrije hypotheek (€ 295.000,-) met een rentepercentage van 4,5%. De maandelijkse lasten bestaan uit een rente-component en een inleg op de bankspaarrekening die is gekoppeld aan de bankspaarhypotheek.
3.3.
Partijen hebben tijdens hun geregistreerd partnerschap geld geleend bij DEFAM. DEFAM heeft in januari 2020 ten laste van partijen (executoriaal) beslag gelegd op de woning.
3.4.
De man heeft op zijn naam een bankrekening bij de Rabobank (eindigend op [nummer 1] ) en bij ABN Amro (eindigend op [nummer 2] ). De vrouw heeft een bankrekening bij ABN Amro (eindigend op [nummer 3] ).
3.5.
De man en de vrouw hebben tijdens hun geregistreerd partnerschap een Mercedes personenauto en inboedel gekocht.
3.6.
Bij beschikking van 14 september 2022 heeft de rechtbank Den Haag – op het ingekomen verzoek van 15 juli 2021 van de vrouw – het geregistreerd partnerschap ontbonden. In deze beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de man de vordering tot verdeling van de gemeenschap van partijen, op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW Pro, voor de duur van drie jaar uitgesloten. De beschikking is op 16 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.7.
De man is na verbreking van de relatie in de woning blijven wonen, met de twee kinderen. De vrouw woont elders.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De man vordert bij dagvaarding dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vordering tot verdeling van de gemeenschap van goederen nogmaals voor een periode van drie jaar uitstelt, kosten rechtens.
4.2.
De vrouw voert verweer in conventie en concludeert tot afwijzing van de vordering van de man, kosten rechtens.
in reconventie
4.3.
De vrouw vordert in reconventie om de (wijze van) verdeling van de wettelijke gemeenschap vast te stellen, waaronder – hierna samengevat – :
  • een veroordeling dat de man moet meewerken aan de verkoop en levering van de woning;
  • dat het vonnis in de plaats treedt van vereiste medewerking van de man ingeval hij zijn medewerking weigert aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar of aan de notariële levering van de woning;
  • een en ander kosten rechtens.
4.4.
De man voert verweer in reconventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans tot afwijzing.

5.De beoordeling

Inleidende overwegingen
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
5.2.
Er zijn geen bevoegdheidsverweren gevoerd en partijen zijn ervan uitgegaan dat het partnerschapsvermogen wordt beheerst door Nederlands recht. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen.
5.3.
Nu partijen vóór 1 januari 2018 een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, zonder partnerschapsvoorwaarden, is er sprake van een (inmiddels ontbonden maar nog niet verdeelde) wettelijke gemeenschap van goederen tussen partijen. De peildatum voor de samenstelling en omvang van die gemeenschap is 15 juli 2021.
5.4.
De man en de vrouw hebben ter zitting over een groot aantal vermogensbestanddelen, onder andere over de woning, overeenstemming over de (wijze van) verdeling bereikt. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de man, gezien die bereikte overeenstemming, zijn vordering om de vordering tot verdeling van de gemeenschap nogmaals voor de duur van drie jaar uit te sluiten, heeft ingetrokken. Die vordering ligt dus niet meer ter beoordeling voor.
5.5.
In artikel 3:185 BW Pro is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
De bezittingen
-
de woning
5.6.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de woning wordt verkocht aan een derde. Zij zijn daarbij overeengekomen dat de woning per 1 oktober 2026 in de verkoop wordt gezet en dat de woning niet eerder dan 1 februari 2027 wordt geleverd aan de koper. Over de verdere wijze van verdeling is ter zitting geen overeenstemming bereikt.
5.7.
Met inachtneming van de bereikte overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank de wijze van verdeling van de woning gelasten en legt zij een zogenoemd spoorboekje op met daarin de wijze waarop de woning moet worden verdeeld. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg andere afspraken daarover te maken. Echter, als zij het niet eens zijn over een afwijkende wijze van verdeling, geldt de wijze van verdeling zoals door de rechtbank is vastgesteld
5.8.
