ECLI:NL:RBROT:2026:849

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/698074 / HA ZA 25-337
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Brussel I bis-VoArt. 32 Brussel I bis-VoArt. 210 lid 1 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanhouding en toewijzing vrijwaring in civiele vrijwaringszaak over verduistering zendingen

Baltic Transline c.s. vorderen in een vrijwaringszaak dat [bedrijf X] c.s. hen vrijwaren voor een eventuele veroordeling in de hoofdzaak over verduistering van zendingen zonnepanelen. [bedrijf X] c.s. verzoeken de zaak aan te houden vanwege een parallelle procedure in Polen over hetzelfde feitencomplex.

De rechtbank oordeelt dat de procedure in Nederland eerder aanhangig is gemaakt dan de Poolse procedure, zodat het verzoek tot aanhouding op grond van artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo wordt afgewezen. [bedrijf X] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van het incident tot aanhouding.

In het incident tot (onder)vrijwaring wordt het verzoek van [bedrijf X] c.s. toegewezen om meerdere derden in vrijwaring op te roepen, omdat voldoende aannemelijk is dat deze derden mogelijk aansprakelijk zijn. De proceskosten in dit incident worden gecompenseerd. De vrijwaringszaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord met een termijn van zes weken.

Uitkomst: Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen en de vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/698074 / HA ZA 25-337
Vonnis in incidenten van 28 januari 2026
in de vrijwaringszaak van

1..UAB BALTIC TRANSLINE,2. BTL GROUP UAB,

vestigingsplaats: Kaunas (Litouwen),
eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in de incidenten,
advocaat: mr. V.R. Pool,
tegen
1. [bedrijf X],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] (Polen),
2. [persoon A] (in zijn hoedanigheid van vennoot van [bedrijf X] ),
woonplaats: [woonplaats] (Polen),
3. [persoon B] (in zijn hoedanigheid van vennoot van [bedrijf X] ),
woonplaats: [woonplaats] (Polen),
gedaagde partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in de incidenten,
advocaat: mr. J.B. Houtappel.
Partijen worden hierna Baltic Transline c.s. en [bedrijf X] c.s. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in vrijwaring van 26 februari 2025, met bijlagen 1 tot en met 4, en de daarbij overgelegde buitenlandse betekeningsstukken;
  • het verzoek tot aanhouding (art. 30 EEX Pro) en incidentele conclusie oproeping in vrijwaring, met bijlagen 1 tot en met 6;
  • de conclusie van antwoord in het incident houdende verzoek tot aanhouding (art. 30 EEX Pro) tevens oproeping in vrijwaring, met bijlagen 5 tot en met 7.

2.Het geschil in de vrijwaringszaak

2.1.
In de vrijwaringszaak vorderen Baltic Transline c.s. om [bedrijf X] c.s. te veroordelen om aan Baltic Transline c.s. te betalen datgene waartoe (één van) Baltic Transline c.s. in de hoofdzaak met zaaknummer C/10/685141 / HA ZA 24-750 mocht(en) worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling. In de hoofdzaak worden Baltic Transline c.s. door Logwise Transport B.V. (Logwise) aangesproken tot vergoeding van de schade die Logwise stelt te hebben geleden als gevolg van de gestelde verduistering van een viertal zendingen met zonnepanelen. Logwise had Baltic Transline c.s. opdracht gegeven om deze zendingen te vervoeren. Baltic Transline c.s. hebben het vervoer op hun beurt uitbesteed aan [bedrijf X] [persoon A] [persoon B] (nu: gedaagde 1), waarvan gedaagden 2 en 3 vennoten/partners zijn. Volgens Baltic Transline c.s. zijn [bedrijf X] c.s. aansprakelijk voor de gestelde verduistering van de zendingen en moeten zij Baltic Transline c.s. daarom vrijwaren voor een eventuele veroordeling in de hoofdzaak.
2.2.
[bedrijf X] c.s. hebben nog niet op de dagvaarding gereageerd.

