ECLI:NL:RBROT:2026:7728

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10/353824-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 287 SrArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en bezit imitatievuurwapen tot vier jaar gevangenisstraf

Op 27 december 2025 heeft de verdachte in Rotterdam met een vuurwapen gericht geschoten op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en een groep onbekende personen bij een restaurant. De verdachte gebruikte een balletjespistool dat sterk leek op een echt vuurwapen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte twee keer heeft geschoten en het imitatievuurwapen in bezit had.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van medeplegen en dat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers heeft aanvaard. De rechtbank verwierp het medeplegen, omdat de handelingen van de verdachte en medeverdachte elkaar opvolgden zonder nauwe samenwerking. Wel werd vastgesteld dat de verdachte met het tweede schot bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde om de slachtoffers te doden.

De dagvaarding was geldig, ook voor de onbekende personen, omdat uit het dossier en camerabeelden duidelijk bleek dat er op een groep mensen werd geschoten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen vanwege het late indienen en onvoldoende verband met het strafbare feit.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot vier jaar gevangenisstraf, lager dan de eis van zes jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafblad. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter indienen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en bezit van een imitatievuurwapen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/353824-25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Datum zitting: 11 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 op [geboorteland] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.W. Syrier
Officier van justitie: mr. A. de Bruijne
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] .
Gemachtigde van benadeelde partij [benadeelde partij 1] : mr. J.A. Kribbe
Advocaat van de overige benadeelde partijen: mr. C.P. Timmers
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen en voor het bezit van een imitatievuurwapen. De dagvaarding is ook ten aanzien van de woorden ‘een of meer onbekend gebleven personen’ geldig. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 27 december 2025 samen met de medeverdachte heeft geprobeerd om onder andere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ook zou de verdachte een imitatievuurwapen voorhanden hebben gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 27 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend
gebleven personen
van het leven te beroven,
- meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten en/of
- ( op korte afstand) met een vuurwapen in de buik, althans het lichaam, van die
[slachtoffer 1] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij op of omstreeks 30 december 2025 te Rotterdam
(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 7º van de Wet wapens en
munitie
gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie,
te weten
een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen
gelijkt dat het voor
bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een:
nabootsing van een vuurwapen, te weten een:
nabootsing van een pistool,
welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met
een vuurwapen, namelijk een vuurwapen van het
merk Sig Sauer, type P232 .380
voorhanden heeft gehad.

