ECLI:NL:RBROT:2026:8002

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/707928 / FA RK 25-7578
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging vakantieregeling omgangsrecht minderjarige na gewijzigde omstandigheden

De vrouw verzocht de rechtbank om wijziging van de omgangsregeling met betrekking tot de vakanties van hun minderjarige kind, omdat partijen zelf geen afspraken konden maken en de man zich onttrok aan zijn zorgverantwoordelijkheid. De rechtbank constateerde dat de man ondanks het hebben van een eigen woning de bestaande afspraken niet nakwam en dat de vrouw vrijwel de volledige zorg op zich nam.

De rechtbank oordeelde dat dit onredelijk was en dat het belang van de minderjarige bij contact met beide ouders zwaarwegend is. Daarom werd de vakantieregeling gewijzigd zodat de man vier vakantieweken per jaar voor zijn rekening neemt, waaronder de eerste week van de zomervakantie, de gehele voorjaars- en herfstvakantie, en een week in de kerstvakantie volgens een roulatiesysteem.

Daarnaast werd bepaald dat de man zich moet inzetten om de familiebanden tussen de minderjarige en zijn halfzusje en stieffamilie te bevorderen, eventueel met hulpverlening. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de vakantieregeling zodat de man vier vakantieweken per jaar met de minderjarige doorbrengt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707928 / FA RK 25-7578
Beschikking van 29 juni 2026 de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland,
t e g e n
[naam 2], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 07 oktober 2025;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 12 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 01 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
Bij beschikking van 7 mei 2024 van deze rechtbank is de tussen partijen getroffen omgangsregeling zoals neergelegd in het op 21 december 2023 ondertekende ouderschapsplan opgenomen. Hierin is, voor zover in deze procedure van belang en kort weergegeven, het volgende vastgelegd:
  • wanneer de man een eigen woning heeft zal de minderjarige in de oneven weken in het weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de man verblijven;
  • wanneer de man een eigen woning heeft zullen partijen een definitieve afspraak maken voor een gelijke verdeling van 50%-50% voor de vakanties en feestdagen.

