ECLI:NL:RBROT:2026:8703

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/695052 FA RK 25-1505 en C/10/696371 FA RK 25-2155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap met betrekking tot Catshuisvergoeding

Partijen zijn gehuwd sinds 27 juli 2012 en hebben gezamenlijk een echtscheidingsprocedure gestart waarbij de man de echtscheiding verzoekt wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw betwist dit niet en verzoekt eveneens de echtscheiding uit te spreken.

De rechtbank verklaart de echtscheiding en bepaalt dat de vrouw huurster wordt van de echtelijke woning vanaf het moment van inschrijving van de beschikking in de registers. De man verzoekt daarnaast om de vrouw te verplichten tot het overleggen van stukken en tot betaling van de helft van de Catshuisvergoeding die de vrouw ontving in het kader van de toeslagenaffaire.

De rechtbank oordeelt dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden op de peildatum van 24 februari 2025, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. De Catshuisvergoeding van €30.000,- is vóór deze datum in de gemeenschap gevloeid. Het is echter niet mogelijk om losse bedragen die tijdens het huwelijk en vóór de peildatum in de gemeenschap zijn gevloeid afzonderlijk te verdelen zonder een verzoek tot verdeling van de gehele gemeenschap. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.

De verzoeken tot inzage in stukken en oplegging van een dwangsom worden eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van belang na afwijzing van het verdelingsverzoek. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve voor de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het verzoek tot verdeling van de Catshuisvergoeding af en bepaalt het huurrecht van de vrouw over de echtelijke woning.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/695052 / FA RK 25-1505 (echtscheiding) en
C/10/696371 / FA RK 25-2155 (verdeling)
Beschikking van 16 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J. Nieuwstraten te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.W. Prinsen te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 februari 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdend aanvullend verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 13 mei 2025;
  • het aanvullende verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 11 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 20 februari 2026 met bijlage;
  • het verweerschrift op het aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 mei 2026;
  • het bericht van de man van 5 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Spijkenisse op 27 juli 2012.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. Zij verzoekt zelfstandig de echtscheiding uit te spreken.
3.1.3.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Huurrecht woning
3.2.1.
De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning.
3.2.2.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.
3.3.
Verdeling
3.3.1.
De man verzoekt:
I. te bepalen dat de rechtbank op grond van artikel 843 Rv Pro de vrouw verplicht tot tijdig overleggen van de achter randnummer 2 genoemde stukken in deze procedure, zodat het verzoek van de man inhoudelijk kan worden behandeld in onderhavige procedure;
II. voor zover de vrouw de achter randnummer 2 genoemde stukken niet overlegt, verzoekt de man de rechtbank de vrouw daartoe op grond van artikel 843a RV te verplichten binnen een week na dat de beschikking in onderhavige procedure is geslagen door de rechtbank, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,00 per dag tot een maximum van € 15.000,00 dat de vrouw in gebreke blijft te voldoen aan de beschikking van de rechtbank;
III. te bepalen dat de vrouw de helft van de bedragen die zij in het kader van de toeslagenaffaire als compensatie heeft ontvangen aan de man dient te voldoen binnen een week nadat de beschikking in onderhavige zaak is geslagen door de rechtbank.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.
3.3.4.
Partijen kunnen in het kader van de echtscheiding de rechter verzoeken de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen, de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap te gelasten of verzoeken om partijen te verwijzen naar de notaris voor het verdelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
3.3.5.
De huwelijksgemeenschap van partijen is ontbonden op 24 februari 2025 toen de man het echtscheidingsverzoek indiende. Dat is de wettelijke peildatum voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgemeenschap. Daarvan kan niet worden afgeweken. Alle bestanddelen die er toen waren kunnen verdeeld worden, maar dat moeten partijen wel verzoeken.
3.3.6.
De vrouw verzoekt de rechtbank niet om - behoudens het huurrecht - iets te verdelen. De man stelt niet wat de bestanddelen van de gemeenschap zijn op de peildatum en verzoekt ook niet de gemeenschap te verdelen of de wijze van verdeling te gelasten of partijen naar de notaris te verwijzen voor de verdeling.
3.3.7.
De man vraagt wel - kort gezegd (en naast inzage in stukken, op straffe van een dwangsom) - de helft van de vergoedingen die de vrouw heeft gehad vanwege de toeslagenaffaire. De door de vrouw ontvangen vergoeding vanwege de toeslagenaffaire is, blijkens de stukken wisseling in deze procedure, uiteindelijk volgens beide partijen alleen de Catshuisvergoeding van € 30.000,- en niet daarnaast ook nog € 5.485,-.
3.3.8.
De Catshuisvergoeding is tijdens het huwelijk en vóór de wettelijke peildatum gestort op de beheerrekening van de bewindvoerder en is daarmee in de huwelijksgemeenschap gevloeid.
3.3.9.
De huwelijksgemeenschap blijft voortduren tot de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dat betekent dat de inkomsten en uitgaven vanuit de huwelijksgemeenschap door partijen gezamenlijk zijn ontvangen en betaald tot 24 februari 2025. Dit geldt ook voor het in 2022 ontvangen bedrag van € 30.000,-. Dit bedrag is in de gemeenschap gevloeid. Dat partijen feitelijk niet meer samenwoonden op de peildatum, doet daar niet aan af.
3.3.10.
Geen van partijen heeft verzocht de saldi op de bankrekeningen van partijen te verdelen. Het is niet mogelijk om in het kader van de echtscheidingsprocedure losse bedragen te verdelen die op enig moment tijdens het huwelijk en vóór de peildatum in de gemeenschap zijn gevloeid. De grondslag daarvoor ontbreekt. Van een nagekomen bate, zoals de man betoogt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat het bedrag (de bate) is ontvangen vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
3.3.11.
Gelet op deze beslissing en de onderlinge samenhang van de verzoeken, behoeven de verzoeken van de man over inzage in stukken en een dwangsom geen bespreking meer, omdat het belang daarvan in deze procedure bij afwijzing van het verdelingsverzoek, ontbreekt. Die verzoeken worden daarom afgewezen.
3.4.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.4.1.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst het verzoek toe, behalve voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 27 juli 2012 te Spijkenisse;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [straatnaam] te [postcode] [locatie] ;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 16 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.