Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 februari 2025, met bijlagen;
- het antwoord van 5 maart 2025;
- het aanvullend antwoord van 26 maart en 2 april 2025, met bijlagen;
- de akte van [eiseres] .
Rechtbank Rotterdam
De huurder had vanaf februari 2021 een woning gehuurd van de verhuurder. De huurovereenkomst werd in maart 2024 beëindigd nadat de huurder de sleutels had ingeleverd. De verhuurder vorderde betaling van een huurachterstand van €3.675,00 plus rente en kosten, omdat de huurder vanaf september 2023 niet volledig had betaald.
De huurder stelde dat de woning gebreken vertoonde die hij zelf had gerepareerd en wilde de gemaakte kosten verrekenen met de huurachterstand. De rechtbank oordeelde dat de gebreken onvoldoende waren onderbouwd en dat de huurder de huurachterstand tot en met 17 maart 2024 moest betalen, waarbij de huurachterstand werd vastgesteld op €3.135,32.
De rechtbank wees de vordering van de huurder af omdat hij niet had aangetoond dat de verhuurder op de hoogte was van de gebreken of toestemming had gegeven voor reparaties. Ook werd een bepaling over incassokosten en rente in de algemene voorwaarden van de verhuurder als oneerlijk beoordeeld, waardoor deze kosten niet werden toegewezen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.080,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Huurachterstand van €3.135,32 toegewezen en tegenvordering wegens gebreken afgewezen.