Dit vonnis zal, zoals de vrouw in reconventie heeft gevorderd en waarop de man niet heeft gereageerd, in de plaats treden van de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de man, wanneer hij niet of niet tijdig zijn medewerking verleent aan de verkoopopdracht aan de makelaar, de verkoop en/of de levering (artikel 3:300 BW Pro).
5.9.
Gezien het feit dat partijen de woning in 2011 hebben gekocht, gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van een aanzienlijke overwaarde, waarmee bij verkoop de schulden van de gemeenschap kunnen worden voldaan en daarna ook nog een bedrag resteert waarmee de vrouw aan de man bepaalde bedragen kan voldoen (zie hierna).
-
de aan de hypotheekschuld gekoppelde bankspaarrekening
5.10.
Aan de bankspaarhypotheek bij BLG Wonen is een bankspaarrekening gekoppeld. Niet is in geschil dat het saldo van die bankspaarrekening op de peildatum in de gemeenschap valt. Partijen hebben op zitting berekend dat het saldo op de peildatum, 15 juli 2021, € 21.784,- bedroeg. Het saldo op deze bankspaarrekening per 31 december 2025 bedraagt € 32.622,19,- en is sindsdien uiteraard verder opgelopen.
5.11.
Partijen twisten – voor het eerst op zitting – over de vraag aan wie het saldo toebehoort dat sinds de peildatum is bijgeschreven op de bankspaarrekening (hierna: de aangroei).
5.12.
De man stelt dat die aangroei volledig aan hem toebehoort, omdat hij sinds de peildatum steeds de maandelijkse inleg is blijven voldoen en de vrouw niet meer heeft meebetaald. Hij stelt dat de vrouw hem ten tijde van de notariële levering van de woning de helft van die aangroei moet betalen.
5.13.
De vrouw stelt op haar beurt dat de aangroei sinds de peildatum is ontstaan (i) door de inleg van de man vanaf die datum en de ontvangen rente over die inleg én (ii) door een oprenting over het tot 15 juli 2021 door partijen opgebouwde kapitaal. Zij stelt dat het bedrag onder (i) aan de man toekomt, maar dat het bedrag onder (ii) tussen partijen gelijkelijk moet worden gedeeld.
5.14.
De rechtbank is van oordeel dat het bedrag genoemd onder (ii) gelijkelijk tussen partijen moet worden gedeeld omdat de vrouw aan de vermogensopbouw tot 15 juli 2021 heeft bijdragen. Al hoewel geen van partijen een overzicht heeft overgelegd waaruit volgt wat het bedrag hiervoor genoemd onder (i) is en wat het bedrag genoemd onder (ii) is, geeft de rechtbank aan partijen mee dat het bedrag genoemd onder (ii) kan worden berekend door de rente van de bankspaarhypotheek (4,7% samengestelde rente) toe te passen op het tot 15 juli 2021 opgebouwde bankspaartegoed (€ 21.784,-), over de periode van 15 juli 2021 tot de datum van de verdeling (= de levering van de woning). Door op die manier het bedrag onder (ii) te berekenen, kan daaruit worden afgeleid worden wat het bedrag genoemd onder (i) is. Het bedrag onder (i) is dan immers het spaartegoed op het moment van verdeling, waarop in mindering wordt gebracht het bedrag onder (ii).
5.15.
Het voorgaande betekent het volgende. De rechtbank gaat ervan uit dat de bank – bij verkoop van de woning – het (eind)saldo van de bankspaarrekening op het moment van de levering van de woning in mindering brengt op de hypotheekschuld en vervolgens het restant van de hypotheekschuld verhaalt op de verkoopopbrengst. De netto-verkoopopbrengst is in dat geval: de verkoopprijs plus voornoemd saldo van de bankspaarrekening minus de hypotheekschuld en minus eventuele verkoopkosten (zoals de kosten van de makelaar). Hiervan krijgen partijen ieder de helft, met dien verstande dat de vrouw via de notaris uit haar helft van de netto-verkoopopbrengst de helft van de in de periode vanaf 15 juli 2021 door de man betaalde inleg op de bankspaarrekening met rente, dus het bedrag onder (i) genoemd in 5.14, aan de man moet betalen. Partijen moeten zelf die berekening maken.