3.De beoordeling in het incident tot aanhouding

Het geschil in het incident tot aanhouding
3.1.
[bedrijf X] c.s. verzoeken de rechtbank om de vrijwaringszaak met zes maanden aan te houden. Daaraan leggen [bedrijf X] c.s. het volgende ten grondslag. Sinds 22 april 2025 is in Polen een procedure aanhangig tussen ERGO Hestia, als gesubrogeerde verzekeraar van Baltic Transline c.s., en [bedrijf X] c.s.. In die procedure vordert ERGO Hestia vergoeding van de schade die het onderwerp is van de vrijwaringsprocedure. De procedure in Polen betreft weliswaar niet dezelfde partijen, maar de Poolse rechter heeft wel te beslissen over hetzelfde feitencomplex op dezelfde grondslagen en de Poolse rechter zal ook een oordeel moeten geven over de aansprakelijkheid van [bedrijf X] c.s. tegenover Baltic Transline c.s. op dezelfde grondslagen als in de vrijwaringszaak. De procedure in Polen is verder leidend ten opzichte van de vrijwaringszaak, omdat Baltic Transline c.s. in de vrijwaringszaak geen, dan wel zeer beperkt belang hebben. Baltic Transline c.s. zijn immers al schadeloosgesteld en ERGO Hestia is in hun rechten getreden. Bovendien bevindt de procedure in Polen zich al in een verder gevorderd stadium dan de vrijwaringszaak, aangezien in de procedure in Polen nu een zitting wordt bepaald. Er is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 30 EEX Pro, althans er zijn processuele redenen om de vrijwaringszaak aan te houden.
3.2.
Baltic Transline c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek om aanhouding, met veroordeling van [bedrijf X] c.s. in de proceskosten in het incident (met rente). Het verweer van [bedrijf X] c.s. komt er – samengevat weergegeven – op neer, dat [bedrijf X] c.s. stellen dat deze procedure eerder aanhangig was dan de procedure in Polen en dat deze procedure niet gaat over (geheel) dezelfde aansprakelijkheid en schade als de procedure in Polen.
De vrijwaringszaak wordt niet aangehouden
3.3.
In artikel 30, lid 1 en 3, van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (door partijen aangeduid als EEX(-Vo), maar hierna door de rechtbank aangeduid als Brussel I bis-Vo) staat het volgende:

1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.
(…)
3. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”.
3.4.
Artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo heeft tot doel een betere coördinatie van de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid binnen de Europese Unie te verzekeren en te vermijden dat beslissingen worden gegeven die, ook al kunnen zij afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd, uiteenlopen of onderling tegenstrijdig zijn. Uitgangspunt onder artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo is dat bij samenhangende vorderingen die aanhangig zijn voor de gerechten van verschillende lidstaten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak kan aanhouden.
3.5.
Baltic Transline c.s. voeren in de eerste plaats aan dat deze procedure eerder aanhangig was dan de procedure in Polen. Het tijdstip waarop een procedure bij het gerecht van een lidstaat aanhangig is gemaakt, wordt autonoom bepaald door artikel 32 Brussel Pro I bis-Vo. In dat artikel staat het volgende:

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:
a)
op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of
b)
indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voor dat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.
De onder b) bedoelde autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving is de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken ontvangt.
2. Het gerecht dat, of de autoriteit die belast is met de betekening als bedoeld in lid 1, noteert, respectievelijk, de datum van indiening van het gedinginleidende stuk of het gelijkwaardige stuk, of de datum van ontvangst van de te betekenen of mee te delen stukken.”.
3.6.
Artikel 32 Brussel Pro I bis-Vo maakt dus een onderscheid tussen het systeem waarbij een procedure aanhangig wordt door een processtuk bij het gerecht in te dienen (lid 1 onder a) en het systeem waarbij het inleidende processtuk voor indiening bij het gerecht eerst betekend moet worden aan de wederpartij (lid 1 onder b). In Nederland geldt een stelsel als bedoeld onder b. [bedrijf X] c.s. stellen onweersproken dat de procedure in Polen aanhangig is gemaakt op 22 april 2025. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de procedure in Polen vanaf die datum aanhangig was.
3.7.
Voor wat betreft de datum waarop deze procedure aanhangig is gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 32, lid 1 onder b, Brussel I bis-Vo is beslissend het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving van de dagvaarding dat stuk heeft ontvangen. “De autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving” is de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken ontvangt. De dagvaarding in vrijwaring vermeldt op de eerste pagina bovenaan de datum 26 februari 2025. Uit een brief van de door Baltic Transline c.s. voor de betekening van de dagvaarding ingeschakelde deurwaarder van 26 februari 2025 blijkt bovendien dat die deurwaarder op 26 februari 2025 ook daadwerkelijk de dagvaarding in vrijwaring aan zijn collega-deurwaarder in Polen heeft verstuurd, om die dagvaarding in Polen te laten betekenen. Het tijdstip waarop de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook 26 februari 2025. Zelfs als met de eerste autoriteit die de te betekenen of mee te delen stukken heeft ontvangen de deurwaarder in Polen zou worden bedoeld, dan volgt uit stempels op de voormelde brief van 26 februari 2025 dat die brief op 27 februari 2025 of 28 februari 2025 door de deurwaarder in Polen is ontvangen.
3.8.
De conclusie uit het voorgaande is dat het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving van de dagvaarding in vrijwaring dat stuk heeft ontvangen, gelegen is vóór 22 april 2025. Toepassing van artikel 32 Brussel Pro I bis-Vo leidt er daarom toe dat deze procedure eerder aanhangig was dan de procedure in Polen. Deze rechtbank kwalificeert om die reden niet als het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zoals bedoeld in artikel 30, lid 1, Brussel I bis-Vo. Het verzoek van [bedrijf X] c.s. om de vrijwaringszaak op grond van artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo aan te houden, wordt daarom afgewezen.
[bedrijf X] c.s. moeten de proceskosten in het incident tot aanhouding betalen
3.9.
[bedrijf X] c.s. zijn in het incident tot aanhouding in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in dat incident betalen. De proceskosten van Baltic Transline c.s. in het incident tot aanhouding worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.11.
De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daarover wettelijke rente te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beoordeling in het incident tot (onder)vrijwaring

