ECLI:NL:RBROT:2026:8647

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
1224 2767 VV EXPL 26-297
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 142 RvArt. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 555 e.v. RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte en betaling huurachterstand na verstek

In deze kortgedingprocedure vordert Vastgoed Erol B.V. betaling van een huurachterstand van €42.824,88 en ontruiming van een gehuurde bedrijfsruimte door [gedaagde], die verstek liet gaan. De huurder had de jaarlijkse huurindexeringen niet betaald en weigerde de achterstand te voldoen.

De kantonrechter weigert het verzoek van [gedaagde] om het verstek te zuiveren, omdat dit verzoek pas vlak voor de zitting werd ingediend en toewijzing daarvan de spoedprocedure onaanvaardbaar zou vertragen. De dagvaarding was tijdig betekend en de huurder had ruim drie weken om zich voor te bereiden.

De rechtbank oordeelt dat de spoedeisendheid aanwezig is en dat de vordering tot ontruiming en betaling van de huurachterstand en incassokosten gegrond is. De ontruiming wordt toegewezen omdat inmiddels vaststaat dat Erol de juridische eigenaar is van het gehuurde en de huurder ernstig tekort is geschoten in haar verplichtingen.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat Erol voldoende rechtsmiddelen heeft om ontruiming af te dwingen. De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van de huurachterstand met incassokosten, terwijl het verzoek tot zuivering van verstek en de dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12242767 VV EXPL 26-297
datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Vastgoed Erol B.V.,
vestigingsplaats: Enschede,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.W. Sprenger-Andela,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna ‘Erol’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 8 juni 2026, met bijlagen;
  • de mail van mr. A. Coskun namens [gedaagde] van 2 juli 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Erol.
1.2.
Op 2 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting met [naam], bestuurder van Erol, en de gemachtigde besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.Waar gaat de zaak over?

[gedaagde] huurt van Erol sinds 1 november 2016 de bedrijfsruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde). Erol stelt dat [gedaagde] een huurachterstand van € 42.824,88 heeft laten ontstaan omdat zij weigert de jaarlijkse huurindexeringen (met terugwerkende kracht tot vijf jaar) te betalen. Erol eist daarom in dit kort geding betaling van de huurachterstand met buitengerechtelijke incassokosten van € 1.203,24 en de proceskosten. Zij wil ook dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt op straffe van een dwangsom.

3.De beoordeling

Verzoek tot zuivering van het verstek
3.1.
Kort voor de zitting heeft de rechtbank een mail van mr. A. Coskun ontvangen. Daarin licht hij namens [gedaagde] toe dat hij pas zojuist is ingeschakeld, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het een bodemprocedure betrof, verzoekt hij het verstek te zuiveren en hem in de gelegenheid te stellen verweer te voeren. Erol heeft ter zitting aangegeven daar niet akkoord mee te gaan.
3.2.
Uit artikel 142 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat een gedaagde partij in principe het recht heeft om een verstek te zuiveren zolang er nog geen eindvonnis is gewezen. Dit recht is echter niet absoluut. Zuivering kan worden geweigerd indien dit misbruik van procesrecht oplevert of indien toewijzing daarvan in strijd is met een goede procesorde. Van dat laatste is hier sprake. De dagvaarding is op 8 juni 2026 op de juiste wijze aan [gedaagde] betekend. [gedaagde] was dus op de hoogte van datum en tijdstip van de zitting en heeft ruim drie weken de tijd gehad om rechtsbijstand in te schakelen en zich voor te bereiden. Dat zij dit heeft nagelaten en heeft afgezien om te verschijnen en haar gemachtigde zich pas vijftien minuten voor de geplande aanvang van de zitting meldt met een verzoek tot zuivering van het verstek, is een omstandigheid die geheel voor haar rekening en risico komt. Een kort geding vereist, mede gelet op het spoedeisende karakter, een vlotte afdoening. Het op dit late moment verzoeken om zuivering, een verstekverlening en nieuwe behandeling zou leiden tot een onredelijke vertraging van deze spoedprocedure en daarmee tot een onaanvaardbare benadeling van Erol, mede gelet op hetgeen in 3.3. wordt overwogen. Gelet op al deze omstandigheden wordt het zuiveringsverzoek van mr. Coskun namens Erol dan ook geweigerd, zodat de zaak inhoudelijk zal worden beoordeeld als een verstekzaak
Beoordelingskader in kort geding
3.3.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van Erol volgt dat deze spoed aanwezig is. Behalve de dwangsom wordt de vordering toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv Pro). Hierna wordt dit verder uitgelegd.
Ontruiming
3.4.
In een eerder kort geding tussen partijen bij rechtbank Rotterdam is de ontruiming van het gehuurde afgewezen omdat bij de rechtbank Overijssel tussen partijen een bodemprocedure liep over de eigendom van het gehuurde. Die situatie is nu veranderd. Uit het latere vonnis van 18 maart 2026 van rechtbank Overijssel dat Erol heeft overgelegd, volgt dat inmiddels door de rechtbank is geoordeeld dat Erol de enige juridische eigenaar is van het gehuurde. Daarmee is de grond voor afwijzing van de ontruiming in het eerdere kort geding komen te vervallen. Dat [gedaagde] in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van rechtbank Overijssel schorst de werking van dat vonnis niet omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
3.5.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. Vaststaat immers dat [gedaagde] een enorme huurachterstand heeft laten ontstaan. Hiermee is zij ernstig tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Zij moet het gehuurde binnen de gevorderde termijn van acht dagen na betekening van dit vonnis ontruimen.
Huurachterstand en incassokosten
3.6.
De gevorderde betalingsachterstand van € 42.824,88 (bestaande uit niet-betaalde huurindexeringen tot en met juni 2026) wordt eveneens toegewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.203,24 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen.
Geen dwangsom
3.7.
Erol heeft een dwangsom gevorderd voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig ontruimt. Deze vordering wordt afgewezen. Erol heeft namelijk geen belang bij een dwangsom. Als [gedaagde] niet vrijwillig vertrekt, kan Erol het gehuurde met behulp van een deurwaarder (en eventueel de politie) gedwongen laten ontruimen op grond van de artikelen 555 e.v. Rv.
Proceskosten
3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Erol moet betalen op € 128,65 aan dagvaardingskosten, € 1.504,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.353,65. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Erol dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als [gedaagde] in verzet komt tegen dit vonnis en aan een andere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen acht dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Erol te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Erol te betalen een bedrag van € 42.824,88 aan huurachterstand (berekend tot en met juni 2026);
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Erol te betalen een bedrag van € 1.203,24 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Erol worden begroot op € 2.353,65 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954