5.16.
De rechtbank zal aldus beslissen.
-
de inboedel
5.17.
Niet is in geschil dat de inboedel, zoals opgenomen in een door de vrouw verstrekt overzicht, in de gemeenschap valt. Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de verdeling van deze inboedel. Nu partijen over de verdeling van deze inboedel geen enkel geschil meer hebben, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover een beslissing te nemen (artikel 3:185 BW Pro).
-
de Mercedes personenauto
5.18.
Niet is in geschil dat in de gemeenschap ook de Mercedes personenauto valt. Evenmin is in geschil dat de man die auto inmiddels heeft verkocht. Partijen zijn het erover eens dat (de verkoopopbrengst van) de auto aan de man moet worden toegedeeld, maar verschillen van mening over de waarde van de auto. Op zitting zijn zij overeengekomen dat de waarde van die Mercedes op € 3.350,- moet worden gesteld. Dat betekent dat de vrouw een vordering uit hoofde van overbedeling op de man heeft van € 1.675,- . De rechtbank zal aldus beslissen.
-
de banksaldi
5.19.
Niet is in geschil dat in de gemeenschap ook de banksaldi (met andere woorden, de vorderingsrechten op de bank) op de peildatum van de verschillende bankrekeningen van partijen vallen (zie 3.4). 5.20. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de ABN Amro-rekening van de vrouw op de peildatum € 115,- bedraagt en dat dit saldo tussen partijen moet worden verdeeld. Partijen zijn het er ook over eens dat de saldi van de bankrekeningen van de man op de peildatum moeten worden verdeeld, maar twisten over de hoogte van die saldi.
5.21.
De rechtbank zal de verdeling van de banksaldi vaststellen, althans de wijze van verdeling gelasten. Zij bepaalt in dit verband tevens dat de man aan de vrouw binnen een termijn van acht weken na dit vonnis informatie moet verstrekken waaruit blijkt wat op de peildatum de hoogte was van de banksaldi van zijn bankrekeningen. De man heeft immers in dit verband slechts delen van de bankafschriften van beide bankrekeningen over de maand juli 2021 overgelegd, maar daaruit volgt wat het banksaldo op 31 juli 2021 was, en niet op 15 juli 2021. Die informatie ontbreekt dus nog en is wel relevant, nu op de wel overgelegde bankafschriften is te zien dat in de maand juli 2021 substantiële bedragen zijn afgeschreven en het banksaldo op 15 juli 2021 dus wellicht hoger was dan het banksaldo op 31 juli 2021.
5.22.
Tot slot, niet is komen vast te staan dat de vrouw, naast haar bankrekening bij de ABN Amro, nog een bankrekening bij een Russische bank heeft, zoals de man heeft aangevoerd, maar de vrouw heeft betwist. De man heeft op dit punt niet voldaan aan de stelplicht die op hem rust, nu hij zich op de rechtgevolgen hiervan beroept (artikel 150 Rv Pro). De man had deze stelling, gezien de betwisting door de vrouw, nader moeten onderbouwen, wat hij niet heeft gedaan. Hij heeft in dit verband alleen een bankrekeningnummer genoemd, maar geen nadere informatie overgelegd. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij ook niet over verdere informatie beschikt.
-
de aandelen van de man in [bedrijf 1] B.V.
5.23.
De vrouw heeft op zitting – voor het eerst – gesteld dat de man aandelen in [bedrijf 1] B.V. houdt, dat die aandelen moeten worden toegedeeld aan de man en dat in dat kader de waarde van die aandelen moet worden bepaald. De man heeft daarop aangevoerd dat hij inderdaad aandelen houdt in deze vennootschap, maar dat de waarde van die aandelen nihil is. [bedrijf 1] B.V. is al jaren een “slapende” vennootschap en heeft geen activa. [bedrijf 2] B.V. waarvan [bedrijf 1] B.V. nog steeds als bestuurder staat vermeld, is niet meer actief, aldus de man.
5.24.
