ECLI:NL:RBROT:2026:7767

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10-144404-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke taakstraf voor medeplegen hennepteelt en elektriciteitsdiefstal

De rechtbank Rotterdam heeft op 12 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die een hennepkwekerij exploiteerde in een woning te Vlaardingen en elektriciteit stal. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het telen van 14,3 kilogram droge hennep en 250 hennepplanten, en van diefstal van elektriciteit door middel van verbreking.

De verdediging stelde een onherstelbaar vormverzuim vast vanwege het ontbreken van voorafgaande toestemming voor het onderzoeken van de telefoon van de verdachte, zoals vereist na het Landeck-arrest. De rechtbank oordeelde dat dit vormverzuim weliswaar aanwezig was, maar niet leidde tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, omdat het onderzoek plaatsvond vóór het arrest en de rechter-commissaris vermoedelijk toestemming zou hebben gegeven.

De bewezenverklaring berustte op de bekentenis van de verdachte en politieprocessen-verbaal. De rechtbank kwalificeerde de feiten als medeplegen van een overtreding van de Opiumwet en diefstal met braak. Gelet op de ernst van de feiten, het strafblad zonder eerdere veroordelingen, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn van bijna zes jaar, legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 240 uur op met een proeftijd van 1 jaar. De straf is lager dan de eis en gebruikelijke straffen vanwege de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 240 uur met een proeftijd van 1 jaar wegens medeplegen hennepteelt en elektriciteitsdiefstal.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-144404-21
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Datum zitting: 29 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.C. Herrewijnen
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een hennepkwekerij in een woning geëxploiteerd. Hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 240 uur met een proeftijd van 1 jaar, voor het medeplegen van het telen van hennep en de diefstal van elektriciteit. De straf valt lager uit dan de strafeis en straffen die doorgaans in dit soort zaken worden opgelegd. Dat komt door de forse overschrijding van de redelijke termijn.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met anderen hennep heeft geteeld en elektriciteit heeft gestolen. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
1
op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot 16 juni 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd verstrek en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ), een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 14,3 kilogram (droge) hennep(toppen) en/of 250 hennepplanten, in elk geval een groot aantal kilo’s / een grote hoeveelheid (droge) hennep(toppen), zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [netbeheerder] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

2.Vormverzuim

2.1.
Standpunt van de verdediging
Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. De telefoon van de verdachte is immers zeer grondig onderzocht. Dit betekent een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Niet de officier van justitie maar de rechter-commissaris had op grond van het Landeck-arrest voorafgaand aan het onderzoek moeten beoordelen of dat onderzoek mocht plaatsvinden, maar dit is niet gebeurd.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De telefoon is onderzocht voordat het Landeck-arrest is gewezen. Op het moment dat de telefoon werd onderzocht was niet te voorzien dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris was vereist. Bovendien zou de rechter-commissaris de machtiging gegeven hebben als daar om was gevraagd. Er is geen sprake van een vormverzuim.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Het Landeck-arrest was ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte nog niet gewezen. Uit dit arrest volgt – kort samengevat – dat voor een onderzoek aan een telefoon in beginsel voorafgaande toestemming moet worden gegeven door een rechterlijke autoriteit. Omdat in het arrest bestaand recht wordt uitgelegd, is het ook van toepassing op onderzoeken die vóór het wijzen van dit arrest zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ook voor het onderhavige onderzoek aan de telefoon van de verdachte voorafgaande toestemming van een rechter-commissaris was vereist. Die toestemming is niet gevraagd en daarom is sprake van onherstelbaar vormverzuim. Het geconstateerde vormverzuim leidt echter niet tot bewijsuitsluiting en evenmin tot strafvermindering. De verdachte werd ten tijde van het onderzoek namelijk verdacht van een ernstig strafbaar feit. Gelet op de aard van het strafbare feit was nader onderzoek nodig om een mogelijk breder crimineel netwerk in kaart te brengen. De rechtbank gaat er daarnaast vanuit dat de rechter-commissaris de toestemming tot het onderzoeken van de telefoon zou hebben gegeven als daarom was verzocht. Daarom volstaat de constatering van het vormverzuim en worden daaraan geen verdere consequenties verbonden.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij van 1 januari 2019 tot 16 juni 2020 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en verkocht in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ), een grote hoeveelheid
van een middelals bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 14,3 kilogram (droge) hennep(toppen) en 250 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
hij van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen elektriciteit, dat geheel aan [netbeheerder] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
3.3.2.
Bewijsmiddelen [1]
1. Verklaring van de verdachte [2]
2. Proces-verbaal van de politie [3]
3. Proces-verbaal van de politie [4]

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 en 2 moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 dagen, met aftrek van voorarrest (2 dagen), en een taakstraf van 240 uur.
5.2.
Standpunt van de verdediging
Het opleggen van een onvoorwaardelijke straf dient, gelet op de proceshouding van de verdachte en de ruime overschrijding van de redelijke termijn, geen enkel redelijk strafdoel.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft hennep geteeld in een door hem gebouwde hennepkwekerij op de zolder van een woning (hierna: de woning). Deze hennepkwekerij heeft de verdachte enkele jaren in gebruik gehad en hij heeft meerdere oogsten kunnen verwerken. Hij heeft anderen daarbij betrokken, zoals zijn halfbroer die de woning (waarvan hij de eigenaar was) initieel aan hem ter beschikking heeft gesteld voor bewoning. Verder heeft hij de elektriciteitsaansluiting in de woning aangepast om elektriciteit af te nemen zonder daarvoor te betalen. Het exploiteren van een hennepkwekerij in een woning brengt grote risico’s voor de gezondheid en veiligheid van personen met zich mee en houdt ook druggerelateerde en ondermijnende criminaliteit in stand. Door een illegale stroomvoorziening aan te leggen, is ook de energieleverancier gedupeerd. Dit brengt bovendien een onaanvaardbaar risico op brand in de woning en ook de daarnaast gelegen woningen met zich mee.
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om zijn leven weer op orde te krijgen. Hij heeft werk, een woning en een stabiele thuissituatie. De vordering van [netbeheerder] heeft hij inmiddels volledig voldaan.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is met bijna 6 jaar overschreden. Deze overschrijding dient gecompenseerd te worden in de aard en de duur van de op te leggen straf.
Straf
Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met de oriëntatiepunten voor hennepkwekerijen. Het uitgangspunt bij een kwekerij van 100 tot 500 hennepplanten is een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf 1 maand. De rechtbank neemt dit als vertrekpunt. Zij weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij ook elektriciteit heeft gestolen. In zijn voordeel wordt rekening gehouden met het feit dat de verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door zijn aandeel te erkennen en schuldbesef te tonen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het forse tijdsverloop tussen de feiten en de berechting en het feit dat de verdachte zijn leven inmiddels op orde lijkt te hebben. Alles afwegend acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstaf van 240 uur passend en geboden.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Voorwaardelijke taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
236 uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
168 dagen;
bepaalt dat
de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.R. Rietveld, voorzitter,
en mrs. J.C. Oord en C.G. van de Grampel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. Rietveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 29 mei 2026.
3.Pagina’s 185 tot en met 189 ( [proces-verbaalnummer 1] ).
4.Pagina’s 152 tot en met 184 ( [proces-verbaalnummer 2] ).