ECLI:NL:RBROT:2026:8245

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4699
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 2.38 Wet brpArt. 2.60 Wet brpArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering inschrijving in basisregistratie personen

Verzoekers, bestaande uit een moeder en haar twee zonen, dienden een verzoek in tot inschrijving in de basisregistratie personen (brp) bij de gemeente Rotterdam. De inschrijving werd op 3 juni 2026 mondeling geweigerd omdat verzoekers niet beschikten over het juiste verblijfsrecht, aangezien zij op dat moment met een toeristenvisum in Nederland verbleven.

Verzoekers maakten bezwaar tegen deze weigering en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de mondelinge weigering als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, waardoor een voorlopige voorziening mogelijk is.

Echter, verzoekers hadden op 29 juni 2026 per e-mail meegedeeld dat zij inmiddels in een andere gemeente (Den Haag) waren ingeschreven in de brp, waardoor het spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening was komen te vervallen. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af.

Tijdens de zitting erkende de gemachtigde van het college dat verzoeker met een geldig Nederlands paspoort direct had moeten worden ingeschreven en dat verzoekers zich opnieuw konden melden zodra hun verblijfsrecht was gewijzigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering tot inschrijving in de basisregistratie personen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4699
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: A. Khottour),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een afwijzing van drie aanvragen tot inschrijving in de basisregistratie personen (brp). Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Procesverloop

2. Op 3 juni 2026 heeft het college mondeling geweigerd verzoekers in te schrijven in de brp. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. Op 26 juni 2026 hebben verzoekers hierop gereageerd.
5. Op 29 juni 2026 hebben verzoekers per e-mailbericht aangegeven verhinderd te zijn voor de zitting en verzocht om aanhouding van de zitting.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om aanhouding afgewezen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.
5.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het om in deze zaak?

6. Verzoekers zijn op 22 mei 2026 in Nederland aangekomen. Verzoekster [verzoeker 1] en haar zoon [verzoeker 2] beschikken over een facilitair C-visum. De andere zoon van verzoekster, [verzoeker 3] , beschikt over een geldig Nederlands paspoort. Verzoekers hebben op 1 juni 2026 aanvragen ingediend voor EU-verblijfsdocumenten op grond van verblijf bij een Nederlands kind. Op 3 juni 2026 hebben verzoekers zich gemeld bij de gemeente Rotterdam voor inschrijving in de brp. Deze inschrijving is door de behandelend ambtenaar geweigerd, omdat verzoekers niet beschikten over het juiste visum en dus geen sprake was van rechtmatig verblijf. Verzoekers zijn het niet eens met die weigering tot inschrijving in de brp. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt opgedragen dat zij in de brp worden ingeschreven.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. In artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald wanneer de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen. Daarvoor moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo moet bezwaar zijn gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de mondelinge weigering van de behandelend ambtenaar van de afdeling Burgerzaken van het college, gelet op artikel 2.60 van de Wet brp, gelijk kan worden gesteld aan een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Uit de rechtspraak blijkt dat rechtmatig verblijf in Nederland in de Wet brp niet geldt als een voorschrift voor het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving in de brp. Rechtmatig verblijf is wel een voorwaarde waaraan moet worden voldaan om op basis van artikel 2.38 van de Wet brp ingeschreven te kunnen worden. Wordt niet aan deze voorwaarde voldaan, dan kan het college het verzoek tot inschrijving in de brp afwijzen. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mondelinge weigering van het college aan te merken is als een besluit. Dit betekent ook dat de voorzieningenrechter een oordeel kan geven over het verzoek om een voorlopige voorziening.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers geen spoedeisend belang meer hebben bij de beoordeling van hun verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben in het e-mailbericht van 29 juni 2026 immers medegedeeld dat zij per die datum in de gemeente Den Haag zijn ingeschreven in de brp. Verzoekers hebben als bijlage bij de e-mail een bewijs van inschrijving overgelegd.
11. De voorzieningenrechter constateert nog dat de gemachtigde van het college tijdens de zitting ten aanzien van het afgewezen verzoek tot inschrijving heeft verklaard dat intern is nagegaan hoe de afspraak op 3 juni 2026 is verlopen. Die dag is aan verzoekers medegedeeld dat zij te snel na hun aanvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hun verzoek om inschrijving in de brp indienden, omdat verzoekers [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op dat moment in Nederland verbleven met een toeristen (C-)visum. Aan verzoekers is op dat moment ook medegedeeld dat zij zich, op het moment dat hun verblijfsrecht zou wijzigen en zij hierover bericht zouden krijgen van de IND, opnieuw in persoon moesten melden bij de gemeente voor de inschrijving. De gemachtigde van het college benadrukte tijdens de zitting dat in het geval van verzoekers inmiddels sprake is van rechtmatig verblijf en dat wanneer verzoekers zich op dit moment persoonlijk zouden melden bij de gemeente, zij daadwerkelijk ingeschreven zouden kunnen worden. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting ook erkend dat verzoeker [verzoeker 3] wel meteen had moeten worden ingeschreven, omdat hij beschikt over een geldig Nederlands paspoort. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegezegd nog telefonisch contact op te nemen over deze gang van zaken met de gemachtigde van verzoekers.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en/of vergoeding van het griffierecht.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026 door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.