De rechtbank zal de aandelen in [bedrijf 1] B.V. toedelen aan de man. De rechtbank merkt nog op dat uit artikel 3:186 BW Pro volgt dat de man voor (notariële) levering van die aandelen aan hem moet zorgdragen en dat de vrouw daaraan moet meewerken. Verder is niet komen vast te staan dat die aandelen enige waarde hebben. De vrouw suggereert van wel, maar heeft dit, gezien de betwisting door de man, op geen enkele wijze onderbouwd. Dat had wel van haar mogen worden verwacht, te meer nu een zelfde discussie tussen partijen eerder ook aan de orde is geweest in een alimentatieprocedure bij de rechtbank Den Haag en de rechtbank toen het standpunt van de man heeft gevolgd.
-
geen Rolex horloge en geen Bijenkorfdozen
5.25.
De man heeft verder gesteld dat in de gemeenschap ook een Rolex horloge met een waarde van € 11.100,- valt en diverse dozen met spullen van de Bijenkort. Hij heeft in dit verband een foto overgelegd waarop te zien is dat een op een Rolex gelijkend horloge in een tas ligt. Hij stelt dat die foto is genomen vóór het vertrek van de vrouw uit de woning en dat zij dat horloge had gekocht. Hij heeft verder foto’s overgelegd waarop is te zien dat dozen met labels van de Bijenkorf in de woonkamer van de woning van partijen staan. Volgens de man heeft de vrouw die spullen vóór haar vertrek gekocht. Hij stelt dat deze goederen in de verdeling moeten worden betrokken en dat hij een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van de waarde van die goederen.
5.26.
De vrouw betwist dat zij op de peildatum een Rolex horloge had, zij had daarvoor helemaal niet de financiële middelen. Verder voert zij aan dat de goederen in de Bijenkorfdozen niet van haar zijn.
5.27.
Niet is komen vast te staan dat de vrouw op de peildatum een Rolex horloge bezat. De man had zijn stelling, gezien de betwisting door de vrouw, nader moeten onderbouwen, wat hij niet heeft gedaan. De door hem overgelegde foto van alleen een tas waarin een op een Rolex gelijkend horloge ligt, is in dit verband onvoldoende. De man heeft niet toegelicht wanneer, met welke middelen, voor welke gelegenheid en bij welke winkel de vrouw het horloge zou hebben gekocht, hij heeft geen bon van de aankoop van het horloge overgelegd, en geen foto’s waarop te zien is dat de vrouw het horloge draagt. De man heeft dus op dit punt niet voldaan aan de stelplicht die op hem rust (artikel 150 Rv Pro).
5.28.
Voor de Bijenkorfdozen geldt dat de rechtbank geen dozen met onbekende inhoud kan verdelen, en ook geen wijze van verdeling daarvan kan vaststellen. Als de man verdeling wenst van de inhoud van de dozen, dan moet hij stellen en, zo nodig, bewijzen wat er in die dozen zit. Dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank komt daarom aan verdeling van de inhoud van de dozen niet toe.
De schulden
-
de schuld aan [gemeente]
5.29.
Partijen zijn het erover eens dat zij een schuld aan [gemeente] hebben en dat die schuld in de gemeenschap valt. Partijen weten niet exact wat de hoogte is van die schuld. Niet is in geschil dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld (artikel 1:100 lid 1 BW Pro). De gemeente heeft vanwege die schuld in 2021 executoriaal beslag gelegd ten laste van partijen op de woning, voor een bedrag van ongeveer € 2.700,-.
5.30.
Beide partijen zijn het erover eens dat deze schuld uit de netto-verkoopopbrengst van de woning in één keer door partijen zal worden afgelost. De rechtbank zal aldus beslissen.
-
de schuld aan DEFAM
5.31.
Partijen zijn het erover eens dat de schuld aan DEFAM ook in de gemeenschap valt. Ook is niet in geschil dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld. Beide partijen zijn het erover eens dat deze schuld uit de netto-verkoopopbrengst van de woning door partijen in één keer zal worden afgelost.
5.32.
