ECLI:NL:RBROT:2026:8655

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612218:R-RK - NL:TZ:2612219:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratoriumverzoek en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoeker heeft op 13 mei 2026 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelde vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigt.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huur te voldoen, en de huur over mei en juni 2026 is voldaan. Er is een verzoek tot onderbewindstelling ingediend om de betalingen te waarborgen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en dat het schuldhulpverleningstraject zal worden voortgezet. Daarom weegt het belang van verzoeker zwaarder en wordt het moratorium voor zes maanden toegekend, met de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 25 juni 2026
[naam 1],
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 13 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2026. Op 2 juni 2026 is geen van de partijen verschenen. Daarnaar gevraagd deelde schuldhulpverlening mee de datum van de zitting verkeerd in de agenda te hebben gezet. De rechtbank heeft bij wijze van hoge uitzondering de zitting verplaatst, en wel naar 18 juni 2026. Mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Bazuin en Partners, gemachtigde van stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster), heeft bij e-mailbericht van 11 juni 2026 de rechtbank verzocht de zitting wederom te verplaatsen. Omdat bij de rechtbank onduidelijkheid bestond over het verzoek van verweerster, is telefonisch navraag gedaan. Verweerster heeft uiteindelijk meegedeeld aangegeven dat de zitting niet verplaatst hoefde te worden. Verweerster kon niet ter zitting verschijnen en zou schriftelijk verweer te voeren. Dit verweer is door de rechtbank niet ontvangen.
Ter zitting van 18 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [naam 3] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [naam 4] , werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: begeleiding).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit een PW-uitkering en ontvangt daarnaast huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 505,44 te voldoen. De huurtermijnen over de maanden mei en juni 2026 zijn voldaan. Verzoeker is zich ervan bewust dat de lopende huurtermijnen tijdig, dus voor de eerste van de maand dienen te worden voldaan. Er is een verzoek tot onderbewindstelling ingediend. De begeleiding heeft ter zitting verklaard goede contacten met de beoogd beschermingsbewindvoerder te onderhouden. Er heeft al een bespreking plaatsgevonden en de gegevens van de schuldeisers zijn aan de beschermingsbewindvoerder overgelegd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de beoogd beschermingsbewindvoerder de schuldeisers zal aanschrijven en inventariseren, waarna schuldhulpverlening het schuldsaneringstraject verder zal oppakken.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 23 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 1 april 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering en ontvangt daarnaast huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maanden mei en juni 2026 zijn, weliswaar te laat, voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard er van doordrongen te zijn dat hij de huur tijdig, te weten voor de eerste van de maand, dient te voldoen. Er is een verzoekschrift tot onderbewindstelling ingediend. De verwachting is dat het beschermingsbewind op korte termijn zal worden uitgesproken. Beschermingsbewind waarborgt de betalingen van de lopende huurtermijnen. De gegevens van de schuldeisers zijn inmiddels aangeleverd bij de beoogd beschermingsbewindvoerder, die de schuldeisers zal gaan inventariseren. Na de inventarisatiefase zal schuldhulpverlening het schuldhulpverleningstraject verder oppakken. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 1 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.