ECLI:NL:RBROT:2026:7747

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10/073250-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 47 SrArt. 56 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen bewerken heroïne tot 12 maanden gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van harddrugs, specifiek heroïne. De dagvaarding werd door de rechtbank als geldig beoordeeld ondanks bezwaren van de verdediging over onduidelijkheid.

Uit het bewijs, waaronder verklaringen, politieprocessen-verbaal en een uitgebreid NFI-rapport, bleek dat verdachte in een garage grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen zoals coffeïne, paracetamol en kleurstoffen bewerkte tot een substantie die gebruikt wordt om heroïne te versnijden. Verdachte gaf toe in de garage te hebben gewerkt en de rechtbank achtte zijn verklaring dat hij alleen in koffie roerde ongeloofwaardig.

De rechtbank concludeerde dat verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat de stoffen en voorwerpen bestemd waren voor het plegen van een drugsmisdrijf en dat sprake was van nauwe samenwerking met een medeverdachte. Medeplegen werd bewezen. Gezien de ernst van het feit en het ontbreken van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op, lager dan de eis van 24 maanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor medeplegen voorbereidingshandelingen bewerken heroïne.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/073250-26
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Datum zitting: 11 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboortestad] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. C.P. Timmers
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van harddrugs (heroïne). De dagvaarding is geldig. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij tezamen en in vereniging voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van harddrugs (heroïne) heeft verricht.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks de periode van 27 februari 2026 tot 9 maart 2026 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk
meermalen, althans eenmaal (telkens)
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een grote
hoeveelheid heroïne zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I,
en/of
een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad te weten
- een of meer (grote)hoeveelheden coffeïne, paracetamol en/of kleurstoffen althans
versnijdigingsmiddelen,
- gasflessen welke aangesloten stonden aan een kookstel met daarop grote ketels
met onbekende inhoud en/of jerrycans met een onbekende vloeistof en/of zakken
met een onbekende poeder,
- zeven en/of ventilatoren en/of meerdere grote hoge pannen en/of ketels en/of
vaten en/of een of meer installaties en/of filters en/of slangen en/of
afzuiginstallaties en/of condensatiebuizen, althans materialen/benodigdheden ten
behoeve van de (op)bouw van een of meer drugslabs en/of
- een garage althans een opslagruimte/productielocatie
waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij
bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

2.Geldigheid van de dagvaarding

2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de nietigheid van de dagvaarding bepleit, omdat de tekst van de tenlastelegging onduidelijk is.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Uit de dagvaarding en de daarin opgenomen tenlastelegging blijkt duidelijk wat de verdenking is. De leesbaarheid kan verbeterd worden door het tekstdeel ‘en/of’ (na: hoeveelheid heroïne zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I) weg te strepen.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
De tenlastelegging behelst naar het oordeel van de rechtbank, bezien in het licht van de inhoud van het dossier, een voldoende duidelijke opgave van het feit, met een vermelding van de pleegperiode, pleegplaats en wettelijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld. Ook zijn de omstandigheden in de tenlastelegging opgenomen, te weten de uiteenzetting van de voorwerpen en stoffen die zijn aangetroffen. De dagvaarding is geldig.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het feit omdat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het bewerken van drugs. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte tezamen en in vereniging stoffen en voorwerpen voor het verwerken van heroïne voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3. De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie [1] Op maandag 9 maart 2026, belde ik, aan bij de woning op [adres] in Rotterdam. Een man deed de deur open. Dit bleek later [persoon A] te zijn.
Ik, zag de houten plank staan in de gang van de woning met mogelijk een kamer hier achter. Ik vroeg aan [persoon A] of hij de plank opzij wilde halen. Ik zag dat er zich achter deze plank een ruimte bevond. Ik zag dat het een gangetje was waar een wasmachine in stond. Aan het einde van het gangetje bevond zich nog een deur. [persoon A] oogde wat zenuwachtig en wilde het gangetje niet uit. (…) Ik opende de deur aan de ander kant van het gangetje. Ik zag hier een man zitten op een stoel die onder bruin poeder zat. De man bleek later te zijn: [verdachte] .
Wij vermoedden dat [persoon A] ook zeker kennis droeg van het feit dat er een drugslab in bevond gezien de onderstaande feiten;
- stekker uit het drugslab in het stopcontact van zijn hal zat.
- hij voor de plaat ging staan en toen de plaat vermoedelijk door [verdachte] naar voren geduwd werd tijdens onze komst, hij dit verbloemde met het feit dat hij tegen de plaat schopte.
- hij vooraf toen wij het lab betraden erg zenuwachtig vertelde dat dit stuk van de woning niet van hem was en hij dit verhuurde.
- dat er twee veiligheidsbrillen in de hal van [persoon A] hingen met hetzelfde soort fijnstof erop dat [verdachte] op zijn kleding had.
- wij in de tuin het gesuis hoorde van de afzuiging uit het drugslab, dus hij dit ongetwijfeld ook gehoord moet hebben.
- wij in de tuin een pan aantroffen van hetzelfde soort als uit het drugslab afkomstig.
2.
Verklaring van verdachte op de terechtzitting van 11 juni 2026
Oudste rechter: klopt het dat u in de garage van [persoon A] aan het werk was?
Verdachte: ja
Oudste rechter: wat deed u daar?
Verdachte: mij werd verteld dat ik in een pan moest roeren. Ik moest blijven roeren tot het keihard werd. Ik heb het geroerd, in de pan gedaan en op de grond gelegd.
3.
Proces-verbaal van politie [2]
Ik onderzocht de bij verdachte [persoon A] inbeslaggenomen telefoon. In de telefoon trof ik een foto aan van het vermoedelijke drugslab rond 27 februari 2026.
4.
Proces-verbaal van Landelijke Faciliteit Ontmantelen van de politie [3] Op maandag 9 maart 2026, heb ik een onderzoek ingesteld aan goederen en chemicaliën, welke waren aangetroffen op locatie [adres] te Rotterdam.
Via de woning gevestigd op nummer [huisnummer 1] kon een garage betreden worden welke zich op nummer [huisnummer 2] bevond.
Vanaf deze doorgang gezien, hing er links aan de muur een in werking zijnde ventilator.
Inventarisatielijst
SIN
LFO-code
Omschrijving
NFI resultaten
A- Opslagruimte (voorzijde garage)
AARS1218NL
A1
A1-A
8 kartonnen dozen met opdruk “Paracetamol BP USP 25 kg”, alle gevuld met een plastic zak met wit poeder- FD- acetominophen ofwel paracetamol. Een willekeurig poeder werd bemonsterd. Totaal 200 kilogram. 13 lege kartonnen dozen aangetroffen.
Paracetamol, resultaat conform etiket
AARS1217NL
A2
A2-A
9 kartonnen dozen met etiket “Caffeïne Anhydrous 20 kg”, alle gevuld met een plastic zak met wit poeder, FD- coffeïne. Een willekeurig poeder werd bemonsterd. Twee plastic zakken met wit poeder, FD- coffeïne. Totaal 220 kilogram. A3 4 lege kartonnen dozen.
Coffeïne, resultaat conform etikel
AARS1216NL
A6
A6-A
Een tas van het merk “Action”, met daarin tien zakjes van 1 kilogram, alle gevuld met lichtbeige poeder, ThreatID- acetominophen en coffeïne. Een willekeurig poeder werd bemonsterd.
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
A7
10 gasflessen van circa 11 kg “Benegaz”, waarvan twee verzegeld. 1 blauwe gasfles voorzien van reduceerventiel en gasslang.
A8
Een kartonnen doos met daarin 6 zakjes met etiket “Eisenoxidschwarz 320, braunstichtig Kremer pigmente” van 1 kilogram met zwarte kleurstof.
A9
Een blauwe 20 liter jerrycan, geheel gevuld met bruine vloeistof vermoedelijk kleurstof. Een witte 10 liter jerrycan gevuld met circa 4 liter bruine vloeistof, vermoedelijk kleurstof
A10
Zelfgemaakte zeven, en een rol van het materiaal waarvan het gemaakt werd, werd gebruikt t.b.v. het vergruizen.
B- Droog/verwerkingsruimte
AARS1230NL
B1 B1-A
Een blauwe bigshopper ‘’Frakta’’ van IKEA met een inhoudsmaat van 71 liter geheel gevuld met bruine brokken. ThreatID=paracetamol/cafeïne Van de brokken is een monster genomen.
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1229NL
B2 B2-A
Twee stapels van totaal 95 ronde platen gedroogd poeder. ThreatID=paracetamol/cafeïne Van een willekeurige plaat is een monster genomen.
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1228NL
B3 B3-A
14 metalen ronde schalen met daarin donkerbruine substantie. ThreatID=paracetamol/cafeïne Uit een willekeurige schaal is een monster van de brokken genomen.
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1227NL
B4 B4-A
Twee stapels van totaal 50 ronde platen gedroogd poeder. ThreatID=paracetamol/cafeïne Van een willekeurige plaat is een monster genomen.
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
B1 t/m B4: Eén losse plaat weegt tussen de 2 en 2,5 kg.
Bruto alles bij elkaar weegt: 420 kg.
B6
Een kartonnen doos met daarin drie zakken pigment van het merk ‘’Kremer’’. 2x Eisenoxidrot 130M Mittel 1x Eisenoxidbraun 660, dunkel Totaal 3 kilo
B8
Drie blauwe jerrycans a 20 liter met restanten kleurstof.
B9
Een rvs-pan met daarin restanten bruin en witte substantie. Een vervuilde mixer
B10
Een stapel gebruikte metalen schalen en een RVS pan.
C- Productieruimte
AARS1209NL
C1
C1-A
Kook/mengopstelling bestaande uit twee RVS pannen op een brander. Beide branders waren aangesloten op een gascilinder. Bij aantreffen was een brander ingeschakeld, deze werd door de AGS van de brandweer uitgeschakeld. Bij aanvang onderzoek waren beide pannen voelbaar warm. De pannen waren beide gevuld met een mengsel bestaande uit witte poeders en bruine substantie. In elke pan zat een stuk hout waarmee geroerd kon worden. Uit een willekeurige pan werd een monster genomen van het mengsel. ThreatID=paracetamol/cafeïne.
het witte poeder bevat paracetamol, de bruine brokken bevatten een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
C4
Twee aangebroken zakken wit poeder op de vloer naast de pannen. 1x FD= Paracetamol 1x FD= Cafeïne
C7
Twee gebruikte en vervuilde RVS-pannen met restanten bruine substantie.
Er werden grote hoeveelheden coffeïne [A2, 220 kilo], paracetamol [A1, 200 kilo] en kleurstoffen [A8, A9, B6] aangetroffen. Deze versnijdingsmiddelen worden één op één samengevoegd. Hieraan wordt een kleurstof toegevoegd en het mengsel wordt rond de 235 graden Celsius verwarmd. Na verwarmen stolt de oplossing tot een harde substantie, welke vervolgens vergruisd wordt. Na vergruizing blijft een versnijdingsmiddel met een lichtbeige kleur over, welke nodig is om het met heroïne te kunnen versnijden, het bewerken van het versnijdingsmiddel wordt gedaan om eenzelfde uiterlijk te verkrijgen als heroïne. Coffeïne en paracetamol zijn een bekend versnijdingsmiddel voor het versnijden van heroïne.
5.
Deskundigenverslag NFI [4]
Kenmerk
Resultaat
AARS1218NL/ A1-A
Paracetamol, resultaat conform etiket
AARS1217NL/ A2-A
Coffeine, resultaat conform etikel
AARS1216NL/ A6-A
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1230NL/ B1-A
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1229NL/ B2-A
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1228NL/ B3-A
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1227NL/ B4-A
bevat een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
AARS1209NL/ C1-A
het witte poeder bevat paracetamol, de bruine brokken bevatten een gekleurd mengsel van coffeïne en paracetamol
3.3.2.
Bewijsmotivering
Op 9 maart 2026 werd een vermoedelijk drugslab aangetroffen in de garage van de woning van medeverdachte Z. [persoon A] (hierna: [persoon A] ) in Rotterdam. In de garage werden benodigdheden voor het verwerken van heroïne aangetroffen, te weten: ruim 400 kg aan versnijdingsmiddelen. Ook werd in de garage de verdachte aangetroffen, die onder het bruine poeder zat. De verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij in de garage aan het werk was.
Om te spreken van strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet, dient te worden bewezen dat de verdachte opzettelijk iets heeft bewerkt om een Opiumfeit voor te bereiden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte opzettelijk coffeïne, paracetamol en kleurstoffen heeft bewerkt. Hij wist namelijk dat hij in een pan moest roeren totdat het keihard werd. De verklaring van verdachte dat hij slechts in koffie moest roeren, is ongeloofwaardig. In de pan waarin hij roerde en in de platen op de grond is versnijdingsmiddel aangetroffen: een mengsel van coffeïne, paracetamol en kleurstof. Verdachte heeft niet verklaard hoe het kan dat hij dacht slechts in koffie te roeren, terwijl in zijn pan en de door hem gemaakte platen een mengsel is aangetroffen. Vervolgens moet worden bewezen dat de verdachte gezien de omstandigheden ernstige reden had te vermoeden dat de aanwezig voorwerpen en stoffen bestemd waren voor het plegen van dat feit. Dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de drugs (de rechtbank leest: de bestemming), zoals door de raadsman is bepleit, heeft voor de strafbaarheid van de gedraging derhalve geen invloed; het vaststellen van culpa ten aanzien van die bestemming is voldoende.
Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft in een garage coffeïne, paracetamol en kleurstof verwerkt. Die garage had de uiterlijke verschijningsvorm van een werkplaats, gelet op de glasflessen, dozen poeder met opschrift ‘coffeïne’ en ‘paracetamol’, zeven, ventilatoren, een afzuiginstallatie en pannen. Een deel was volledig geïsoleerd. Onder die omstandigheden moet de verdachte – op zijn minst genomen – ernstige reden hebben gehad te vermoeden dat hij daar niet enkel aan het werk was gezet om in een pan met koffie te roeren, maar dat dit bestemd was voor een misdadig doel. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman om die reden.
Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of sprake is van medeplegen. Verdachte heeft voorbereidingshandelingen verricht in de garage van het woonhuis van [persoon A] . Gelet op het feit dat [persoon A] heeft verklaard dat verdachte door zijn huis moest om in de garage te komen en dat hij verdachte wel eens hielp door dozen uit te pakken, een stekker uit de garage in het stopcontact van de woning van [persoon A] zat, [persoon A] voor de plaat naar de garage ging staan toen de plaat vermoedelijk door verdachte naar voren werd geduwd tijdens het politiebezoek en [persoon A] dit verbloemde door tegen de plaat te schoppen, in de hal van [persoon A] twee veiligheidsbrillen hingen met hetzelfde soort fijnstof als dat verdachte op zijn kleding had, in de tuin van de woning van [persoon A] het afzuigsysteem te horen was en in de tuin een pan werd aangetroffen van hetzelfde soort als die uit het drugslab, acht de rechtbank de woning en de garage met de daarin aanwezig personen dusdanig verweven, dat het, mede gelet op de grote hoeveelheden coffeïne, paracetamol en kleurstof, niet anders kan zijn dan dat [persoon A] en de verdachte samenwerkten. Om die reden oordeelt de rechtbank dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte – tezamen en in vereniging – voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van harddrugs (heroïne) heeft verricht.
3.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op of omstreeks de periode van 27 februari 2026 tot 9 maart 2026 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk
meermalen,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden,
te weten
- het opzettelijk bewerken
van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een grote
hoeveelheid heroïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I,
voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad te weten
- een of meer (grote) hoeveelheden coffeïne, paracetamol en kleurstoffen
- gasflessen welke aangesloten stonden aan een kookstel met daarop grote ketels
met inhoud en zakken
met een onbekende poeder,
- zeven en ventilator en meerdere pannen en afzuiginstallatie en
- een garage
waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat die
bestemd waren tot het plegen van dat feit.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpenenstoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermaals gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
5.2.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid coffeïne, paracetamol en kleurstoffen voorhanden gehad en verwerkt tot versnijdingsmiddel. Ook had hij verschillende voorwerpen voorhanden om die middelen te verwerken. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken van harddrugs. Verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze middelen een rol gehad in het voorbereiden van de verspreiding van verdovende middelen, dat veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Drugswinsten worden vergroot door het vermengen van heroïne met dit soort versnijdingsmiddelen.
5.2.2.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
5.2.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden ten uitvoer gelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 47 en Pro 56 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding geldig;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 3.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.pagina 9 e.v. van het voorgeleidingsdossier zaak [zaaknaam] .
2.Proces-verbaal d.d. 8 juni 2026, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] , nummer [proces-verbaalnummer] .
3.Proces-verbaal d.d. 8 juni 2026, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] , nummer [proces-verbaalnummer] .
4.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 8 juni 2026, zaaknummer 2026.04.01.133.