ECLI:NL:RBROT:2026:782

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
10.154352.25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 261 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vervolging belaging en vrijspraak bedreiging schoolmedewerker

De verdachte werd beschuldigd van het stelselmatig belagen van medewerkers van een school door het versturen van vele e-mails in de periode van december 2024 tot januari 2025, en van het bedreigen van een medewerker via een e-mail in januari 2025.

De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging van de belaging omdat niet was voldaan aan het klachtvereiste van artikel 285b, tweede lid, Sr. De klacht was ingediend door de directrice van de school, maar zij was niet uitdrukkelijk gevolmachtigd door de medewerkers die belaagd werden, en er waren geen klachten van de medewerkers zelf.

Ten aanzien van de bedreiging sprak de rechtbank de verdachte vrij omdat de uitlatingen niet kwalificeerden als een bedreiging met de dood of zware mishandeling.

De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven, die eerder was geschorst. De dagvaarding werd geldig verklaard, maar de vervolging van belaging niet ontvankelijk en de verdachte vrijgesproken van bedreiging.

Uitkomst: Het OM is niet-ontvankelijk in de vervolging van belaging en de verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.154352.25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Datum zittingen: 17 december 2025 en 14 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats]
Advocaat van de verdachte: mr. L. van der Schee
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Kern van het vonnis
De verdachte wordt beschuldigd van het belagen van medewerkers van het [naam school] ( [afkorting naam school] ) in de periode van 7 december 2024 tot en met 10 januari 2025 (feit 1) en van het bedreigen van [slachtoffer 1] via een e-mailbericht op 7 januari 2025 (feit 2). De rechtbank acht het Openbaar Ministerie (OM) ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk in haar vervolging en spreekt de verdachte vrij van feit 2.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - medewerkers van het [afkorting naam school] heeft belaagd door hen vele e-mails te sturen en dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd via een e-mailbericht dat aan collega’s van [slachtoffer 1] was gestuurd.
De volledige (gewijzigde) tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
1.
in of omstreeks de periode van 7 december 2024 tot en met 10 januari 2025 te Rotterdam, Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van verschillende medewerkers van het [naam school] , door veelvuldig e-mails aan die medewerkers te versturen met het oogmerk die medewerkers te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2.
op of omstreeks 7 januari 2025 te Rotterdam, Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (door middel van een e-mailbericht of via een e-mailbericht aan collega's van die [slachtoffer 1] te sturen, welke door die [slachtoffer 1] is ontvangen) dreigend de woorden toe te voegen "ik bij alle macht met die ik heb zijn carrière oftewel dan ook zijn leven af zal nemen door hem dan ook dat als het lukt in de cel te laten gooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.Geldigheid van de dagvaarding feit 1

2.1.
Standpunt van de verdediging
De dagvaarding voldoet ten aanzien van feit 1 niet aan het bepaaldheidsvereiste van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering, nu onvoldoende duidelijk is wie worden bedoeld met de in de tenlastelegging genoemde “verschillende medewerkers van het [afkorting naam school] ” op wiens persoonlijke levenssfeer inbreuk zou zijn gemaakt. De tenlastelegging is op dit punt te algemeen en onvoldoende concreet.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De tenlastelegging is voldoende specifiek en feitelijk. Welke medewerkers van het [afkorting naam school] betrokken zijn blijkt uit het dossier.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Tegen de achtergrond van het dossier is de tenlastelegging voldoende duidelijk en concreet geformuleerd. In het dossier bevindt zich een Extraction Report (als bijlage bij het proces-verbaal bevindingen-18) waarin de namen staan vermeld van de medewerkers van het [afkorting naam school] naar wie de verdachte in een deel van de tenlastegelegde periode e-mails heeft verstuurd. Hiermee is voldoende duidelijk dat de tenlastegelegde belaging in ieder geval betrekking heeft op deze medewerkers van het [afkorting naam school] . Het beroep op de nietigheid van de dagvaarding wordt daarom verworpen.

3.Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie feit 1

3.1.
Standpunt van de verdediging
Het OM is niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 1, de belaging. Belaging is een klachtdelict. Dit houdt in dat het slachtoffer zelf of een daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigde, een klacht dient in te dienen. Er is aangifte gedaan door de directrice van het [afkorting naam school] , [slachtoffer 2] . Tevens is door haar een klacht ingediend. Uit het dossier blijkt dat zij zelf geen e-mails heeft ontvangen en er dus geen misdrijf jegens haar is gepleegd. De directrice is door de medewerkers van het [afkorting naam school] niet uitdrukkelijk gevolmachtigd om een klacht namens hen in te dienen. Geen van de betrokken medewerkers heeft contact gehad met de politie.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
Het OM is wel ontvankelijk in de vervolging. In een eerder gewezen vonnis tegen de verdachte, waarbij het ook ging om de belaging van medewerkers van het [afkorting naam school] , is het OM door de rechtbank ook ontvangen in de vervolging. Toen was er ook aangifte gedaan door [slachtoffer 2] als de directrice van het [afkorting naam school] . Zij spreekt namens haar medewerkers. Het is voldoende duidelijk dat in deze zaak meerdere medewerkers van het [afkorting naam school] belaagd zijn.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vindt vervolging van belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. [slachtoffer 2] , directrice van het [afkorting naam school] , heeft op 15 januari 2025 namens het [afkorting naam school] en alle betrokken medewerkers aangifte gedaan van stalking. Op diezelfde datum heeft [slachtoffer 2] een mondelinge klacht ingediend met verzoek tot vervolging van de mogelijke dader(s) van de stalking waarvan zij aangifte had gedaan. Dit is vastgelegd in een proces-verbaal.
De rechtbank stelt vast dat de tenlastegelegde belaging niet is gericht tegen het [afkorting naam school] . Dit is wettelijk ook niet mogelijk omdat het [afkorting naam school] geen natuurlijk persoon is. De belaging is ook niet gericht geweest tegen [slachtoffer 2] zelf. Dit betekent dat moet komen vast te staan dat er een klacht is ingediend door de medewerkers van het [afkorting naam school] waartegen de belaging zich heeft gericht. De door [slachtoffer 2] gedane klacht heeft zij niet ingediend “namens” de medewerkers van het [afkorting naam school] , althans dat blijkt nergens uit. Van de betrokken medewerkers zelf bevinden zich geen klachten in het dossier. Ook bevinden zich in het dossier geen andere stukken waaruit kan worden opgemaakt dat de verschillende medewerkers van het [afkorting naam school] de bedoeling hadden dat een vervolging tegen de verdachte werd ingesteld.
Het voorgaande maakt dat niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 285b, tweede lid, Sr. De officier van justitie is daarom ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk in de vervolging.

4.Vrijspraak feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2. De woorden die de verdachte zou hebben geuit zijn geen bedreiging met de dood of met het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft de voorlopige hechtenis van de verdachte op, die bij eerdere beslissing van 21 mei 2025 is geschorst.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding geldig;
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en M.K. Asscheman-Versluis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.