De man stelt verder dat hij sinds 15 juli 2021, de peildatum, maandelijks – in het kader van een betalingsregeling met DEFAM – een bedrag van € 250,- heeft betaald, bestaande uit rente en aflossing. In totaal heeft hij tot 1 maart 2026 een bedrag van € 13.750,- betaald. De vrouw heeft sinds 15 juli 2021 niets meer betaald aan DEFAM. De man stelt dat het door hem sinds 15 juli 2021 betaalde bedrag tussen partijen moet worden verrekend bij verkoop van de woning. De rechtbank begrijpt zijn standpunt aldus dat hij meent dat de vrouw hem uit haar deel van de netto-verkoopopbrengst van de woning de helft van het door hem sinds 15 juli 2021 tot aan de levering van de woning aan DEFAM betaalde bedrag moet voldoen.
5.33.
De vrouw betwist dit op zich niet, maar voert wel aan dat het door de man verkregen belastingvoordeel moet worden meegenomen en in mindering moet worden gebracht op dat wat de vrouw aan de man is verschuldigd. Hij heeft immers in zijn aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2021 tot en met heden rente-aftrek voor deze Box 1-schuld genoten en dit heeft hem belastingvoordeel opgeleverd, omdat hij de betaalde rente mocht aftrekken van zijn belastbare inkomen.
5.34.
Ter zitting is gebleken dat de man inderdaad de door hem aan DEFAM sinds 15 juli 2021 betaalde rente heeft afgetrokken van zijn belastbare inkomen en dat die aftrek door de Belastingdienst is gehonoreerd. De man betwist niet dat dit belastingvoordeel moet worden meegenomen in de berekening van het bedrag dat de vrouw aan de man is verschuldigd. De rechtbank volgt partijen hierin. Dit betekent dat de vrouw aan de man moet betalen de helft van het bedrag dat hij sinds 15 juli 2021 tot aan de dag van de algehele aflossing van deze schuld aan DEFAM heeft betaald uit hoofde van rente en aflossing, verminderd met het door hem genoten belastingvoordeel over die aftrekpost.
5.35.
De rechtbank beschikt evenwel niet over de gegevens om deze berekening te maken en kan dus geen concreet bedrag noemen in het dictum wat de vrouw aan de man is verschuldigd. Zij beperkt zich dus tot hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Partijen zullen zelf die berekening moeten maken.
-
de schuld aan Netpoint Factoring
5.36.
De vrouw stelt dat ook in de gemeenschap valt een schuld aan Netpoint Factoring ter hoogte van € 907,-, welke schuld ziet op een orthodontiebehandeling van [persoon A] , een van de zonen van partijen. Zij stelt dat de netto-verkoopopbrengst van de woning moet worden aangewend ter betaling van deze schuld. De factuur van de orthodontist en de brief waaruit blijkt dat die factuur is verpand of overgedragen aan Netpoint heeft zij niet overgelegd.
5.37.
De man betwist het bestaan van deze schuld, omdat de vrouw de factuur zelf niet heeft overgelegd. Hij betwist op zich niet dat – als blijkt dat die schuld op de peildatum bestond – hij voor de helft draagplichtig is voor deze schuld en dat die schuld bij verkoop van de woning ook in één keer door partijen moet worden afgelost.
5.38.
De rechtbank bepaalt dat ook deze schuld in één keer uit de netto-verkoopopbrengst van de woning moet worden voldaan, onder de voorwaarde dat de vrouw schriftelijk bewijs aan de man verstrekt dat deze schuld op de peildatum bestond. Dat kan bijvoorbeeld door de factuur van de orthodontist aan de man te laten zien, waaruit volgt wat het bedrag van de schuld op de peildatum is.
Overige
5.39.
De man heeft gesteld dat hij een vordering op de vrouw heeft uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie. Hij stelt – op zitting – dat die vordering inmiddels € 4.417,11 bedraagt en nog oploopt. De vrouw betwist de vordering niet.
5.40.
Nu de man geen vordering op dit punt heeft geformuleerd, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling daarvan. Het ligt evenwel in de rede dat de vrouw ten tijde van de levering van de woning en de ontvangst van haar deel van de netto-verkoopopbrengst van de woning, de achterstallige kinderalimentatie (met in achtneming van de wettelijke indexering) aan de man betaalt.
