ECLI:NL:RBROT:2026:8214

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
C/10/716331 / HA ZA 26-235
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 477a lid 2 RvArt. 477a lid 3 RvArt. 208 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling in betwistingsprocedure proceskosten

In deze civiele procedure vordert TPF Groep dat Bincx zekerheid stelt voor de proceskosten van TPF Groep, onder dreiging van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De hoofdzaak betreft een betwistingsprocedure over de juistheid van een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv.

De rechtbank beoordeelt dat TPF Groep onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het gebruik van de discretionaire bevoegdheid tot zekerheidstelling rechtvaardigen. Met name ontbreekt een onderbouwing van een reëel verhaalsrisico bij Bincx, terwijl Bincx dit ontkent.

Daarom wijst de rechtbank de vordering tot zekerheidstelling af en veroordeelt TPF Groep in de proceskosten van het incident, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting op 22 juli 2026, met aanhouding van verdere beslissingen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling af en veroordeelt TPF Groep in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716331 / HA ZA 26-235
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van
BINCX B.V.,
vestigingsplaats: Kootwijkerbroek,
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,
tegen
TPF GROEP B.V.,
vestigingsplaats: Brielle,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. M.W. Renzen.
Partijen worden hierna Bincx en TPF Groep genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 24;
  • het herstelexploot van 4 maart 2026;
  • de incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 208 lid 1 Rv Pro tevens houdende conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 3;
  • de conclusie van antwoord in incident.

2.Het geschil in het incident

2.1.
TPF Groep vordert om Bincx – op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak – te verplichten om binnen vier weken na de datum van dit vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten van TPF Groep:
primairvoor een bedrag van € 12.034,09;
subsidiairvoor een bedrag van € 11.316,71;
door voornoemd bedrag te storten op de derdengeldenrekening van het kantoor van haar advocaat dan wel op een nader door de rechtbank te bepalen wijze van zekerheidstelling, met veroordeling van Bincx in de proceskosten van het incident (met rente).
2.2.
Bincx voert verweer tegen de incidentele vordering tot zekerheidstelling. Dat verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van TPF Groep – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van het incident.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De hoofdzaak draait in de kern om de vraag of TPF Groep een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv heeft gedaan en, zo ja, of die verklaring correct en/of volledig is. De hoofdzaak is daarmee een zogenoemde verklarings- en betwistingsprocedure. In betwistingsprocedures kan de rechter op grond van het bepaalde in artikel 477a lid 2 derde volzin Rv op verlangen van de derde-beslagene (in dit geval TPF Groep) bepalen dat de executant (in dit geval Bincx) op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid stelt voor de proceskosten waarin hij tegenover de derde-beslagene kan worden veroordeeld. Gezien de tekst van deze bepaling gaat het hier om een discretionaire bevoegdheid waarvan de rechter al dan niet gebruik kan maken. De bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de derde-beslagene na een betwistingsprocedure met onverhaalbare kosten blijft zitten. De derde-beslagene die zekerheid verlangt, moet zijn daartoe strekkende vordering met voldoende redenen omkleden.
3.2.
TPF Groep heeft in haar conclusie volstaan met het benoemen van haar vordering tot zekerheidstelling en het bedrag waarvoor volgens haar – primair, dan wel subsidiair – zekerheid moet worden gesteld. TPF Groep heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij van mening is dat de rechtbank in dit geval gebruik zou moeten maken van haar discretionaire bevoegdheid om Bincx te veroordelen om zekerheid te stellen. In het bijzonder heeft TPF Groep niet gesteld dat sprake is van een reëel verhaalsrisico aan de zijde van Bincx, terwijl Bincx juist heeft gesteld dat geen sprake is van een verhaalsrisico. TPF Groep heeft haar incidentele vordering dan ook onvoldoende onderbouwd en dat leidt ertoe dat die vordering wordt afgewezen.
3.3.
TPF Groep is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten in het incident van Bincx worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (één punt à tarief II)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
3.4.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt TPF Groep in de proceskosten in het incident van € 842,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rol van
22 juli 2026voor opgave verhinderdata van beide partijen over de maanden augustus 2026 tot en met februari 2027;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
3349 / 3669