2.Geldigheid van de dagvaarding

2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding partieel nietig is voor wat betreft het onderdeel ‘en/of een of meer onbekend gebleven personen’ omdat hieruit onvoldoende blijkt waarop de verdediging zich moet richten.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de dagvaarding in haar volledigheid geldig is. Uit het dossier blijkt duidelijk dat voor restaurant [restaurant] een groep mensen stond. Zij konden ook geraakt worden. Dat hun identiteit verder in het onderzoek onbekend is gebleven, betekent niet dat het niet op deze wijze ten laste gelegd mag worden.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
In het onder 1 ten laste gelegde feit zijn de woorden ‘en/of een of meer onbekend
gebleven personen’ opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk is waar de vervolging betrekking op heeft, nu uit het dossier (waarin o.a. een beschrijving van camerabeelden is opgenomen) volgt dat is geschoten in de richting van een groep personen die voor restaurant [restaurant] stonden. Dat de identiteit van deze personen niet bekend is, doet er niet aan af dat het voor de verdachte bekend is waar hij zich tegen moet verdedigen, zoals hij ook heeft gedaan. Daarmee voldoet de dagvaarding aan de eisen van duidelijkheid en begrijpelijkheid. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht de dagvaarding geldig.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 omdat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zou intreden. Ook een nauwe en bewuste samenwerking blijkt niet uit het dossier, waardoor niet van medeplegen kan worden gesproken. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en een of meer onbekend gebleven personen van het leven te beroven door een keer in hun richting te schieten (feit 1). Ook is bewezen dat de verdachte een imitatievuurwapen voorhanden had (feit 2). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering (feit 1). Nu ten aanzien van feit 2 geen verweer is gevoerd, zal de bewezenverklaring enkel gebaseerd zijn op de bewijsmiddelen.
Feit 1
1.
Verklaring van de verdachte bij de politie [2]
Het klopt dat ik twee keer heb geschoten.
2.
Proces-verbaal van de politie [3] Op de bewegende beelden is te zien dat verdachte [verdachte] vanaf de overzijde van de Groene Hilledijk globaal in de richting van het restaurant [restaurant] , dan wel in de richting van een/meerdere voor het restaurant aanwezige personen, schiet met een vuurwapen. Ditzelfde moment is op de bewegende beelden te zien, maar dan vanaf een andere camera. Op de laatstgenoemde beelden zijn tevens diverse personen te zien die zich op dat moment op het trottoir ter hoogte van het restaurant [restaurant] bevinden. Uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] is deels te herleiden welke personen dit betreffen. De meest linker persoon betreft [slachtoffer 2] . De middelste persoon [slachtoffer 1] . Aan de rechterkant bevindt zich een groepje mensen, van wie de identiteit onbekend is gebleven. Op de bewegende beelden is te zien dat [slachtoffer 2] ten tijde van het schieten door [verdachte] (…), overeind staat en dat [slachtoffer 2] direct na het gerichte schot op de grond valt. Tevens is te zien dat het eerder genoemde groepje met personen direct na het schot wegrent over de Groene Hilledijk in de richting van de kruising met de Strevelsweg/Bree. Op dat moment is te zien dat het groepje uit ten minste vijf personen bestaat.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden van 27 december 2025 van de kruising van de Groene Hilledijk met de Strevelsweg.
Ik zag op de camerabeelden dat om 21.50.42 uur verdachte-1 zijn armen weer uit het blauwkleurige voertuig haalde en opstond. Ik zag dat hij nu een voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat hij zijn rechterarm strekte en deze schuin omhoog hield. Ik zag en hoorde vervolgens een harde knal en zag vonken uit het voorwerp spatten die hij in zijn rechterhand vasthield.
Ik zag op de camerabeelden dat verdachte-1 zich met het voorwerp in zijn rechterhand enkele meters verplaatste en tussen twee geparkeerde auto's een zogenoemde schiethouding aannam. Ik zag dat het voorwerp wat verdachte-1 vasthield uiterlijke gelijkenissen had met een handvuurwapen. Ik zal dit voorwerp in dit proces-verbaal verder duiden als vuurwapen. Ik zag dat hij het vuurwapen nu recht voor zich hield en dat zijn armen gestrekt waren. Ik zag dat hij met het vuurwapen richtte naar de overzijde van de Groene Hilledijk, globaal gezien was dit in de richting van horecagelegenheid [restaurant] . Ik hoorde ngomaals een harde knal en ik zag dat er vonken uit het vuurwapen kwamen.
Feit 2
1.
Proces-verbaal van de politie [5] Op 30 december 2025 werd aan [adres] te Rotterdam een op een vuurwapengelijkend voorwerp aangetroffen. Het voorwerp was (..) aangetroffen tijdens een doorzoeking in een nachtkastje van een slaapkamer dat door de ouders van verdachte [verdachte] werd aangewezen als de slaapkamer van [verdachte] .
Het voorwerp betrof een balletjespistool. Het voorwerp was voorzien van een patroonhouder, geschikt om balletjes in te doen teneinde deze te kunnen verschieten.
Ik, verbalisant, zag dat het voorwerp sprekende gelijkenissen vertoonde met het vuurwapen van het merk Sig Sauer, type P232 .380. Gelet op het feit dat het inbeslaggenomen voorwerp sterke, uiterlijke gelijkenissen heeft met het hierboven genoemd vuurwapen van het merk Sig Sauer is het geschikt voor bedreiging en/of afdreiging.
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [6] Het balletjespistool dat bij mijn vader is gevonden is oud speelgoed van mij.
3.3.2.
Bewijsmotivering feit 1 (poging doodslag)
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt en of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de onbekend gebleven personen van het leven te beroven.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De verdachte en [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) gingen eten halen bij restaurant [restaurant] en zijn daar in conflict geraakt met de latere slachtoffers. De verdachte heeft verklaard dat hem een vuurwapen werd getoond; hij wist te ontvluchten en hij heeft in zijn auto een vuurwapen kunnen pakken. De verdachte schoot vervolgens twee keer voordat de medeverdachte het vuurwapen van hem afpakte. De medeverdachte is vervolgens restaurant [restaurant] ingelopen en heeft [slachtoffer 1] in zijn buik geschoten.
Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van een intensieve samenwerking of van een taakverdeling. De verdachten waren weliswaar samen bij restaurant [restaurant] en hebben met hetzelfde vuurwapen geschoten, maar zij deden dat na elkaar. Uit het dossier blijkt niet van een samenwerking. De gedragingen van de verdachten moeten worden aangemerkt als elkaar opvolgende, zelfstandige handelingen, waarbij ieder een eigen bijdrage heeft geleverd. Om die reden zal de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Concreet betekent dit dat hem geen handelingen verricht door de medeverdachte, te weten het schieten in de buik van [slachtoffer 1] , kunnen worden verweten.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en onbekend gebleven personen door twee keer in hun richting te schieten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte twee keer heeft geschoten: de eerste keer schuin omhoog richting het restaurant [restaurant] en de tweede keer gericht naar restaurant [restaurant] .
Met het eerste schot heeft de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] of andere onbekend gebleven personen van het leven zou beroven. De verdachte heeft verklaard dat hij de groep die hem eerder een vuurwapen toonde, wilde afschrikken door omhoog te schieten. De door verbalisanten uitgekeken camerabeelden ondersteunen het beeld dat hij schuin omhoog schoot.
De verklaring van verdachte dat hij niet zag dat voor het restaurant personen stonden en dat ook het tweede schot als afschrikkingsmiddel diende, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte nam na het eerste schot een schiethouding aan, waarbij hij het vuurwapen recht voor zich hield met gestrekte armen. Ook is op de camerabeelden gezien dat hij het vuurwapen richtte op de overzijde van de Groene Hilledijk, in de richting van restaurant [restaurant] . Voor het restaurant stonden op dat moment [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en een groep andere personen. Nu verdachte – naar eigen zeggen – kort daarvoor nog van de groep wist te ontvluchten, is de verklaring dat hij niet wist dat voor het restaurant personen stonden onaannemelijk. Door gericht te schieten naar [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de overige onbekend gebleven personen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard hen van het leven te beroven.
De rechtbank acht de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 27 december 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend
gebleven personen
van het leven te beroven,
- eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Feit 2
hij op of omstreeks 30 december 2025 te Rotterdam
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 7º van de Wet wapens en
munitie
gelet op art. 3, onder a van de Regeling wapens en munitie,
te weten
een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen
gelijkt dat het voor
bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een:
nabootsing van een vuurwapen, te weten een:
nabootsing van een pistool,
welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met
een vuurwapen, namelijk een vuurwapen van het
merk Sig Sauer, type P232 .380
voorhanden heeft gehad.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
poging tot doodslag;
Feit 2
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie /standpunt verdediging
De verdachte moet voor feit 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
5.2.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een nabootsing van een pistool. Dit zijn zeer ernstige feiten. Na een conflict heeft de verdachte met een vuurwapen gericht richting het restaurant geschoten, waarvoor een groep personen stond. De verdachte mag van geluk spreken dat hierbij niemand is geraakt. Daarnaast heeft de verdachte een balletjespistool voorhanden gehad, dat sprekend op een echt vuurwapen leek. Dat kan een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken, omdat een nabootsing van een dergelijk vuurwapen geschikt is voor de bedreiging van personen.
5.2.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor wapenbezit.
Rapport van de reclassering
Uit het rapport van GGZ Fivoor (hierna: de reclassering) van 9 juni 2026 blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachte.
5.2.3.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Dat de rechtbank een lagere gevangenisstraf oplegt dan de officier van justitie heeft geëist, is gelegen in het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Daarom wordt een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden ten uitvoer gelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. De rechtbank acht de voorwaarden die in dit kader kunnen worden gesteld voldoende en zal daarom geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen.

