ECLI:NL:RBROT:2026:8455
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond wegens niet-schending gelijkheidsbeginsel
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser voor het belastingjaar 2024 vast op €641.000,-. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat vergelijkbare woningen in de buurt een lagere waarde hadden gekregen. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 8 juni 2025 werden de standpunten van beide partijen besproken, waarbij ook een taxateur aanwezig was. De rechtbank beoordeelde dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, maar dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een relevante groep identieke woningen met verwaarloosbare verschillen.
De rechtbank constateerde dat de woningen aan de betreffende straat verschillen in bouwkundige kenmerken zoals open gedeelten op de begane grond, dakterrassen en dakopbouwen, wat leidt tot niet verwaarloosbare verschillen in marktwaarde. De woning van eiser en een andere woning hadden wel vergelijkbare kenmerken, maar de WOZ-waarde van die andere woning was hoger dan die van eiser. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de WOZ-waarde ongewijzigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft ongewijzigd.