ECLI:NL:RBROT:2026:8650

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2614399:R-RK – NL:TZ:2614400:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij dreigende ontruiming huurwoning

Verzoeker heeft op 4 juni 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank heeft op 18 juni 2026 de zaak behandeld en de uitspraak bepaald op 25 juni 2026.

Verzoeker ontvangt een PW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. Hij heeft beschermingsbewind aangevraagd en wil het schuldhulpverleningstraject voortzetten. Verweerster, de verhuurder, is bereid verzoeker een kans te geven maar wil dat het beschermingsbewind verplicht wordt gesteld vanwege eerdere problemen en een aanzienlijke huurachterstand.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigt. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling omdat het minnelijk traject nog loopt.

De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 5 juni 2026 en verlengt de huurovereenkomst voor die periode. Schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen. De rechtbank benadrukt dat dit de laatste kans is voor verzoeker om zijn schuldenproblematiek op te lossen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 25 juni 2026
[naam 1],
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 4 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 juni 2026.
Ter zitting van 18 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [naam 3] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij met ingang van deze maand een PW-uitkering ontvangt. De hoogte van deze uitkering is € 951,02 per maand. Daarnaast ontvangt hij een bedrag van € 281,-- aan huurtoeslag en een bedrag van € 129,-- aan zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 683,63 per maand te voldoen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn PW-uitkering nog gewijzigd dient te worden. Er heeft enige tijd een kennis op zijn adres ingeschreven gestaan voor een briefadres, waardoor aan verzoeker een PW-uitkering is verstrekt op basis van de kostendelersnorm. Deze kennis woont inmiddels niet meer bij verzoeker, maar staat nog wel ingeschreven. Zodra de kennis is uitgeschreven, zal het inkomen van verzoeker hoger worden.
Nu de uitkering is toegekend, kunnen de lopende huurtermijnen tijdig, te weten voor de eerste van de maand, worden voldaan, aldus verzoeker. Verzoeker heeft beschermingsbewind aangevraagd. Hij is nog in afwachting van een zittingsdatum. Verzoeker heeft eerder onder beschermingsbewind gestaan. Dit bewind is destijds opgeheven omdat het niet goed liep. Daarna is geprobeerd weer bewind in te stellen, echter op het moment van de behandeling van het verzoek verbleef verzoeker in detentie en kon hij niet bij de zitting aanwezig zijn. Verzoeker heeft eerder een geslaagd minnelijk traject gehad en hij vindt het jammer dat budgetbeheer toen is gestopt. Verzoeker laat zich nu wederom vrijwillig onder bewind stellen omdat hij niet nogmaals in de problemen wil komen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij eerst de toekenning van de uitkering heeft afgewacht, alvorens het schuldhulpverleningstraject op te starten. Nu de uitkering is toegekend, zal het schuldhulpverleningstraject worden aangevangen.

3.Het verweer

Verweerster is in principe bereid verzoeker nog een kans te verlenen. Zij acht het echter wel noodzakelijk dat verzoeker zich verplicht – en niet vrijwillig - onder beschermingsbewind laat stellen zodat voorkomen wordt dat er opnieuw problemen ontstaan. Verweerster heeft na een geslaagd minnelijk traject enkele jaren geleden een huurachterstand van ruim € 13.000,-- kwijt gescholden. Sinds juli 2025 zijn er wederom problemen ontstaan en is er nu sprake van een huurachterstand van negen maanden. De huur over de maand juli 2026 dient tijdig voldaan te worden.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 1 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat hij het vonnis van 19 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Aan verzoeker is recent een uitkering toegekend. De eerste uitbetaling van de PW-uitkering wordt deze maand verwacht. Daarnaast ontvangt verzoeker huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft verklaard de lopende huurtermijnen voor de eerste van de maand te voldoen. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij beschermingsbewind heeft aangevraagd. Om deze aanvraag te bespoedigen heeft verzoeker ter zitting een formulier ingevuld ten behoeve van de snelle route beschermingsbewind. Nu de uitkering is toegekend, zal het schuldhulpverleningstraject op korte termijn worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank merkt hierbij op dat verzoeker ervan doordrongen moet zijn dat dit de allerlaatste kans is om een oplossing te vinden voor zijn schuldenproblematiek.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 19 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.