Het geschil in het incident tot (onder)vrijwaring
4.1.
Voor het geval dat de rechtbank zou beslissen om de vrijwaringszaak niet aan te houden, hebben [bedrijf X] c.s. gevorderd om hen toe te staan om (i) Generali Towarszystwo Ubezpieczen Spolka Akcyjna, (ii) Paltrans sp. Z o.o., (iii) Powszechny Zaklad Ubezpieczen S.A., (iv) de heer [persoon C] en (v) de heer [persoon D] in vrijwaring te mogen oproepen. Daaraan leggen [bedrijf X] c.s. – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. [bedrijf X] c.s. hebben het vervoer van de zendingen met zonnepanelen op hun beurt uitbesteed aan Paltrans sp. Z o.o.. De heer [persoon C] is bestuurder/aandeelhouder van Paltrans sp. Z o.o. en de heer [persoon D] is aandeelhouder van Paltrans sp. Z o.o.. Zij hebben [bedrijf X] c.s. opgelicht. Verder waren [bedrijf X] c.s. ten tijde van het vervoer bij Generali Towarszystwo Ubezpieczen Spolka Akcyjna verzekerd voor schade bij transport, maar heeft Generali Towarszystwo Ubezpieczen Spolka Akcyjna ten onrechte dekking onder de verzekering afgewezen. Paltrans sp. Z o.o. is op haar beurt verzekerd tegen aansprakelijkheid bij Powszechny Zaklad Ubezpieczen S.A. en naar Pools recht hebben [bedrijf X] c.s. een “directe” aanspraak op deze verzekeraar. Op grond van het voorgaande moeten al deze partijen [bedrijf X] c.s. vrijwaren voor een eventuele veroordeling in de vrijwaringszaak.
4.2.
Baltic Transline c.s. refereren zich in het incident tot (onder)vrijwaring aan het oordeel van de rechtbank. Baltic Transline c.s. dringen er daarbij wel op aan dat de voortgang van de vrijwaringszaak geen (verdere) vertraging ondervindt van de (onder)vrijwaring.
De (onder)vrijwaring wordt toegestaan
4.3.
Aangezien de rechtbank hiervoor in overwegingen 3.3. tot en met 3.8. heeft geoordeeld dat de vrijwaringszaak niet wordt aangehouden, wordt nu toegekomen aan de beoordeling van de incidentele vordering tot (onder)vrijwaring.
4.4.
De incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring is op tijd en vóór alle weren genomen. Op grond van artikel 210 lid 1 Rv Pro kan de gedaagde een derde partij in vrijwaring oproepen als hij meent hiertoe gronden te hebben. Hiervoor is voldoende dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.5.
Uit de stellingen van [bedrijf X] c.s. is voldoende af te leiden dat voor Generali Towarszystwo Ubezpieczen Spolka Akcyjna, Paltrans sp. Z o.o., Powszechny Zaklad Ubezpieczen S.A., de heer [persoon C] en de heer [persoon D] mogelijk een verplichting bestaat om (een deel van) de nadelige gevolgen van een mogelijke veroordeling van [bedrijf X] c.s. in de vrijwaringszaak te dragen. De conclusie is dan ook dat de vordering tot oproeping in (onder)vrijwaring wordt toegewezen.
4.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de gebruikelijke termijn van zes weken om de in (onder)vrijwaring op te roepen (rechts)personen te dagvaarden te verruimen tot zes maanden, zoals [bedrijf X] c.s. hebben verzocht. Deze verzochte termijn lijkt samen te hangen met het verzoek van [bedrijf X] c.s. om de vrijwaringszaak op grond van artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo voor een termijn van zes maanden aan te houden, welk verzoek hiervoor in overwegingen 3.3. tot en met 3.8. is afgewezen. Aangezien [bedrijf X] c.s. verder niet hebben gesteld dat het voor hen onmogelijk is om de in (onder)vrijwaring op te roepen (rechts)personen binnen de gebruikelijke termijn van zes weken te dagvaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding om de te stellen termijn te verruimen.
De proceskosten in het incident tot (onder)vrijwaring worden gecompenseerd
4.7.
Aangezien Baltic Transline c.s. zich in het incident tot (onder)vrijwaring aan het oordeel van de rechtbank hebben gerefereerd, is in het incident tot (onder)vrijwaring geen van partijen in het ongelijk gesteld. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident tot (onder)vrijwaring betaalt.

