ECLI:NL:RBROT:2026:7679

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10-220215-25, 09-179464-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en binnendringen woning met valse sleutel

De verdachte heeft op 25 juni 2025 een sleutelbos weggenomen uit de woning van de aangeefster en is op 27 juli 2025 met die sleutels haar woning binnengedrongen. Tijdens deze inbraak heeft hij contant geld en een telefoon gestolen. Bij zijn vlucht gebruikte hij geweld tegen de aangeefster door de deur dicht te houden, waardoor zij ten val kwam en letsel opliep.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de sleutelbos met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen en vervolgens met een valse sleutel de woning is binnengedrongen om diefstal te plegen, waarbij hij geweld gebruikte om de vlucht mogelijk te maken. De verdediging betwistte het gebruik van geweld, maar de rechtbank vond voldoende bewijs voor het dichthouden van de deur en het veroorzaken van de val.

De verdachte heeft een strafblad met soortgelijke feiten en liep nog in een proeftijd. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, schuldhulpverlening en middelencontrole.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, waarvan de rechtbank € 883,75 aan materiële en € 5.000,00 aan immateriële schade toewijst, inclusief wettelijke rente vanaf 27 juli 2025. Tevens werd de schadevergoedingsmaatregel met gijzeling opgelegd.

De rechtbank besloot ook tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf wegens het plegen van de feiten tijdens de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-220215-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 09-179464-24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Datum zitting: 4 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in detentiecentrum [plaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.C. Spigt
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.A. Oosterveen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft een sleutelbos weggenomen uit de woning van de aangeefster en is een maand later met die sleutels haar woning binnengedrongen. Daar heeft hij haar telefoon en contant geld gestolen. De verdachte heeft daarbij geweld gebruikt tegen de aangeefster om zijn vlucht mogelijk te maken. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 25 juni 2025 de huissleutels uit de woning van de aangeefster heeft weggenomen (feit 1) en dat hij vervolgens op 27 juli 2025 met deze sleutels haar woning is binnen gegaan en daar contant geld en haar telefoon heeft gestolen, waarna hij tijdens zijn vlucht geweld jegens haar heeft gebruikt (feit 2).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
1
op of omstreeks 25 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, uit een woning, aan de [adres 2] , een sleutelbos, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op of omstreeks 27 juli 2025 te Rotterdam omstreeks 02:30u-04:19u, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 2] , een telefoon en/of een contant geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te telefoon en het contante geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel, door een van de sleutel(s) uit de sleutelbos te gebruiken die verdachte zich eerder wederrechtelijk heeft toegeëigend, in elk geval (een) sleutel(s) tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- de voordeur van die [slachtoffer] vanaf de buitenzijde dicht te houden en/of dicht te trekken, terwijl die [slachtoffer] aan de andere kant van de deur trok en/of
- de voordeur vanaf de buitenzijde weer open te duwen, terwijl die [slachtoffer] aan de andere kant van de deur stond en/of waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of
- met de vuist in/op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] te stompen en/of
- in/tegen de zij, althans in/op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te trappen/ en/of te schoppen, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- meerdere malen in/op/tegen het lichaam te schoppen/ en/of te trappen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit voor feit 2, omdat de verdachte bij de diefstal geen geweld heeft toegepast. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 25 juni 2025 de sleutelbos van de aangeefster heeft gestolen en op 27 juli 2025 in de nachtelijke uren haar woning door middel van deze sleutelbos is binnengedrongen. Hier heeft hij contant geld en haar telefoon gestolen. De verdachte heeft geweld gebruikt tegen de aangeefster toen hij weg wilde vluchten. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [aangeefster] [3]
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
3.
Verklaring van de verdachte [4]
Ik was op 27 juli 2025 in de woning van de aangeefster op zoek naar waarde. Ik heb een telefoon en contant geld meegenomen. Ik hoorde gestommel en haar daarna schreeuwend op me af komen. Ik ging naar buiten en drukte de liftknop in. Ik hield de voordeur dicht. Ik was bang dat ze me zou herkennen. Ik liet de deur los en ging de lift in.
4.
Verklaring verdachte bij de rechter-commissaris [5]
