ECLI:NL:RBROT:2026:7836

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10-244831-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak straatroof en veroordeling voorwaardelijke taakstraf mishandeling na ruzie bij telefoonverkoop

Op 4 april 2023 ontstond een conflict tussen verdachte en aangever tijdens een afspraak voor de verkoop van een telefoon in Rotterdam. Verdachte werd beschuldigd van straatroof of poging daartoe, en subsidiair van mishandeling. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de diefstal of poging, en sprak verdachte daarvan vrij.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte de aangever mishandeld heeft door hem te duwen en te slaan, wat letsel veroorzaakte. De mishandeling vond plaats in het openbaar, wat maatschappelijke onrust veroorzaakte. Verdachte kampte ten tijde van het feit met psychische problemen en had een strafblad met een geweldsfeit na het incident, wat niet als recidive werd meegewogen.

De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur op met een proeftijd van 1 jaar, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De vordering van de benadeelde partij voor materiële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, maar immateriële schade werd toegewezen voor een bedrag van €100,00 met wettelijke rente vanaf 4 april 2023. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van straatroof en poging, veroordeeld tot voorwaardelijke taakstraf van 20 uur voor mishandeling met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-244831-23
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Datum zitting: 12 juni 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. B.F. van Es
Officier van justitie: mr. L.C. Visser
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde straatroof, dan wel de poging daartoe. Hij wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijke toegewezen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat hij - samengevat – een telefoon en een geldbedrag met geweld heeft gestolen van [slachtoffer] , subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan. Meer subsidiair wordt dit feit aan de verdachte als mishandeling van de aangever ten laste gelegd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
primair
hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, een telefoon van het merk Samsung en/of een geldbedrag van totaal 250,- euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] te grijpen,
- aan/tegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trekken en/of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,
- de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] te trekken,
- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of
- met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;
subsidiairhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon van het merk Samsung en/of een geldbedrag van 250,- euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrepen,
- aan/tegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen,
- de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] heeft getrokken,
- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
- met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- aan/tegen de jas, althans het lichaam te trekken en/of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,
- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of
- met een telefoon tegen het hoofd te slaan.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte slechts zijn eigen telefoon heeft teruggepakt toen de aangever weigerde het bij de verkoop afgesproken bedrag te betalen en ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit
Op 4 april 2023 hadden de verdachte en de aangever met elkaar afgesproken in Rotterdam voor de verkoop van een telefoon. Daar zijn zij met elkaar in een worsteling geraakt. Dit blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn, uit verklaringen van getuigen en uit de aangifte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte tijdens deze worsteling de telefoon die verdachte aan hem zou verkopen, een deel van het bedrag (€ 250,00) dat de aangever daarvoor zou betalen en de eigen telefoon van de aangever heeft meegenomen. De getuigen verklaren niet over het wegnemen van goederen en is dit ook niet zichtbaar op de camerabeelden. De goederen zijn naderhand ook niet bij de verdachte aangetroffen. Daarmee vindt de verklaring van de aangever ten aanzien van de (poging tot) diefstal onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank merkt in dit verband op dat de aangever bij zijn vordering tot schadevergoeding een andere toedracht schetst dan in zijn aangifte volgt en aangeeft dat hierbij naast de verdachte ook andere personen betrokken zouden zijn. Bij deze stand van zaken zal de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.
2.3.2.
Bewezenverklaring meer subsidiaire ten laste gelegde feit en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 4 april 2023 [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie [2] Op 4 april 2023 te Rotterdam voelde ik dat de man aan mij trok, waardoor ik mijn evenwicht verloof en op de grond viel. Er ontstond een soort gevecht tussen ons. Ik heb door de worsteling meerdere schrammen op mijn handen opgelopen. Ik heb ook mijn knie opengehaald. Ik kan u vertellen dat mijn beide knieën pijn doen. Ik heb ook pijn aan de achterzijde van mijn hoofd.
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [3]
V: Het slachtoffer verklaarde dat hij op 4 april 2023 een afspraak had gemaakt voor de aankoop van een telefoon op Facebook Marketplace met de aanbieder ' [schermnaam] '. Ben jij dat?
A: Dat ben ik.
3.
Proces-verbaal van de politie [4] Ik zag toen dat die man die schreeuwde de andere man ene klap gaf en toen ontstond er een soort vechtpartij.
4.
Proces-verbaal van de politie [5] Op afbeelding 6 is zichtbaar dat de verdachte zijn arm ineens uitstrekt in de richting van de aangever. Op afbeelding 7 is zichtbaar dat er een worsteling ontstaat tussen de aangever en de verdachte. Op afbeelding 8 is zichtbaar dat de verdachte in tegenovergestelde richting van de aangever wegrent.
2.3.3.
Bewijsmotivering meer subsidiair ten laste gelegde feit
Het staat vast dat er een ruzie is geweest en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Hij heeft aangever geslagen en tegen de grond geduwd. Het letsel van de aangever bestaat uit schrammen aan de handen en letsel aan de knie. Daarbij is ook zijn broek beschadigd. De verklaring van aangever, dat de verdachte hem met een telefoon op zijn achterhoofd heeft geslagen, vindt geen steun in het dossier. De verdachte zal daarom van dit gedeelte van de ten laste gelegde mishandeling partieel worden vrijgesproken.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 meer subsidiair
hij op 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- aan het lichaam te trekken of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,
- tegen het lichaam te slaan.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 meer subsidiair: mishandeling
3.2.
Strafbaarheid van het meer subsidiaire feit
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, gelet op zijn slechte psychische conditie in de ten laste gelegde periode en de overschrijding van de redelijke termijn.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft de aangever op straat mishandeld door hem te duwen en te slaan en heeft hierdoor pijn en letsel bij hem veroorzaakt. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt, omdat het incident overdag plaatsvond voor een supermarkt waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Echter heeft dit zich na het ten laste gelegde feit afgespeeld en kan dit daarom niet gelden als recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit met psychische problemen kampte en voor deze psychische klachten werd behandeld in het kader van een zorgmachtiging.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze termijnoverschrijding door aan de voorwaardelijk op te leggen taakstraf van na te noemen duur een verkorte proeftijd van één jaar te verbinden.
4.3.4.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de aard en ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbaar feiten pleegt.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
De aangever [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij voor het primair tenlastegelegde feit een bedrag van € 1.360,00 gevorderd als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 20.500,00 voor immateriële schade en € 2.500,00 voor affectieschade van zijn zoon, die volgens de aangever veel last heeft gehad van hetgeen hem is overkomen. Hij heeft verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 euro aan materiële schade en € 75,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat hiervoor onvoldoende onderbouwing is gegeven.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak en omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, omdat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 100,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, het verwijt dat de verdachte hierbij wordt gemaakt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 100,00 moet betalen als vergoeding van immateriële schade De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting zou vormen van het strafgeding.
5.4.3.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 april 2023.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 20 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
10 dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (ten aanzien van het meer subsidiaire feit), te betalen een bedrag van
€ 100,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor meer subsidiaire feit
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat
€ 100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en A.M. Borel Rinkes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .
2.pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .
3.pagina 59 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .
4.pagina 27 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .
5.pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .