ECLI:NL:RBROT:2026:8455

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/8767
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenHR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond wegens niet-schending gelijkheidsbeginsel

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser voor het belastingjaar 2024 vast op €641.000,-. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat vergelijkbare woningen in de buurt een lagere waarde hadden gekregen. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de zitting op 8 juni 2025 werden de standpunten van beide partijen besproken, waarbij ook een taxateur aanwezig was. De rechtbank beoordeelde dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, maar dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een relevante groep identieke woningen met verwaarloosbare verschillen.

De rechtbank constateerde dat de woningen aan de betreffende straat verschillen in bouwkundige kenmerken zoals open gedeelten op de begane grond, dakterrassen en dakopbouwen, wat leidt tot niet verwaarloosbare verschillen in marktwaarde. De woning van eiser en een andere woning hadden wel vergelijkbare kenmerken, maar de WOZ-waarde van die andere woning was hoger dan die van eiser. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de WOZ-waarde ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8767

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),
en
de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling
(gemachtigde: mr. E. Blom).

Procesverloop

1. Met het besluit van 25 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 641.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
1.1.
Met de uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 februari 2024 ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 8 juni 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam], taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Aan nagenoeg identieke naburige woningen is een aanzienlijke lagere waarde toegekend. Ter onderbouwing heeft eiser een overzicht overgelegd van de WOZ-waardes van woningen aan de [straatnaam].
3. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk. De belanghebbende moet aannemelijk maken dat sprake is van een relevante groep van identieke woningen, in de zin dat de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn. [1]
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De verschillen tussen de woning van eiser en de woningen met een lagere WOZ-waarde aan de [straatnaam] zijn niet verwaarloosbaar. De woningen aan de [straatnaam] beschikken veelal over een open gedeelte op de begane grond, onder de woonlaag die is gelegen op de eerste verdieping, en over een dakterras. Bij sommige woningen is het open gedeelte op de begane grond afgesloten om als garage of woongedeelte te gebruiken, bij andere woningen is het dakterras aangepast naar een afgesloten dakopbouw. Het beschikken over meer woonoppervlakte op de begane grond of een extra verdieping leidt tot een niet verwaarloosbaar verschil in de marktwaarde van de woning. Alleen bij de woning van eiser en [adres 2] is sprake van zowel een afgesloten gedeelte op de begane grond als een dakopbouw. De WOZ-waarde van [adres 2] is voor hetzelfde belastingjaar hoger dan die van de woning van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Kamp, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8945, r.o. 3.4.