ECLI:NL:RBROT:2026:7734

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612464:R-RK – NL:TZ:2612467:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede verzoek voorlopige voorziening moratorium bij huurachterstand en schuldsanering

Verzoekster diende een tweede verzoek in voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van haar huurwoning te voorkomen. Eerder was al een moratorium van zes maanden toegekend, maar dit verviel omdat verzoekster de huurtermijnen niet had voldaan en onvoldoende voortgang had geboekt in het schuldhulpverleningstraject.

De rechtbank oordeelde dat een tweede moratoriumverzoek mogelijk is, maar dat hogere eisen gelden, met name of de lopende huurtermijnen nu wel tijdig worden betaald en of het schuldhulpverleningstraject voldoende vordert. Verzoekster had de huur over maart en april 2026 niet betaald en ook de minnelijke schuldhulpverlening was nog in de beginfase, mede doordat verzoekster niet op afspraken verscheen en geen beschermingsbewind wilde.

De rechtbank concludeerde dat het belang van verweerster bij ontruiming zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om in de woning te blijven. Het verzoek werd afgewezen en verzoekster werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 Fw Pro. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het tweede verzoek om een voorlopige voorziening moratorium wordt afgewezen wegens niet-naleving eerdere voorwaarden en onvoldoende voortgang in schuldhulpverlening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 15 juni 2026
[naam 1],
wonende te [straatnaam]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 15 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 juni 2026.
Ter zitting van 5 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [naam 3] , namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Schuldhulpverlening heeft op 11 juni 2026 een aanvullend bericht over de voortgang van het schuldhulpverleningstraject aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van drie maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw Pro ingediend, waarop bij uitspraak van 1 december 2025 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen. Verzoekster heeft de voorwaarden van dit eerste moratorium geschonden door de huurtermijnen niet te voldoen. Gedurende het eerste moratorium is er weinig voortgang in het schuldhulpverleningstraject geboekt, omdat de contacten tussen schuldhulpverlening en verzoekster volgens verzoekster niet naar behoren verliepen. Het minnelijk traject bevindt zich momenteel nog in de opstartfase. Budgetbeheer moet nog worden opgestart.

3.Het verweer

Verweerster heeft aangevoerd dat in 2018 en 2023 reeds huurachterstanden zijn gesaneerd voor een totaalbedrag van meer dan € 4.000,-. Daarbij wijst verweerster erop dat in mei 2023 de laatste huurbetaling door schuldhulpverlening is verricht, waarna reeds in juli 2023 opnieuw een huurachterstand is ontstaan. Verder zijn volgens verweerster drie betalingsregelingen getroffen, maar zijn deze telkens niet nagekomen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de aanzegging tot ontruiming van de woning. Inmiddels beloopt de huurachterstand ongeveer € 7.000,-. Verweerster betreurt dat ondanks de geboden ondersteuning geen structurele verbetering is opgetreden en betwijfelt of een nieuwe termijn tot een duurzame oplossing zal leiden, zolang verzoekster haar financiële situatie zelfstandig blijft beheren. Volgens verweerster kan de financiële situatie van verzoekster slechts duurzaam worden gestabiliseerd indien zij onder beschermingsbewind wordt gesteld.

4.De beoordeling

Verval van het eerste moratorium
Vast is komen te staan dat verzoekster al eerder, op 10 november 2025, naast een verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro, een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’).
Bij vonnis van 1 december 2025 heeft de rechtbank Rotterdam beslist dat de tenuitvoerlegging van het op 3 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [straatnaam] te [postcode] [woonplaats] , voor de duur van zes maanden wordt opgeschort. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Ter waarborging van de belangen van verweerster is in het dictum van die uitspraak aan het moratorium de voorwaarde verbonden dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald dienden te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster deze voorwaarde heeft geschonden. Ter zitting is gebleken dat verzoekster de huurtermijnen over de maanden maart en april 2026 niet heeft voldaan. Als gevolg van deze tekortkoming is de bij vonnis van 1 december 2025 afgegeven voorziening komen te vervallen.
Afwijzing van het tweede moratorium
Het tweede moratoriumverzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde ontruimingsvonnis van 3 oktober 2025. Nu verzoekster opnieuw een moratoriumverzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of een tweede moratoriumverzoek ex artikel 287b Fw ontvankelijk kan worden verklaard nadat een eerder moratorium tussentijds is komen te vervallen.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu artikel 287b Fw zich niet verzet tegen een herhaalde aanvraag. In het vijfde lid van artikel 287b Fw is enkel de eis opgenomen dat een moratorium maximaal voor de duur van zes maanden wordt uitgesproken. Dat brengt met zich dat bij een tweede moratorium in ieder geval de looptijd van het eerdere moratorium dient te worden betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen aan het tweede moratoriumverzoek bovendien hogere eisen te worden gesteld, in dit geval in het bijzonder ten aanzien van de vraag of nakoming van de lopende huurtermijnen voldoende is gewaarborgd.
De rechtbank zal tegen deze achtergrond het voorliggende verzoek beoordelen.
Nu het verzoek ontvankelijk is, dient allereerst te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw.
Nu het eerste moratorium is vervallen, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2025 tot ontruiming van de woning niet langer opgeschort. In het verlengde hiervan is door verweerster op 28 april 2026 opnieuw de ontruiming aangezegd, waarbij is aangekondigd dat verweerster op 19 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van een bedreigende situatie.
In artikel 287b Fw zijn geen criteria genoemd op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 oktober 2025 (alsnog) ten uitvoer kan leggen.
Omdat het onderhavige verzoek een tweede moratoriumverzoek betreft ten aanzien van hetzelfde vonnis, dient naar het oordeel van de rechtbank voorts te worden beoordeeld of er gewijzigde omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat tijdige betaling van de lopende huurtermijnen nu wel voldoende gewaarborgd is en een minnelijke regeling een (relevante) kans van slagen heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
Verzoekster heeft de periode van het eerder toegewezen moratorium niet gebruikt om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen, noch heeft zij gedurende het moratorium de lopende huurtermijnen tijdig betaald. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen tijdig kunnen en zullen worden voldaan. De huur over de maanden maart en april 2026 is niet voldaan. Op 14 mei 2026 is één huurtermijn betaald, die volgens de advocaat van verzoekster moet worden beschouwd als betaling voor de maand juni 2026. Daarmee is ook de maand mei 2026 onbetaald gebleven. Er is onvoldoende waarborg voor de voldoening van de lopende huurtermijnen. Er is geen sprake van budgetbeheer en verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij geen beschermingsbewind wil.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van verzoekster nog geen schuldhulpverleningstraject is gestart nu zij hiertoe kennelijk niet alle benodigde medewerking verleent. Verzoekster zou op 11 juni 2026 een (eerste) afspraak hebben met schuldhulpverlening en ondanks dat ter zitting expliciet is gewezen op het belang van die afspraak voor verzoekster, blijkt uit een aanvullend bericht van diezelfde datum van schuldhulpverlening dat verzoekster niet is verschenen op die afspraak.
Het minnelijk traject bevindt zich om die reden nog steeds in de beginfase en niet aannemelijk is dat dit op korte termijn zal zijn afgerond.
In deze situatie is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoekster om in de woning te kunnen blijven wonen en het minnelijk schuldhulpverleningstraject af te ronden niet langer opweegt tegen het belang van verweerster bij de ontruiming van die woning.
Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het opnieuw treffen van een voorlopige voorziening.
Nu er geen compleet verzoek ex artikel 284 Fw Pro klaarligt, zal de rechtbank het voorliggende verzoek ook niet kunnen aanmerken als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw Pro.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek af.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.