Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker;
- mevrouw A. Almeida, werkzaam bij Stichting Nieuw Vaarwater (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. Hij ontvangt een WW-uitkering en huurtoeslag, staat onder beschermingsbewind en is bezig met een schuldhulpverleningstraject in de inventarisatiefase.
Verweerster stelt dat verzoeker gemaakte betalingsafspraken niet nakomt en onvoldoende vertrouwen bestaat in tijdige huurbetaling. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een aangekondigde ontruiming op 24 juni 2026.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster. Lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede dankzij beschermingsbewind. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat huurbetalingen tijdig plaatsvinden.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en de schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden schorst onder de voorwaarde dat lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.