Toen zij mij ontdekte ben ik uit de woning gerend. Ik heb de deur dichtgetrokken. Zij trok aan de deur, ik heb ook aan de deur getrokken aan de andere kant om de deur dicht te houden terwijl ik op de lift wachtte. Toen de lift kwam, heb ik de deur losgelaten. Waarschijnlijk is zij toen gevallen.
5.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [aangeefster] [6]
Op 27 juli 2025 in mijn woning aan de [adres 2] in Rotterdam hoorde ik omstreeks 04.12 uur veel lawaai. Ik hoorde toen dat mijn voordeur dicht gedaan werd, waarop ik naar de voordeur liep en de deur uit reactie open probeerde te doen. Ik voelde dat mijn voordeur vanaf de andere kant werd dichtgehouden. De deur ging open, mijn kant op. Ik merkte dat mijn telefoon niet meer in mijn bezit was. Daarnaast is het contante geld uit mijn portemonnee gehaald: tachtig euro. Ik zag dat het contante geld wat ik in mijn ladekast in de gang had liggen, ook weggenomen was. Ik weet dat er vijfenvijftig euro aan contant geld lag.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Vast staat dat de verdachte in de nacht van 27 juli 2025 bij de aangeefster heeft ingebroken met de eerder door hem weggenomen huissleutels. Toen de aangeefster hem ontdekte is hij met haar telefoon en contant geld gevlucht. Nadat hij op het liftknopje had gedrukt heeft hij de deur van de woning aan de buitenkant dichtgetrokken en dichtgehouden. De aangeefster stond aan de andere kant aan de deur te trekken. Toen de lift kwam heeft de verdachte de deur ineens losgelaten, waarna de aangeefster ten val is gekomen.
Anders dan door de verdediging is betoogd, levert dit een geweldshandeling op in de zin van artikel 312 Sr Pro nu de verdachte er rekening mee moest houden dat de aangeefster ten val zou komen bij het onder deze omstandigheden ineens loslaten van de deur.
Voor de overige geweldshandelingen waarover de aangeefster heeft verklaard (slaan en schoppen), ziet de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De aangeefster heeft hier zelf wisselend over verklaard en uit de FARR-verklaring volgt dat het letsel bij de aangeefster evengoed kan zijn veroorzaakt door een val als door slaan en schoppen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
Feit 1
op 25 juni 2025 te Rotterdam uit een woning, aan de [adres 2] , een sleutelbos, die geheel aan
[slachtoffer]toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2
op 27 juli 2025 te Rotterdam gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning aan de [adres 2] , een telefoon en een contant geldbedrag die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te
nementelefoon en het contante geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een van de sleutels uit de sleutelbos te gebruiken die verdachte zich eerder wederrechtelijk heeft toegeëigend welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- de voordeur van die [slachtoffer] vanaf de buitenzijde dicht te houden en dicht te trekken, terwijl die [slachtoffer] aan de andere kant van de deur trok waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
Diefstal.
Feit 2:
Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om te volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden volgend uit het reclasseringsadvies, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de reeds door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een sleutelbos gestolen en vervolgens een diefstal met geweld en een valse sleutel gepleegd in de woning van de aangeefster. Toen hij als KPN-monteur bij de destijds 85-jarige aangeefster thuis was, heeft hij haar reservesleutel weggenomen. Een maand later is hij ’s nachts met die sleutel haar woning binnengedrongen en heeft hij haar telefoon en een bedrag van € 135,00 aan contant geld weggenomen. Na betrapping door de aangeefster is hij weggevlucht. Tijdens het wachten op de lift heeft hij de voordeur van woning van de aangeefster vanaf de buitenkant dichtgehouden terwijl de aangeefster vanaf de binnenkant de deur probeerde te openen. Nadat de verdachte de deur losliet is de aangeefster ten val gekomen waardoor zij letsels (bloeduitstortingen) heeft opgelopen op haar slaap en heup. De verdachte wist dat de aangeefster op hoge leeftijd was en heeft de sleutel bewust meegenomen om op een later moment naar waardevolle goederen in haar woning te kunnen zoeken. De rechtbank acht deze handelwijze dan ook bijzonder berekenend.
Ondanks de beperkte waarde van de weggenomen goederen hebben de feiten een grote impact gehad op de aangeefster. De verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, haar gevoel van veiligheid en haar lichamelijke integriteit. Het moet voor de aangeefster zeer beangstigend zijn geweest om midden in de nacht een indringer in haar woning aan te treffen, een plek waar zij zich juist veilig moeten kunnen voelen. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat zij na het gebeuren nog maandenlang slaapproblemen heeft gehad. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen van de aangeefster ernstig beschaamd.
