ECLI:NL:RBROT:2026:8018

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
11920618 CV EXPL 25-21664
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 139 RvArt. 237 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf en onderverhuur

De Stichting Woonplus vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, stellende dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en de woning zonder toestemming aan derden, waaronder een tweede gedaagde, in gebruik is gegeven of onderverhuurd.

De rechtbank oordeelt dat Woonplus onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te tonen dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Het onderzoek van Bureau Veerkracht en getuigenverklaringen zijn onvoldoende overtuigend en het leefritme van de huurder verklaart het lage nutsverbruik. Ook de door Woonplus aangevoerde omstandigheden zijn niet zwaarwegend.

Ten aanzien van de vermeende onderverhuur aan de tweede gedaagde is vastgesteld dat Woonplus al geruime tijd op de hoogte was van diens aanwezigheid en pas laat in de procedure actie ondernam. Bovendien is de tweede gedaagde inmiddels vertrokken en uitgeschreven. Dit rechtvaardigt geen ontbinding van de huurovereenkomst.

De rechtbank concludeert dat de gestelde tekortkomingen niet zijn komen vast te staan of niet leiden tot ontbinding. De vorderingen worden afgewezen en Woonplus wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat er sprake is van onderverhuur.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11920618 CV EXPL 25-21664
datum uitspraak: 10 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 1,
gemachtigde: mr. W.J.J. Trooster,

2..[gedaagde 2] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 2,
die niet is verschenen,
3. [gedaagden sub 3] [woonplaats],
gedaagden sub 3,
die niet zijn verschenen.
Eiseres wordt hierna ‘Woonplus’ genoemd, gedaagde sub 1 wordt hierna ‘ [gedaagde 1] ’ genoemd en gedaagde sub 2 wordt hierna ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 3 oktober 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlage;
  • de akte van Woonplus van 1 juni 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig
[persoon A] namens Woonplus met de gemachtigde en [gedaagde 1] met zijn gemachtigde.
[gedaagde 2] en gedaagden sub 3 zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend (artikel 139 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] huurt sinds 7 mei 2015 van Woonplus de woning aan de [adres] in Schiedam (hierna: de woning). Volgens Woonplus heeft [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in de woning en heeft hij de woning de afgelopen jaren zonder haar toestemming aan anderen, waaronder [gedaagde 2] , in gebruik gegeven of onderverhuurt. Zij eist daarom dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat iedereen die in de woning verblijft deze verlaat. [gedaagde 1] is het hier niet mee eens. De vordering wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Hoofdverblijf?
2.2.
Het is aan Woonplus om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Dat heeft zij echter onvoldoende gedaan. Het onderzoek van Bureau Veerkracht dat in opdracht van Woonplus tussen juni 2023 en december 2023 is uitgevoerd, bestaat uit getuigenverklaringen van omwonenden van de woning en van de woning van de ex-partner van [gedaagde 1] . Nog daargelaten dat deze verklaringen geen duidelijkheid geven over de woonsituatie vanaf 2024, gaat het om een (zeer) beperkt aantal getuigen en is de inhoud van hun verklaringen niet zodanig dat dat concrete aanwijzingen oplevert dat [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en bij zijn ex-partner verblijft. Over de constatering van Woonplus dat [gedaagde 1] bij onaangekondigde huisbezoeken en tijdens verbouwingswerkzaamheden niet in de woning is aangetroffen, heeft hij toegelicht dat hij doordeweeks als zelfstandig steigerbouwer structureel lange werkdagen maakt van 04:00 uur tot 20:00 uur, vaak buiten de regio, en dat hij daarom overdag niet in of rond de woning aanwezig is. Op basis van de stukken en het gesprek op de zitting is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit beschreven leefritme. Dit leefritme is volgens hem ook een reden dat het verbruik van nutsvoorzieningen lager is dan gemiddeld, waarbij er verder op is gewezen dat de woning een tussenwoning is die “profiteert” van de warmte van de buren. Voor zover Woonplus nog heeft benadrukt wat [gedaagde 1] tijdens een gesprek op 18 juni 2025 heeft gezegd, kan haar dat evenmin baten. Hij heeft de weergave van dat gesprek, zoals opgenomen in de dagvaarding, namelijk op punten gemotiveerd weersproken. Omdat het gesprek niet aan hem is bevestigd of op een andere wijze is vastgelegd, kan de juistheid daarvan niet worden vastgesteld. Andere omstandigheden die Woonplus heeft genoemd, waaronder dat de woning niet is ingericht voor het gebruik door kinderen, zijn niet alleen toegelicht of weersproken, maar ook te weinig zwaarwegend om een bijdrage te kunnen leveren aan het standpunt dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft. Een en ander betekent dat niet wordt toegekomen aan de ‘verzwaarde stelplicht’ aan de zijde van [gedaagde 1] .
Ingebruikgeving/onderverhuur?
2.3.
Woonplus stelt voorts dat [gedaagde 1] de woning zonder toestemming in gebruik heeft gegeven of heeft onderverhuurd aan onder meer [gedaagde 2] . Uit het gesprek op de zitting is duidelijk geworden dat Woonplus al geruime tijd op de hoogte was van de al dan niet tijdelijke aanwezigheid van [gedaagde 2] in de woning en dat zij in 2024 veelvuldig contact met [gedaagde 2] had en hem ook meermalen in de woning heeft aangetroffen. Toen heeft zij kennelijk geen aanleiding gezien daartegen op te treden. Waarom zij ervoor heeft gekozen pas in deze procedure huurrechtelijke gevolgen aan die situatie te verbinden, is onduidelijk gebleven. Bovendien staat vast dat [gedaagde 2] per 7 november 2025 de woning heeft verlaten en is uitgeschreven uit de BRP. Voor zover het tijdelijk verblijf van [gedaagde 2] al een tekortkoming van [gedaagde 1] zou opleveren, rechtvaardigt die geen ontbinding van de huurovereenkomst (artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarbij is van belang dat Woonplus niet direct heeft opgetreden terwijl zij al van de situatie op de hoogte was en dat de situatie inmiddels weer in overeenstemming is met de huurovereenkomst
Conclusie
2.4.
Gelet op het bovenstaande is de conclusie dat de door Woonplus gestelde tekortkoming niet is komen vast te staan dan wel deze een ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Daarnaast is niet gebleken dat er naast [gedaagde 1] nog anderen in de woning verblijven. De vorderingen van Woonplus zullen dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
2.5.
Woonplus wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Woonplus aan [gedaagde 1] moet betalen op € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 542,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt Woonplus in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] worden begroot op € 542,50.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954