ECLI:NL:RBROT:2026:7837

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
TUL: 10-100184-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf ondanks ernstige ziekte veroordeelde

De rechtbank Rotterdam behandelde de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden die aan de veroordeelde was opgelegd bij vonnis van 11 december 2024. De veroordeelde had de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke straf overtreden, waaronder het niet meewerken aan reclasseringsmaatregelen en behandeling.

De verdediging voerde aan dat de veroordeelde, vanwege een vergevorderde vorm van prostaatkanker en een verslechterde gezondheidstoestand, niet in staat was de straf uit te zitten en dat de proeftijd verlengd moest worden. De reclassering en een forensisch arts rapporteerden echter dat de veroordeelde insluitingsgeschikt is en dat de medische situatie geen belemmering vormt voor detentie.

De rechtbank oordeelde dat de overtreding van de voorwaarden verwijtbaar was en dat de gezondheidstoestand geen belemmering vormt voor de tenuitvoerlegging. De straf wordt niet alleen opgelegd ter voorkoming van recidive maar ook als vergelding. Daarom werd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gelast in een penitentiaire inrichting die de benodigde zorg kan bieden.

Uitkomst: De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden ondanks de ernstige ziekte van de veroordeelde.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer TUL: 10-100184-22
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde:
[verdachte] ,
geboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1954,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gemachtigd raadsman mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam.

1.Vordering

Op 2 februari 2026 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 13 maanden die de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank bij vonnis van 11 december 2024 voorwaardelijk aan de veroordeelde heeft opgelegd.
Bij de vordering is gevoegd een rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) d.d. 27 maart 2025. Voorts zijn later nog bij de stukken gevoegd: een rapport van de Forensisch Artsen Rotterdam-Rijnmond (hierna: FARR) d.d. 26 mei 2026, een mailbericht van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) d.d. 2 juni 2026 en een mailbericht van de reclassering van 28 mei 2026.

2.Feiten

Bij het vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Een deel van die straf, groot 13 maanden, is voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren (hierna: de voorwaardelijke straf). De gestelde voorwaarden zijn onder meer:
de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25, 6624 LA Maastricht of op telefoonnummer 088-8041501. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de veroordeelde laat zich opnemen in [zorginstelling 1] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo snel als mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de veroordeelde laat zich behandelen door [zorginstelling 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, observatie of diagnostiek. Als de voor de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
De mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 januari 2026 aan de veroordeelde verzonden. De proeftijd is dus inmiddels geruime tijd geleden ingegaan.

3.Procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 juni 2026.
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd. De veroordeelde zelf was niet aanwezig. Wel verschenen is zijn gemachtigd raadsman.
De als getuige-deskundige opgeroepen reclasseringswerker die met het reclasseringstoezicht is belast is wegens verhindering niet verschenen. Hij heeft, in aanvulling op het reclasseringsadvies, op 27 mei 2026 een e-mail verzonden aan de officier van justitie. Die mail is, zoals hiervoor aangegeven, bij de stukken gevoegd.

4.Conclusie officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering wordt toegewezen, zodat de voorwaardelijke straf ten uitvoer kan worden gelegd.

5.Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde 72 jaar oud is en een vergevorderde vorm van prostaatkanker heeft. Dit was bekend tijdens de uitspraak in deze zaak, maar de situatie is verslechterd. Daarnaast heeft de veroordeelde in 2025 een heftige infectie gehad waardoor een ziekenhuisopname en revalidatie nodig waren. Hierdoor is zijn mobiliteit verder verslechterd, is hij bedlegerig en niet meer stabiel.
Het hoofddoel van de opgelegde straf was dat de veroordeelde nooit meer iemand zou behandelen. Met de thans gevorderde tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf wordt dit doel niet bereikt. De proeftijd moet worden verlengd, zodat de voorwaarden van het behandelverbod en het verbod om naar het buitenland te gaan kunnen doorlopen. Uit het reclasseringsadvies van 27 maart 2025 en de e-mail van de reclasseringswerker op 28 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico is verlaagd.