3.De beoordeling

3.1.
Omgangsregeling
3.1.1.
De vrouw verzoekt de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) zoals vastgesteld bij beschikking van 7 mei 2024 te wijzigen dan wel aan te vullen voor zover deze de vakanties betreft, en de volgende vakantieregeling te bepalen:
  • de minderjarige zal tijdens elke zomervakantie de weken twee tot en met zes bij de vrouw verblijven en de eerste week bij de man;
  • de minderjarige zal elke kerstvakantie één week bij de vrouw verblijven en één week bij de man. In de oneven jaren is de minderjarige de tweede week bij de man (inclusief oud en nieuw) en de eerste week bij de vrouw. In de even jaren is dit andersom;
  • tijdens de voorjaarsvakantie, meivakantie en herfstvakantie is de minderjarige volledig bij de man;
  • uitsluitend voor kerstavond en de kerstdagen wordt afgeweken van de afspraak in het ouderschapsplan dat wanneer een feestdag in de vakantie valt, de vakantieregeling bepalend is. In de oneven jaren zal de minderjarige op kerstavond van 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten, uiterlijk 21:00 uur, bij de man zijn. In de even jaren zal de minderjarige op kerstavond vanaf 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten, uiterlijk 21:00 uur, bij de vrouw verblijven.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.4.
Gebleken is dat partijen in het door hen ondertekende ouderschapsplan concrete afspraken hebben gemaakt over de vakanties in 2023 en 2024. Vanaf het moment dat de man een eigen woning heeft, zouden partijen verdere definitieve afspraken maken, uitgaande van een gelijke verdeling van 50%-50%. Partijen zijn daarin echter niet geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat daardoor sprake is van gewijzigde omstandigheden en zal het verzoek van de vrouw inhoudelijk beoordelen.
3.1.5.
De vrouw stelt dat de man zich onttrekt aan zijn verantwoordelijkheid over de minderjarige en dat hij de dagelijkse zorg vrijwel volledig aan de vrouw overlaat. Zowel de reguliere omgangsregeling als de vakantieregeling komt de man niet na, ondanks dat de man inmiddels een eigen woning heeft. De vrouw wil graag dat de man meer contact heeft met de minderjarige, maar dit komt niet van de grond.
3.1.6.
De man erkent dat hij nalaat om uitvoering te geven aan omgangsregeling. Hij voert aan dat het hem niet lukt om voor de minderjarige beschikbaar te zijn tijdens de vakanties. De problemen waar hij tegenaan loopt zijn zowel praktisch als financieel van aard. Zo lukt het hem niet om (extra) vrije dagen te krijgen op zijn werk en heeft hij het geld van de overuren die hij maakt nodig om financieel rond te komen.
3.1.7.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van de man, is de rechtbank van oordeel dat het onredelijk is dat de vrouw daardoor vrijwel de volledige zorg over de minderjarige tijdens de vakanties op zich moet nemen. Daarnaast is het voor de minderjarige ook van belang dat hij tijd kan doorbrengen met zijn vader. De rechtbank zal dan ook overgaan tot wijziging van de vakantieregeling. De rechtbank zal rekening houden met de bezwaren van de man, in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat hij vier (school)vakantieweken voor zijn rekening neemt. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij 25 vakantiedagen heeft. Op deze manier moet hij maximaal 20 dagen hiervan voor de vakantieregeling gebruiken en houdt hij 5 dagen over voor andere afspraken. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met het feit dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat de minderjarige elke dag in de vakantie ook op de BSO terecht kan en dat de man daarvan ook gebruik kan maken in zijn vakantieweken. De man is hiervan op de hoogte, aangezien de vrouw onbetwist heeft verklaard dat de man in de kerstvakantie ook al gebruik heeft gemaakt van de BSO.
3.1.8.
De rechtbank zal de vakantieregeling wijzigen en bepalen dat de minderjarige in de vakanties voortaan bij de man is als volgt:
  • tijdens de kerstvakantie in de oneven jaren de tweede week (inclusief oud en nieuw) en in de even jaren de eerste week, waarbij in de oneven jaren de minderjarige op kerstavond van 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten uiterlijk 21:00 uur bij de man zal zijn en in de even jaren op kerstavond vanaf 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten, uiterlijk 21:00 uur bij de vrouw zal zijn;
  • de eerste week van de zomervakantie;
  • de gehele voorjaarsvakantie;
  • de gehele herfstvakantie.
3.1.9.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over het feit dat de minderjarige zijn halfzusje en stiefmoeder aan de kant van de man nog niet heeft ontmoet. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het van belang is dat dat gaat veranderen en dat voor het goed begeleiden hiervan wellicht hulpverlening wordt ingeschakeld. De man zal zich moeten inzetten om de familiebanden tussen de minderjarige en zijn halfzusje en stieffamilie op een verantwoorde manier te laten ontstaan, zodat de minderjarige op een goede manier met hen kan kennismaken.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de vakantieregeling zoals partijen zijn overeengekomen in het op 21 december 2023 ondertekende ouderschapsplan, welke is opgenomen in en gehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2024, en bepaalt dat de minderjarige in het kader van de vakantieregeling bij de man zal zijn als volgt:
  • tijdens de kerstvakantie in de oneven jaren de tweede week (inclusief oud en nieuw) en in de even jaren de eerste week, waarbij in de oneven jaren de minderjarige op kerstavond van 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten, uiterlijk 21:00 uur, bij de man zal zijn en in de even jaren op kerstavond vanaf 18:00 uur tot eerste kerstdag na het avondeten, uiterlijk 21:00 uur, bij de vrouw zal zijn;
  • de eerste week van de zomervakantie;
  • de gehele voorjaarsvakantie;
  • de gehele herfstvakantie;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 29 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.