ECLI:NL:RBROT:2026:7848

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10/115340-22 en 10-050974-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel en witwassen harddrugs met procesafspraken

De rechtbank Rotterdam heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen betrokken was bij de handel in cocaïne en heroïne en het witwassen van crimineel verkregen geld. De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, voorbereidingshandelingen voor de handel daarin, en witwassen en gewoontewitwassen.

De zaak betrof onder meer de aanwezigheid van grote hoeveelheden cocaïne en heroïne in woningen te Rotterdam, het gebruik van versnijdingsmiddelen en geldbedragen die bestemd waren voor drugshandel. De verdachte had een aansturende rol in deze criminele activiteiten. Procesafspraken tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie leidden tot een overeenkomst over de strafoplegging, waarbij de rechtbank de vrijwilligheid en eerlijkheid van deze afspraken bevestigde.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een geldboete van €50.000,-. De straf werd verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte, het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte deed afstand van de in beslag genomen goederen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer strafzaken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van €50.000,-

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10/115340-22 en 10-050974-22 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Datum zitting: 6 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] (detentieadres),
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Advocaat van de verdachte: mr. K. Blonk
Officier van justitie: mr. E.M. ter Braak
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
Parketnummer 10/115340-22
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,
althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en/of 134,0 gram Mannitol en/of 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en/of
- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en/of
- een (druk)pers en/of een vacuurmachine en/of een weegschaal en/of een/of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;
3.
hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;
Parketnummer 10-050974-22
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in/of omstreeks de periode van 21 februari 2019 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten
- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voornoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in/of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader
(een of meer voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van 86.363 euro en/ of
- een geldbedrag van 5.558,10 euro en/of
- een geldbedrag van 1.250 euro en/of
- een geldbedrag van 720 euro
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

2.Procesafspraken

Totstandkoming van de procesafspraken
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 9 januari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 22 april 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Inhoud van de procesafspraken
Voor zover van belang houden de procesafspraken het volgende in:
De verdachte:
  • zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • doet afstand van de in beide zaken in beslag genomen goederen, te weten:
 in de zaak met parketnummer 10/115340-22 (de zaak [zaaknaam 1] ): contant geld ter waarde van in totaal € 5.701,28;
 in de zaak met parketnummer 10-050974-22 (de zaak [zaaknaam 2] ): contant geld ter waarde van € 45.089,06 en een auto (Seat) ter waarde van € 16.800,- en kleding ter waarde van € 8.191,-.
Totale waarde van het beslag = € 70.800,-.
De officier van justitie:
  • zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten alle ten laste gelegde feiten;
  • zal een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (voor de feiten in de zaak [zaaknaam 1] ) en een geldboete van € 50.000,- (in de zaak [zaaknaam 2] ) eisen.
Beide partijen:
- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.
De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.
3.2.
Oordeel van de rechtbank
3.2.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezen is dat:
Parketnummer 10/115340-22
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 1.390 gram cocaïne en
- 183,8 gram heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
-
voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en
- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en
- bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en
- een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en/of een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;
3.
hij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander,
om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken, van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en/of beschikbaar gesteld gekregen en
- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;
Parketnummer 10-050974-22
1.
hij op 21 februari 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een voorwerp, te weten
- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld
heeft voorhanden gehad
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
2.
hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader
voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van 86.363 euro en
- een geldbedrag van 5.558,10 euro en
- een geldbedrag van 1.250 euro en,
- een geldbedrag van 7.230 euro
heeft verworven en voorhanden gehad en van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 10/115340-22
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 3:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Parketnummer 10-050974-22
Feit 1:
medeplegen van witwassen;
Feit 2:
medeplegen van gewoontewitwassen.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straffen

5.1.
Beoordeling van de procesafspraken
Tijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.
5.2.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, aanvullend op de procesafspraken heeft de officier van justitie subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis gevorderd.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte samen met een andere mededader gedurende een periode van bijna een jaar voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in heroïne, waarbij zij gebruikt maakten van een andere woning en daarin aanwezige versnijdingsvoorwerpen. De verdachte had hierbij een grote, aansturende rol. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan witwassen en gewoontewitwassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten, wordt de integriteit van het economische verkeer aangetast en dat is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer.
5.4.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt van een aantal veroordelingen van lang geleden.
5.4.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 4 maart 2024, de datum waarop de dagvaarding in de zaak met parketnummer 10/115340-22 aan de verdachte is betekend. De rechtbank gaat uit van deze datum omdat de verdachte pas later is aangehouden, namelijk op 9 november 2025 nadat hij in Nederland is aangekomen. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en twee maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
5.4.4.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar (en langer) geleden zijn gepleegd, er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met een geldboete van € 50.000,-.
Alles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.
De periode van 179 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6.In beslag genomen voorwerpen

Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de overgelegde lijsten. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10/115340-22 en de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-050974-22, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
6 (zes) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een
geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend);
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
285 (tweehonderdvijfentachtig dagen).

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.
Mrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.