6.Beoordeling vordering

Het
rapport van de reclasseringvan 27 maart 2025 houdt in:
De reclassering is van mening dat de veroordeelde de opgelegde bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Er is geprobeerd om samen met de veroordeelde afspraken te maken over de bijzondere voorwaarden. Echter, in de gesprekken toont hij geen enkel inzicht in zijn psychisch functioneren en is het onmogelijk om tot een realistisch gesprek met hem te komen.
De gezondheid van de veroordeelde is met momenten erg slecht. Het is voor de toezichthouder van de reclassering moeilijk in te schatten of de veroordeelde met momenten zijn (ziekte) gezondheid inzet of dat hij daadwerkelijk te ziek is om mee te werken. Er is op verschillende manieren geprobeerd om de veroordeelde hierin serieus te nemen en ruimte te bieden. Er is met momenten ruimte gegeven in de afspraken, maar er is geen verbetering in de samenwerking gekomen. De bijzondere voorwaarden zijn niet bespreekbaar met de veroordeelde, zonder dat er verwijten richting de reclassering komen. De veroordeelde probeert met momenten aan te geven dat de reclassering hem onthoudt van behandeling van zijn kanker. Dit geeft een zeer onrealistische kijk van de veroordeelde weer op zijn huidige functioneren, daar hij volledig zelf kan besluiten tot het krijgen van medische behandelingen.
Op 17 januari 2025 ontvangt de toezichthouder een attest van de veroordeelde via Whatsapp. Hierin staat: “verklaring voor Reclassering Maastricht [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1954. Ik verklaar niet meer te kunnen meewerken aan de reclasseringsmaatregelen wegens kankerziekte. Ter verklaring voeg ik het medisch attest van mijn huisarts toe”.
Hierna wordt een nieuwe afspraak gemaakt met de veroordeelde samen met zijn begeleider van [zorginstelling 2] in [plaats 1] , waar hij verblijft en wordt begeleid. De veroordeelde geeft aan dat hij doodziek is en in bed hoort te liggen. Het gesprek wordt daarna beëindigd.
De toezichthouder ziet in de houding van de veroordeelde geen enkele medewerking, behalve dat hij zicht lijkt te verschuilen achter het attest en dat dit attest hem ontslaat van de verantwoordelijkheid mee te werken aan de bijzondere voorwaarde. Inhoudelijk hierover een gesprek te hebben blijkt niet mogelijk.
Op 25 februari 2025 stuurt de veroordeelde aan de toezichthouder via Whatsapp een brief van de huisarts, welke aan de veroordeelde zelf gericht is en waarin de huisarts aangeeft dat er door de veroordeelde nog geen vervolgstappen zijn ondernomen om tot een behandeling van zijn kanker te komen.
Hierna is er nog een paar keer contact via Whatsapp, waarin de veroordeelde laat weten erg ziek te zijn. Het is voor toezichthouder niet goed in te schatten of de veroordeelde zijn ziekte inzet om onder het toezicht uit te komen.
De
reclasseringswerkerheeft per e-mail van 28 mei 2026 in aanvulling op het rapport meegedeeld:
De veroordeelde weigert structureel elk contact met de reclassering en houdt zich hiermee niet aan de opgelegde voorwaarden. Ook weigert hij de noodzakelijke behandeling en toont hij hierin geen enkele medewerking.
De veroordeelde verblijft nog steeds bij [zorginstelling 2] . Zijn somatische gesteldheid is wisselend en varieert van bedlegerigheid tot het buitenshuis drinken van koffie. Er is doorlopend contact met de begeleiding op locatie en de politie. De begeleiding geeft aan dat de situatie complex is: de veroordeelde is ernstig ziek en heeft op momenten intensieve (medische) zorg nodig. De huidige locatie is echter niet uitgerust of bevoegd om deze specifieke zorg te leveren. De veroordeelde heeft een passend alternatief aangeboden gekregen, maar weigert hieraan mee te werken.
Gezien het verloop van het toezicht en de hardnekkige weigering van de veroordeelde, ziet de reclassering op dit moment geen mogelijkheden meer voor ambulante begeleiding. Een (klinische) behandeling acht de reclassering inhoudelijk nog steeds noodzakelijk. Het risico op recidive lijkt, als gevolg van de slechte gezondheid en de sterk beperkte mobiliteit van de veroordeelde, inmiddels behoorlijk te zijn afgenomen.
Het
