ECLI:NL:RBROT:2026:8555

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/10/719083 / JE RK 26-832
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens voldoende begeleiding door jeugdreclassering

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht op 30 april 2026 om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009. De zitting vond plaats op 12 juni 2026, waarbij de moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. De minderjarige werd gehoord en was aanwezig bij de uitspraak.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, verzette zich tegen de verlenging. Zij stelde dat er geen vaste jeugdbeschermer meer betrokken is en dat de minderjarige goed contact heeft met de jeugdreclasseerder. De minderjarige is recent geschorst uit voorlopige hechtenis met een enkelband en kan starten met dagbesteding en een opleiding.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige nog bedreigd wordt door zorgen over zelfbepalend gedrag, schoolverzuim en contacten met politie en justitie. Echter, gezien de goede begeleiding door de jeugdreclassering en de strafrechtelijke maatregelen, is er geen meerwaarde in verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter wees daarom het verzoek af.

De beslissing werd op 12 juni 2026 in het openbaar uitgesproken en op 23 juni 2026 schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens voldoende begeleiding door de jeugdreclassering en strafrechtelijke maatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/719083 / JE RK 26-832
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam , hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder , wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 april 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf kunnen horen van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 26 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vertegenwoordiger van de GI vraagt zich af wat de meerwaarde nog gaat zijn van de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. [minderjarige] en de moeder hebben goed contact met de jeugdreclasseerder. De vraag is of een dubbele maatregel nodig is.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder verzet zich tegen het verzoek van de GI. Er is op dit moment geen vaste jeugdbeschermer meer betrokken. Wel is er goed contact met de jeugdreclasseerder van [minderjarige] . De voorlopige hechtenis van [minderjarige] is vandaag weer geschorst. Hij heeft gezien dat het zware consequenties heeft als hij zich niet aan de schorsingsvoorwaarden houdt. Ook zal zijn enkelband helpen om zich aan de afspraken te houden. [minderjarige] kan maandag weer starten bij Chapter Next, in de zomervakantie gaat hij voor dagbesteding naar Bon Sjans en in september kan hij weer starten met een opleiding. De moeder ziet geen meerwaarde meer in een ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] nog in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn onder meer zorgen over zelfbepalend gedrag, schoolverzuim en contacten met politie en justitie. In mei 2026 is de schorsing van de voorlopige hechtenis van [minderjarige] opgeheven omdat hij de avondklok meerdere keren had overtreden. Tijdens de raadkamer van 11 juni 2026 is hij met ingang van vandaag weer geschorst, met onder andere een enkelband.
5.2.
Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] en de moeder inmiddels goed contact hebben met de betrokken jeugdreclasseerder en dat zij al veel voor [minderjarige] heeft geregeld. Zo is [minderjarige] begonnen met dagbesteding bij Chapter Next, gaat hij in de zomer naar Bon Sjans en kan hij in september weer starten met een opleiding. De kinderrechter is gelet hierop van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] op dit moment voldoende worden ondervangen door het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering en de opgelegde schorsingsvoorwaarden in het strafrechtelijk kader. Daarbij overweegt de kinderrechter ook dat er al langere tijd geen jeugdbeschermer betrokken is en er ook in het afgelopen jaar weinig is ingezet vanuit de ondertoezichtstelling. De kinderrechter ziet daarom geen meerwaarde meer in het verlengen van de ondertoezichtstelling en wijst het verzoek van de GI af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.R. van Staveren als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.