6.Vordering van de benadeelde partijen

6.1.
Vorderingen
[benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 7.875,99 als vergoeding voor materiële schade en € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 499,46 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 3]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 5.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13]
[benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] hebben als benadeelde partij ieder afzonderlijk voor feit 1 € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. De vordering van [benadeelde partij 1] kwam op 8 juni 2026 binnen. De overige vorderingen zijn pas de dag voor de zitting, aan het einde van de middag, aangeleverd. Om die reden heeft de verdediging zich niet voldoende kunnen voorbereiden.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] de dag voorafgaand aan de zitting zijn ingediend, in de middaguren. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend. De rechtbank is echter van oordeel dat de verdediging niet voldoende in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren tegen de vordering. In verband hiermee zou de zaak moeten worden aangehouden, wat een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, dit als gevolg van het late indienen – waar geen afdoende reden voor is gegeven – en het grote aantal vorderingen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk in de vordering. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering omdat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het strafbare feit onvoldoende is vast komen te staan. De naam van de benadeelde partij komt niet voor in het strafdossier en uit de vordering blijkt niet waar hij stond.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding geldig;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 9] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 10] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 11] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 12] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 13] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1).

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
2.p. 169 e.v.
3.p. 205 e.v.
4.4 pagina 54 e.v.
5.pagina 137 e.v.
6.pagina 169 e.v.