rapport van de FARRvan 27 mei 2026 omtrent de insluitings(detentie) geschiktheid van de veroordeelde houdt in:
Er zijn nu geen aanwijzingen voor acute gezondheidsrisico’s. Er is sprake van een redelijk stabiele situatie met betrekking tot de uitgezaaide prostaatkanker. In 2016 is vastgesteld dat er uitzaaiingen zijn van de prostaatkanker in de buik en andere klieren. Er is daarom sprake van stadium 4 (van 4) prostaatkanker, echter nog niet van terminale ziekte. De veroordeelde wordt tot op heden behandeld met hormoontherapie voor de prostaatkanker. De afgelopen twee jaar zijn er wel aanwijzingen voor groei van de kanker, maar dit gaat zeer geleidelijk en geeft geen reden tot medisch ingrijpen. In januari 2026 zou de veroordeelde voor controle naar de uroloog gaan, echter deze afspraak heeft hij afgezegd.
In 2025 is de veroordeelde nog opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege een ernstige infectie in de diepe buikspieren heeft daarna verbleven in een revalidatie instelling.
Er is sprake van insluitgeschiktheid, wanneer er voldaan wordt aan enkele voorwaarden:
  • Beschikbaarheid van papegaai (bedheffer, hulpmiddel voor boven het bed);
  • Beschikbaarheid van verstelbaar hoog-laag bed of verhoogd bed;
  • Beschikbaarheid van rollator/gebruik van eigen rollator toestaan;
  • Hulp bij schoonmaken van bed en leefruimte;
  • Hulp bij het doen van de was;
  • Verstrekken van incontinentiemateriaal;
  • Verstrekken van urinaal;
  • Verstrekken van glijkous;
  • Faciliteren van de mogelijkheid tot controles door een uroloog (met een voorkeur voor zijn eigen uroloog in het [ziekenhuis] , [plaats 2] . Indien dit niet mogelijk blijkt zou dit overgedragen kunnen worden aan een uroloog in ziekenhuis nabij eventuele detentielocatie).
Prostaatkanker is een vorm van kanker met, afhankelijk van het stadium, een zeer wisselend beloop. Bij de veroordeelde is sinds 2016 sprake van stadium 4 prostaatkanker vanwege uitzaaiingen op afstand. Voor deze groep geldt een 10-jaarsoverleving van ongeveer 28%. Dit betekent dat uit de hele groep patiënten met dit stadium prostaatkanker na 10 jaar 28% nog in leven is. Hoewel dit percentage beperkt lijkt, behoort de veroordeelde inmiddels tot de groep die deze periode heeft overleefd. Dat is prognostisch relevant, aangezien patiënten die reeds tien jaar hebben overleefd, een geschatte kans van 64% hebben om ook de daaropvolgende vijf jaar te overleven.
Het
mailbericht van de DJIvan 2 juni 2026 houdt in:
[zorginstelling 3] heeft de stukken beoordeeld en aangegeven dat ze de medische zorg kunnen bieden.
De rechtbankis op grond van bovenstaande stukken van oordeel dat de veroordeelde de hierboven onder 2 en 3 vermelde bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd.
De rechtbank is op grond van die stukken voorts van oordeel dat de medische situatie van de veroordeelde niet aan naleving van de bijzondere voorwaarden in de weg heeft gestaan en evenmin aan de insluitings- oftewel detentiegeschiktheid van de veroordeelde.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 maanden. Dat het recidiverisico is verlaagd doet er niet aan af dat de veroordeelde zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden en is ook geen reden om de tenuitvoerlegging niet te gelasten. Een straf wordt bovendien niet alleen opgelegd ter voorkoming van herhaling maar ook als vergelding.
De gezondheid van de veroordeelde vormt ook geen belemmering voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, nu door de FARR is vastgesteld dat de veroordeelde onder voorwaarden insluitingsgeschikt is en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft laten weten dat [PI] in die voorwaarden kan voorzien.

7.Beslissing

De rechtbank
gelast de
tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van deze rechtbank van 11 december 2024 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke
gevangenisstrafvoor de duur van
13 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd in [PI] .
Deze beslissing is genomen door mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,
mrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2026.
Mr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.