Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- mevrouw [persoon A] (woonconsulent bij Havensteder) met mr. Y.F. Rijsdijk;
- [gedaagde] en haar ouders met mr. K.T. Ghaffari.
Rechtbank Rotterdam
Havensteder vordert in kort geding de ontruiming van een woning die zij verhuurt aan [gedaagde], nadat de politie op 25 maart 2026 een doorzoeking hield waarbij handelshoeveelheden drugs, een nep-pistool, een hakbijl en pepperspray werden aangetroffen. De burgemeester sloot de woning voor zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Havensteder ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk en eist ontruiming.
[gedaagde] betwist de eis en stelt dat de drugs toebehoren aan een derde die zij onderdak bood, en dat de ontbinding disproportioneel en onaanvaardbaar is. De kantonrechter oordeelt dat Havensteder bevoegd was tot ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro en dat de ontbinding en ontruiming niet onaanvaardbaar zijn volgens redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) en geen misbruik van recht vormen (art. 3:13 BW Pro).
De rechter weegt mee dat er sprake is van ernstige feiten: grote hoeveelheden drugs verspreid door de woning, meerdere wapens, en grootschalige handel. [gedaagde] wist van de situatie en greep niet in. Het belang van Havensteder bij leefbaarheid en veiligheid weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning, ondanks haar psychische problemen.
De kantonrechter acht aannemelijk dat de ontbinding in een bodemprocedure stand zal houden en wijst de eis toe. [gedaagde] moet de woning binnen veertien dagen na opheffing van de sluiting ontruimen. Tevens wordt zij veroordeeld in de proceskosten van €1.299,94 met wettelijke rente. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na opheffing van de sluiting en tot betaling van proceskosten.