ECLI:NL:RBROT:2026:8311

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/10/721226 / JE RK 26-1146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWartikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in pleegzorg

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee jonge kinderen in pleegzorg, nadat zij in juni 2026 met spoed uit huis zijn geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun thuissituatie.

De kinderrechter heeft op 18 juni 2026 tijdens een zitting met gesloten deuren de machtiging verlengd tot 7 augustus 2026. De kinderen verblijven momenteel in afzonderlijke pleeggezinnen. Er zijn signalen van geweld door de vader tegen de moeder, en de opvoedvaardigheden van de ouders worden als onvoldoende beoordeeld. De moeder verblijft tijdelijk in een hotel en staat open voor hulpverlening, terwijl de vader een contactverbod heeft en zijn rol in de zorg nog nader onderzocht moet worden.

De kinderrechter acht voortduring van de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de kinderen en benadrukt het belang van spoedige duidelijkheid over terugplaatsing en uitbreiding van omgang. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een zitting op 6 augustus 2026, waarbij alle betrokkenen worden opgeroepen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 7 augustus 2026 met onmiddellijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721226 / JE RK 26-1146
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Nentjes, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 juni 2026, waarbij op een deel van het verzoek van de Raad is beslist en de beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader en zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [persoon A] ;
  • een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan de hulpverlener van de moeder, [persoon C] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland.
1.4. Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Tigrinja, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van tolk H. Salvatore, in de taal Tigrinja. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
Op 9 juni 2026 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. De voorlopige ondertoezichtstelling loopt tot 9 september 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging geldt tot 7 juli 2026.
2.3.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven momenteel, afzonderlijk van elkaar, in een bestandspleeggezin.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en de GI een machtiging te verlenen tot plaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een pleeggezin voor de duur van drie maanden. De Raad heeft verzocht hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op een deel van dit verzoek is al beslist. Er moet nu nog worden beslist op het verzoek tot uithuisplaatsing in de periode van 7 juli 2026 tot 9 september 2026.
3.2.
De Raad heeft het resterende deel van het verzoek ter zitting – samengevat – toegelicht als volgt. Uit de informatie die is verkregen van Fier en Ambulante Spoedhulp blijkt dat sprake is van een zwaar belast gezinssysteem. Ook zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders. Een gezinsopname kan helpend zijn. Daarmee kan zicht worden verkregen op de opvoedvaardigheden van de ouders.

4.De standpunten

4.1.
De GI steunt het verzoek van de Raad en licht dat – samengevat – toe als volgt. Op dit moment is onvoldoende duidelijk welke hulpverlening nodig is om een veilige terugkeer van de kinderen mogelijk te maken. Onderzocht moet worden welke hulp passend is. Bekeken wordt of een gezinsopname mogelijk is, of een andere vorm van intensieve hulpverlening. De GI onderzoekt ook welke rol de vader kan spelen, en of de omgang tussen de ouders en de kinderen in de komende periode kan worden uitgebreid.
4.2.
De moeder verzet zich niet tegen verlenging van de machtiging. Door en namens haar wordt – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De moeder mist de kinderen en maakt zich zorgen over hun welzijn. Zij wil dat de kinderen zo snel mogelijk worden teruggeplaatst. Tegelijkertijd begrijpt zij dat eerst moet worden bekeken hoe een thuisplaatsing veilig en stabiel kan worden vormgegeven. De moeder verblijft momenteel in een hotel en beschikt nu niet over een stabiele thuissituatie. Zij staat open voor hulpverlening, ook voor een opname in een moeder-kindvoorziening.
4.3.
De vader verzet zich ook niet tegen verlenging, maar wel tegen de verzochte duur daarvan. Door en namens hem wordt – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er is te weinig aandacht voor de mogelijkheden van de vader. De vader heeft jarenlang hard gewerkt om de komst van de moeder en de kinderen naar Nederland mogelijk te kunnen maken. Sinds hun komst naar Nederland, vervult de vader een belangrijke rol in de dagelijkse zorg voor de kinderen. Onderzocht moet worden of de kinderen bij hem kunnen worden teruggeplaatst. Het contact tussen de ouders en de kinderen is momenteel zeer beperkt. Zij zien elkaar een uur per week. Bekeken moet worden of dat kan worden uitgebreid. Belangrijk is verder dat de kinderen zo snel mogelijk weer samen zijn. Zij verblijven nu in verschillende pleeggezinnen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat voortduring van de plaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een pleeggezin noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2. De 5-jarige [voornaam minderjarige 1] en 4-jarige [voornaam minderjarige 2] zijn pasgeleden met spoed uit huis geplaatst, omdat er grote zorgen waren over hun thuissituatie. Er zijn signalen van geweldgebruik door de vader tegen de moeder, waar de kinderen getuige van zouden zijn geweest. Na een politiemelding in mei 2026, heeft de vader een huisverbod gekregen tot 14 juni 2026, en een contactverbod met de moeder voor de duur van drie maanden. De moeder is toen met de kinderen ondergebracht in een woonvoorziening van Fier. Daar werd gezien dat de moeder voortdurend ondersteuning nodig heeft bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarom is, na de terugkeer van de moeder en de kinderen naar huis, Ambulante Spoedhulp ingezet. Dat bleek echter niet afdoende. Er zijn grote zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en haar mogelijkheden om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Zo is een van de kinderen, toen de moeder onvoldoende oplette, op een stoel geklommen op het balkon van hun woning op de 14e etage van een flatgebouw. Intensievere hulpverlening is dus nodig om een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder op verantwoorde wijze vorm te kunnen geven, bijvoorbeeld in de vorm van een gezinsopname en/of plaatsing in een moeder-kindvoorziening. Ook een thuisplaatsing van de kinderen bij de vader, die inmiddels teruggekeerd is naar zijn woning, is op dit moment niet aan de orde. Gezien de signalen van geweldgebruik door de vader, zal er eerst meer zicht moeten komen op zijn opvoedvaardigheden en op de interactie tussen de vader en de kinderen. Uit het raadsrapport komt naar voren dat [voornaam minderjarige 2] angstig is voor de vader. Verder is op dit moment nog onduidelijk of de vader en de moeder, die zwanger is van hun derde kind, samen verder gaan of niet. Ook daar moet duidelijkheid over komen en zo nodig hulpverlening voor worden ingezet.
5.3.
Omdat er nog het nodige moet worden uitgezocht en ingezet om de veiligheid van de kinderen bij de ouders te kunnen waarborgen, verlengt de kinderrechter de machtiging tot plaatsing van de kinderen in een pleeggezin. Belangrijk is wel dat er haast wordt gemaakt. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn nog erg jong en wonen pas sinds december 2025 in Nederland. Zij verblijven in voor hen vreemde gezinnen, in een voor hen relatief nieuw land met een andere cultuur, apart van elkaar. Dat is ingrijpend. Om vinger aan de pols te kunnen houden, verlengt de kinderrechter de machtiging met een kortere periode dan verzocht, namelijk met een maand, en houdt zij de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan. In de tussentijd zal niet alleen moeten worden onderzocht of, en hoe, een terugplaatsing van de kinderen bij de ouders, of één van hen, kan worden gerealiseerd, maar ook of, en hoe, de omgang tussen de ouders en de kinderen kan worden uitgebreid.
5.4.
De behandeling van het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot de zitting van 6 augustus 2026. De Raad wordt verzocht om uiterlijk een week vóór die datum de kinderrechter te informeren over de stand van zaken op dat moment en een kopie daarvan te sturen aan de GI, de vader, de moeder en hun advocaten.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en, alvorens verder te beslissen:6.3. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan en roept de Raad, de GI, de vader, de moeder en hun advocaten op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A.M.I. van der Does op
6 augustus 2026 om 14:45 uurin de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan het
Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam, om nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.5.
verzoekt de Raad
uiterlijk op 30 juli 2026de verzochte rapportage aan de kinderrechter toe te sturen, en een kopie daarvan aan de GI, de vader, de moeder en hun advocaten te sturen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 3 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek