ECLI:NL:RBROT:2026:7746

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2610100:R-RK en NL:TZ:2610105:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetArt. 284 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling ondanks verzet schuldeiser

Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een schuldeiser, Stichting Ymere, te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een minimale uitkering aan schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die sinds 20 april 2026 fulltime werkt.

Stichting Ymere verzet zich tegen het akkoord, stellende dat het aanbod niet het maximaal haalbare vertegenwoordigt vanwege de gewijzigde inkomenssituatie van verzoeker en twijfels over diens financiële keuzes. De rechtbank weegt het belang van de schuldeiser tegen dat van verzoeker en de overige schuldeisers die instemmen.

De rechtbank concludeert dat het voorstel goed onderbouwd en getoetst is, dat verzoeker feitelijk fulltime werkt en dat de schuldregeling vanaf de aanvang van zijn arbeidsovereenkomst is gestart, waardoor schuldeisers maximaal profiteren. De rechtbank wijst het verzet van Stichting Ymere af en beveelt haar in te stemmen met de schuldregeling, waarbij het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot oplegging van gedwongen schuldregeling wordt toegewezen en Stichting Ymere wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 12 juni 2026
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker,

1.De procedure

Verzoeker heeft op 20 april 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Stichting Ymere, wier vordering in behandeling is bij Geerlings & Hofstede Gerechtsdeurwaarders;
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Stichting Ymere heeft voorafgaand aan de zitting, op 3 juni 2026, een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 5 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Kredietbank Nederland (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Ymere is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift dertien schuldeisers, waarvan één preferente en twaalf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 97.162,77 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 4 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 0,31% aan de preferente schuldeisers en 0,15% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker werkt niet en zal tijdens de schuldregeling solliciteren naar fulltime werk. Om deze reden voorziet de aangeboden regeling in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Ter zitting heeft verzoeker de ingangsdatum van de schuldregeling gewijzigd naar 20 april 2026. Dit is de datum waarop verzoeker is gaan werken op basis van een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij feitelijk fulltime werkzaam is. Door de schuldregeling vanaf deze datum te laten starten, wordt gewaarborgd dat de inkomsten die verzoeker uit betaald werk genereert gedurende de volledige looptijd van achttien maanden kunnen worden betrokken bij de schuldregeling, zodat de schuldeisers maximaal profiteren van de verbeterde inkomenssituatie en daarmee verhoogde afloscapaciteit van verzoeker.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden laten ontstaan en voldoet zijn vaste lasten.
Twaalf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Stichting Ymere stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 10.195,03 op verzoeker, die 10,49 % van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Stichting Ymere heeft zich in haar verweerschrift van 3 juni 2026 op het standpunt gesteld dat onvoldoende aannemelijk is dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare voor de schuldeisers vertegenwoordigt. Het voorstel is gebaseerd op een verouderde financiële situatie, nu het aanbod dateert van 4 september 2025 en sindsdien de inkomenspositie van verzoeker wezenlijk is gewijzigd doordat hij per 20 april 2026 een arbeidsovereenkomst is aangegaan. Deze inkomensverbetering heeft niet geleid tot een herberekening van de afloscapaciteit of een aangepast aanbod aan de schuldeisers. Daarnaast voert Stichting Ymere aan dat binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling meer waarborgen bestaan voor schuldeisers, onder meer vanwege het toezicht van een bewindvoerder en de verplichting voor verzoeker om zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. Niet kan worden uitgesloten dat in een wettelijke schuldsaneringsregeling een hogere afloscapaciteit ontstaat dan waarvan in het huidige aanbod is uitgegaan.
Verder stelt Stichting Ymere dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de financiële keuzes die verzoeker recent heeft gemaakt, waaronder de aanschaf van een auto en een verhuizing. Deze omstandigheden roepen de vraag op of verzoeker zijn beschikbare middelen maximaal heeft aangewend ten behoeve van zijn schuldeisers. Daarbij komt dat het aangeboden akkoord slechts voorziet in een uitkering van 0,15% aan de schuldeisers, welk percentage dermate gering is dat nauwelijks sprake is van een reëel voordeel ten opzichte van een mogelijke toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Gelet op het voorgaande is Stichting Ymere van mening dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het aangeboden akkoord is gebaseerd op de actuele financiële situatie van verzoeker, noch dat sprake is van het maximaal haalbare aanbod. Stichting Ymere verzoekt de rechtbank daarom het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord af te wijzen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Ymere geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Stichting Ymere bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Stichting Ymere in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Stichting Ymere een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 10,49%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk twaalf van de dertien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Nederland. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker beschikt over betaald werk op basis van een arbeidsovereenkomst van 32 uur per week. Verzoeker heeft ter zitting verklaard en toegelicht dat hij meer uren per week werkt en feitelijk fulltime werkzaam is. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting van 36 uur per week. Bovendien heeft verzoeker ter zitting de ingangsdatum van de schuldregeling gewijzigd naar 20 april 2026, zijnde de aanvangsdatum van zijn arbeidsovereenkomst. Door de schuldregeling vanaf deze datum te laten starten, profiteren de schuldeisers maximaal van de verbeterde inkomenssituatie en daarmee verhoogde afloscapaciteit van verzoeker. Verzoeker heeft naar aanleiding van het verweer van Stichting Ymere nog ter zitting toegelicht dat hij een auto heeft moeten aanschaffen voor zijn werk en dat deze is gefinancierd door zijn ouders.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Stichting Ymere, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Stichting Ymere te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Stichting Ymere zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Stichting Ymere om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Stichting Ymere in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026. [1]