ECLI:NL:RBROT:2026:842

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11732670 CV EXPL 25-13084
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 6:277 BWArt. 6:119a BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens hoge huurachterstand

De huurder van een bedrijfsruimte had een aanzienlijke huurachterstand van € 15.247,08 opgebouwd, oplopend tot twaalf maanden. Woonstad Rotterdam vorderde betaling van deze achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van huur tot de oorspronkelijke einddatum.

De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst ontbonden kon worden op grond van artikel 6:265 BW Pro vanwege de ernstige huurachterstand. Hoewel de huurder aangaf een betaling te hebben gedaan, werd deze niet meegenomen omdat Woonstad dit niet kon bevestigen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de achterstand, de huur tot de datum van ontbinding en een gebruiksvergoeding tot de ontruiming.

Daarnaast werd de huurder veroordeeld om binnen veertien dagen de bedrijfsruimte te ontruimen en werd hij aansprakelijk gesteld voor de schade van Woonstad vanaf de ontruiming tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst. De proceskosten werden eveneens aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens een huurachterstand van twaalf maanden, met veroordeling tot betaling van achterstallige huur, ontruiming en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11732670 CV EXPL 25-13084
datum uitspraak: 16 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de brief van 2 december 2025 namens Woonstad.
1.2.
Op 18 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig mr. J.A. Wesdijk van GGN namens Woonstad en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt een bedrijfsruimte van Woonstad. De huur is nu € 1.293,67 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Woonstad eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt, dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt, dat [gedaagde] de bedrijfsruimte ontruimt en dat hij (een bedrag gelijk aan) de huur betaalt tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst. [gedaagde] moet van de kantonrechter de huurachterstand betalen en de bedrijfsruimte ontruimen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 15.247,08 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 15.247,08 aan Woonstad te betalen. De partijen zijn het er over eens dat dit de huurachterstand was berekend tot de dag van de zitting. De huur tot en met de maand december 2025 zit hier dus bij. [gedaagde] zegt op de zitting dat hij die ochtend € 1.900,00 heeft overgemaakt naar Woonstad. Woonstad kon op dat moment niet nagaan of zij dat inderdaad had ontvangen. Daarom wordt de betaling niet meegenomen in de beoordeling. Als Woonstad dit bedrag inderdaad heeft ontvangen, moet het bedrag uiteraard van de huurachterstand worden afgetrokken.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden. [1] De kantonrechter houdt er in dit geval rekening mee dat er op het moment van de dagvaarding een huurachterstand was van vijf maanden en dat die nu is opgelopen tot twaalf maanden. Dat de onderneming van [gedaagde] (nog) niet goed loopt is vervelend, maar dat ontslaat hem niet van zijn verplichting om de huur elke maand te betalen.
[gedaagde] moet de huur betalen tot de ontbinding van de huurovereenkomst
2.4.
Woonstad eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de huur tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst te betalen. Dat wordt toegewezen. Omdat de toewijsbare huurachterstand is berekend tot en met december 2025 en de huurovereenkomst per datum van dit vonnis wordt ontbonden gaat het om de huur van € 1.293,67 per maand tot 16 januari 2026.
[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.5.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de bedrijfsruimte met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.
2.6.
De eis van Woonstad dat [gedaagde] moet worden veroordeeld om na de datum van ontbinding van de huurovereenkomst € 1.247,51 per maand te betalen tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst wordt voor een deel toegewezen. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.247,51 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). Hoewel uit het recente overzicht van de huurachterstand blijkt dat de huur nu € 1.293,67 bedraagt, kan de kantonrechter dat bedrag niet toewijzen. Woonstad eist namelijk € 1.247,51 per maand en de kantonrechter kan niet meer toewijzen dan is geëist.
2.7.
[gedaagde] is ook aansprakelijk voor de schade van Woonstad over de periode vanaf de ontruiming tot de oorspronkelijke einddatum van de huurovereenkomst (artikel 6:277 BW Pro). Die einddatum is 31 januari 2028. De omvang van deze schade kan nog niet worden begroot. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat (artikel 612 Rv Pro). Dat houdt in dat de schade van Woonstad vanaf de ontruiming op een later moment in een andere procedure moet worden vastgesteld.
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat Woonstad genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Woonstad moet betalen de rente van € 8,20 die Woonstad heeft berekend tot 22 mei 2025. Woonstad eist geen rente over de huur vanaf juni 2025.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonstad moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 745,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 339,00 en 1 punt x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.568,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Onderlinge regeling?
2.11.
Tijdens de zitting is gesproken over mogelijkheden voor een onderlinge regeling tussen Woonstad en [gedaagde] . Namens Woonstad is meegedeeld dat zij bereid is om met [gedaagde] te onderzoeken of een regeling mogelijk is en om – als zij inderdaad samen een goede regeling kunnen afspreken – dit vonnis dan niet te gebruiken en [gedaagde] dan dus niet de bedrijfsruimte te laten ontruimen. Om de mogelijkheden voor een regeling te onderzoeken, kan [gedaagde] contact opnemen met (de gemachtigde van) Woonstad.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad te betalen € 15.255,28 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 6.237,55 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis de bedrijfsruimte aan de [adres] in ( [postcode] ) Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf januari 2026 tot aan de datum van dit vonnis € 1.293,67 per maand aan Woonstad te betalen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf de datum van dit vonnis tot en met dag van de ontruiming van het gehuurde € 1.247,51 per maand aan Woonstad te betalen;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] om de schade van Woonstad vanaf de ontruiming te betalen, op te maken bij staat;
3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.568,45;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.