Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1],
2. [eiser 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
25 juni 2025, met 10 producties;
- de conclusie van antwoord, met 10 producties;
- de brief van 8 september 2025 met een oproep voor de mondelinge behandeling;
24, waarbij eisers hun eis opnieuw hebben gewijzigd en hun provisionele vordering
hebben ingetrokken;
3.De feiten
Doel
(…)
(…)
4. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
- door opzegging door de coöperatie;
(…)
(…)
b. wanneer redelijkerwijs van de coöperatie niet kan worden gevergd het
(…)
7. Het bestuur van de coöperatie kan een lid alleen uit het lidmaatschap ontzetten wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de coöperatie handelt of wanneer het lid de coöperatie op onredelijke wijze benadeelt. Het bestuur zal het lid dan zo snel mogelijk informeren over het besluit, onder opgave van de redenen. Het lid kan vervolgens binnen één maand in beroep gaan bij de algemene ledenvergadering.(…)
2. De algemene ledenvergadering bepaalt voor welk deel de winst wordt uitgekeerd aan de leden, of toegevoegd aan het vermogen van de coöperatie.
3. De mate waarin een (oud-)lid in de winst deelt, is evenredig met het bedrag dat de coöperatie gedurende het lidmaatschap in het boekjaar aan diensten bij het lid heeft ingekocht.”
De brief aan [naam] is verzonden naar het e-mailadres [e-mailadres].
Betreft; opzegging lidmaatschap [gedaagde] per 22-05-2024
4.Het geschil
in alle gevallen4) [gedaagde] te veroordelen om € 3.992,08 aan [eiser 1] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
5) [gedaagde] te veroordelen om € 524,21 aan buitengerechtelijke kosten aan [eiser 1] te betalen;
10) [gedaagde] te veroordelen om € 862,73 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser 2] te betalen;
11) [gedaagde] te veroordelen om € 987,55 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser 1] te betalen;
12) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het vonnis.
5.De beoordeling
opzegging lidmaatschap [gedaagde] per 22-05-2024”. Vervolgens staat in de brieven dat “
met inachtneming van artikel 3.6b van de statuten” het vertrouwen in de samenwerking is opgezegd en de samenwerking niet voortgezet kan worden. Artikel 3.6, aanhef en onder b, van de statuten van [gedaagde] gaat over opzegging van het lidmaatschap en niet (ook) over ontzetting uit het lidmaatschap; die ontzetting is geregeld in artikel 3 lid 7 van Pro de statuten. Verder is aan het einde van de brieven aangekondigd dat nog een afrekening zal plaatsvinden en dat eventuele facturen voor verrichte diensten op de gebruikelijke manier verwerkt zullen worden. Ook deze aankondiging wijst in de richting van een opzegging, omdat bij ontzetting uit het lidmaatschap in de visie van [gedaagde] geen (terug)betaling behoort plaats te vinden. Dat in de brieven van 23 mei 2024 ook één keer het woord ontzetting is vermeld, zonder nadere duiding of context, weegt tegen het voorgaande niet op.
De rechtbank ziet geen juridische grondslag om deze kosten in mindering te brengen op de aan [naam] en [eiser 1] te betalen bedragen. Het komt vaker voor dat een rechtspersoon met leden (zoals een coöperatie of een vereniging) kosten maakt die specifiek verband houden met enkele leden, maar dat levert op zichzelf nog geen rechtsgrond op om die kosten op de betreffende leden te verhalen. Voor zover in het betoog van [gedaagde] de stelling ligt besloten dat [naam] en [eiser 1] haar onrechtmatige concurrentie hebben aangedaan, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank acht het redelijk om de proceskosten voor [naam] en [eiser 1] gezamenlijk te begroten op basis van tarief III, dat hoort bij het totaalbedrag dat aan hen in hoofdsom wordt toegewezen, namelijk (€ 9.149,24 plus € 19.002,55 plus € 1.782,59 is) € 29.934,38.
€ 189,00(plus eventuele vergoeding, zie de beslissing)
6.De beslissing
mr. M. Welter-Dekkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.