5.Ambtshalve beoordeling in de vrijwaringszaak

5.1.
Het verzoek om de vrijwaringszaak op grond van artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo aan te houden, is afgewezen. De rechtbank ziet ook los van dat verzoek geen aanleiding om de vrijwaringszaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure in Polen. Daarvoor is in de eerste plaats relevant dat het de rechtbank niet is gebleken dat de procedure in Polen betrekking heeft op exact dezelfde schade als waar de vrijwaringszaak betrekking op heeft. Verder is op dit moment onduidelijk wanneer een uitspraak in de procedure in Polen wordt verwacht, terwijl deze rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/10/685141 / HA ZA 24-750 op 25 juni 2025 een eindvonnis heeft gewezen ten aanzien van Baltic Transline c.s.. Sindsdien zijn inmiddels bijna zeven maanden verstreken. Gelet daarop hebben Baltic Transline c.s. er inmiddels belang bij dat de vrijwaringszaak voortvarend wordt behandeld. De vrijwaringszaak wordt daarom verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door [bedrijf X] c.s.. In wat Baltic Transline c.s. hebben aangevoerd, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om af te wijken van de daarvoor gebruikelijke termijn van zes weken. Eventuele uitstelverzoeken van [bedrijf X] c.s. voor het indienen van een conclusie van antwoord zullen gelet op het tijdsverloop in de vrijwaringszaak tot nu toe wel kritisch worden beoordeeld.
5.2.
Het staat partijen wellicht ten overvloede uiteraard vrij om de rechtbank bij akte en/of tijdens de eventueel later in de vrijwaringszaak te bepalen mondelinge behandeling te informeren over ontwikkelingen in de procedure in Polen die voor de beoordeling en/of behandeling van de vrijwaringszaak relevant kunnen zijn.

6.De beslissing

De rechtbank:
in het incident tot aanhouding
6.1.
wijst het verzoek tot aanhouding op grond van artikel 30 Brussel Pro I bis-Vo af;
6.2.
veroordeelt [bedrijf X] c.s. in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf X] c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [bedrijf X] c.s. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt [bedrijf X] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart de veroordelingen in 6.2. en 6.3. uitvoerbaar bij voorraad;
in het incident tot (onder)vrijwaring
6.5.
staat [bedrijf X] c.s. toe om:
(i) Generali Towarszystwo Ubezpieczen Spolka Akcyjna;
(ii) Paltrans sp. Z o.o.;
(iii) Powszechny Zaklad Ubezpieczen S.A.;
(iv) de heer [persoon C] ; en
(v) de heer [persoon D] ;
in (onder)vrijwaring te dagvaarden tegen de rolzitting van
11 maart 2026;
6.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de vrijwaringszaak
6.7.
verwijst de zaak naar de rol van
11 maart 2026voor conclusie van antwoord;
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
3349 / 2459