De proceskosten
5.41.
Gelet op de relatie tussen partijen (ex-geregistreerd partners) zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt (artikel 237 lid 1 Rv Pro).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.42.
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de daartoe strekkende vordering van de vrouw op de wet is gegrond en er geen afzonderlijk verweer door de man tegen is gevoerd.

6.De beslissing

De rechtbank – in conventie en in reconventie –:
6.1.
gelast de volgende wijze van verdeling van de woning:
6.1.1.
bepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de datum van dit vonnis (tot 15 juli 2026) drie makelaars aandraagt, waarna de man twee weken (tot 29 juli 2026) de tijd krijgt om uit deze makelaars één makelaar aan te wijzen;
6.1.2.
partijen moeten samen binnen vier weken ná 29 juli 2026 een opdracht tot verkoop aan de in 6.1.1 genoemde makelaar geven om de woning uiterlijk op 1 oktober 2026 in de verkoop te zetten, waarbij geldt dat de woning niet eerder dan 1 februari 2027 aan de koper wordt geleverd;
6.1.3.
indien partijen over enige kwestie in verband met de verkoop van de woning (zoals de vraag- en de laatprijs of de overdrachtsdatum) geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zal het advies van de verkoopmakelaar bindend zijn en moet dat worden opgevolgd;
6.1.4.
de hypotheekschuld zal bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht worden afgelost uit het saldo van de bankspaarrekening op dat moment en voor het overige uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst (pas na aftrek van eventuele verkoopkosten en na aflossing van de schuld aan DEFAM en de schuld aan [gemeente] ) gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, met dien verstande dat de vrouw via de notaris uit haar helft van de netto-verkoopopbrengst aan de man moet betalen:
  • i) een bedrag gelijk aan de helft van de door hem betaalde inleg op de bankspaarrekening (en de ontvangen rente daarover) in de periode vanaf 15 juli 2021 (zie 5.15), en
  • ii) een bedrag gelijk aan de helft van het bedrag dat de man sinds 15 juli 2021 tot aan de dag van de algehele aflossing van deze schuld aan DEFAM heeft betaald uit hoofde van rente en aflossing, verminderd met het door hem genoten belastingvoordeel over die aftrekpost (zie 5.35);
6.1.5.
partijen zullen uit de netto-verkoopopbrengst ook de schuld aan Netpoint Factoring aflossen, onder de voorwaarde als genoemd in 5.39;
6.1.6.
dit vonnis zal in de plaats treden van de vereiste wilsverklaring, medewerking of handtekening van de man benodigd voor het verstrekken van de opdracht tot verkoop aan de makelaar en/of de ondertekening van zowel de koopovereenkomst als de leveringsakte van de woning indien de man niet of niet tijdig zijn medewerking verleent aan het in de verkoop zetten dan wel tekenen van de koopovereenkomst of de overdracht aan de koper;
6.2.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap ter zake van de Mercedes personenauto, de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en het banksaldo van de vrouw als volgt vast:
6.2.1.
aan de man wordt toegedeeld (i) de verkoopopbrengst van de Mercedes personenauto, tegen betaling aan de vrouw van € 1.675,-, en (ii) de aandelen in [bedrijf 1] B.V., zonder enige vergoeding daarover verschuldigd te zijn aan de vrouw;
6.2.2.
aan de vrouw wordt toegedeeld het banksaldo op haar ABN Amro bankrekening op de peildatum van 15 juli 2021 (€ 115,-), tegen betaling van de helft van voornoemd saldo aan de man;
6.3.
gelast de volgende wijze van verdeling van de banksaldi van de man:
  • i) de man dient aan de vrouw binnen acht weken na dit vonnis alle bankafschriften van zijn Rabobank bankrekening en zijn ABN Amro bankrekening over de maand juli 2021 te verstrekken, zodat daaruit kan worden vastgesteld wat de saldi waren op de peildatum, en
  • ii) de man dient de helft van die saldi aan de vrouw te betalen;
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.5.
verklaart 6.1, 6.2 en 6.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
2334/3310