Daarnaast zorgen feiten als deze voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij als geheel. Ook heeft de verdachte het vertrouwen dat in het bijzonder ouderen moeten kunnen stellen in monteurs en anderen die voor werkzaamheden in hun woning moeten zijn, ondermijnd.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hij liep bovendien nog in een proeftijd. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
Uit het reclasseringsrapport van 24 maart 2026 blijkt dat de verdachte tijdens het lopende toezicht meermaals heeft verklaard zijn leven te willen beteren en afstand te willen nemen van criminaliteit. Desondanks heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Hierdoor zet de reclassering vraagtekens bij de geloofwaardigheid van zijn eerder uitgesproken bereidheid tot gedragsverandering. De reclassering ziet desondanks nog mogelijkheden om de verdachte te begeleiden naar een stabieler bestaan en hem te ondersteunen bij het beëindigen van zijn criminele gedrag. De verdachte heeft tegenover de reclassering aangegeven open te staan voor deze hulpverlening.
Gelet op het voorgaande acht de reclassering toezicht en interventies noodzakelijk om de risico’s te beperken en meer inzicht te krijgen in de onderliggende problematiek van de verdachte. Daarom adviseert zij een meldplicht bij de reclassering en deelname aan schuldhulpverlening. Daarnaast adviseert de reclassering een klinische opname in een forensische instelling voor diagnostiek, om inzicht te verkrijgen in de problematiek, het recidiverisico en de behandelbaarheid van de verdachte. Op basis van de uitkomsten kan vervolgens een passend ambulant behandeltraject worden ingezet. Verder moet de verdachte meewerken aan het aflossen van schulden en aan controles om het middelengebruik te beheersen. De reclassering adviseert de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Voor een diefstal in een woning, gevolgd of vergezeld van geweld, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar.
De rechtbank rekent het de verdachte in strafverzwarende zin aan dat hij de feiten heeft gepleegd gedurende een proeftijd en daarbij op berekenende wijze heeft gehandeld.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte in een vroeg stadium openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Daarnaast staat hij open voor hulpverlening en behandeling, welke de rechtbank noodzakelijk acht. Ook weegt de rechtbank mee dat het toegepaste geweld relatief gezien – in verhouding tot andere zaken - licht is geweest. Dat neemt niet weg dat de aangeefster hierdoor letsel heeft opgelopen en dat het incident een grote impact op haar heeft gehad.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.
De rechtbank zal daarvan 6 maanden voorwaardelijk opleggen, omdat zij het noodzakelijk acht de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Met het voorwaardelijke strafdeel wordt bovendien beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De bijzondere voorwaarden zijn:
1. Meldplicht bij reclassering;
2. Opneming in een zorginstelling;
3. Ambulante behandeling;
4. Aflossing schulden;
5. Beheersing middelengebruik.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij een bedrag van € 883,75 gevorderd aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.883,75, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij over de materiële schade kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 770,80. De overige materiële kosten dienen te worden afgewezen. De verdediging refereert zich met betrekking tot de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de twee gepleegde strafbare feiten. De vordering van € 883,75 aan materiële schade wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering onvoldoende heeft weersproken.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van de twee strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 27 juli 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging

6.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek op het gebied van psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De ambulante behandeling start nadat de klinische opname is afgerond. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek.
4. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
5. gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf parketnummer 09-179464-24)
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, zoals opgelegd in het vonnis van 9 september 2024;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 5.883,75, bestaande uit € 883,75 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 27 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat
€ 5.883,75te betalen, en de wettelijke rente vanaf 27 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. E. IJspeerd en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. P.A.J. van der Hart, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 juni 2026.
Mrs. E. IJspeerd en Y. Peters zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] , proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 4 juni 2026.
3.Pagina 5 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .
4.Verklaard tijdens de zitting van 4 juni 2026.
5.Verklaard op 16 december 2025.
6.Pagina 5 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .