ECLI:NL:RBROT:2026:7771

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2611526:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid maximaal haalbare voorstel

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om een schuldeiser, NDK Vastgoedmanagement B.V., te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een betaling van 0% aan alle schuldeisers tegen finale kwijting, gebaseerd op haar afloscapaciteit uit een parttime dienstverband.

NDK, die de vordering van € 3.100,52 beheert namens drie verhuurders, weigert in te stemmen met het akkoord omdat het niet het maximaal haalbare zou zijn. Zij stelt dat het inkomen van de partner van verzoekster niet is meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag, waardoor de afloscapaciteit hoger zou kunnen zijn.

De rechtbank oordeelt dat NDK in redelijkheid tot weigering kon komen, omdat de vordering een aanzienlijk deel van de totale schuld vormt en onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster het uiterste doet om haar schulden af te lossen. De onduidelijkheid over de woonlasten en het feit dat verzoekster niet fulltime werkt en niet aantoonbaar solliciteert, maken dat het voorstel niet als maximaal haalbaar kan worden beschouwd.

Daarom wordt het verzoek om NDK te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelen.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het maximaal haalbare is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 juni 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 6 mei 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- NDK Vastgoedmanagement B.V.;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 5 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [naam 6] , die verzoekster ondersteunt in het schuldhulpverleningstraject en fungeert als tolk;
  • de heer [naam 3] , namens de weigerende schuldeiser.
De heer [naam 3] heeft ter zitting verklaard dat niet NDK Vastgoedmanagement B.V. de contractant is en dus de schuldeiser, maar de heren [naam 4] , [naam 5] en [naam 3] . NDK Vastgoedmanagement B.V. beheert het vastgoed en [naam 4] , [naam 5] en [naam 3] zijn de verhuurders van de woning van verzoekster. De heer [naam 3] vertegenwoordigt hen als weigerende schuldeiser (hierna gezamenlijk te noemen: NDK) ter zitting.
Schuldhulpverlening heeft op 8 juni 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vier schuldeisers, waarvan één preferente en drie concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 17.846,66 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 28 januari 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 0% aan zowel de preferente schuldeisers als aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor bepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel hoger zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Drie schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. NDK stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 3.100,52 op verzoekster.

3.Het verweer

NDK heeft ter zitting verklaard dat het aangeboden akkoord volgens haar niet het maximaal haalbare is. Verzoekster woont samen met haar partner, die een goed inkomen heeft en steeds de huur heeft voldaan. Samenwonenden dienen beiden, ieder de helft, bij te dragen aan de woonlasten. In het vrij te laten bedrag is dit niet zo opgenomen door schuldhulpverlening. Het is niet redelijk dat in de berekening van het vrij te laten bedrag alleen het inkomen van verzoekster wordt betrokken. Indien het inkomen van de partner ook wordt betrokken bij de berekening van het vrij te laten bedrag, zal de afloscapaciteit van verzoekster stijgen en daarmee kan zij dus meer dan het huidige nulaanbod aan de schuldeisers afdragen. Daarnaast heeft NDK ermee ingestemd dat de vordering van twee maanden huurachterstand zou worden meegenomen in een schuldregeling, maar daarbij ging zij ervan uit dat dan wel enige betaling op haar vordering zou plaatsvinden en niet dat een nulaanbod in die schuldregeling zou volgen.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van NDK bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of NDK in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van NDK een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 17,4% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat NDK in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Verzoekster werkt niet fulltime en lijkt hier ook niet aantoonbaar naar te solliciteren.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende gewaarborgd is dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen nu, zoals NDK stelt, de woonlasten, en de verdeling hiervan met de inwonende, nog onduidelijk zijn. Hierdoor kan de rechtbank niet controleren of het vrij te laten bedrag op juiste wijze is berekend en kan de rechtbank evenmin vaststellen of verzoekster daadwerkelijk geen afloscapaciteit heeft.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van NDK als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om NDK te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.