ECLI:NL:RBROT:2026:7655
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit van het CBR waarin zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard. Dit verzoek betrof een brief van het CBR van 28 april 2026 en een besluit op bezwaar van 11 december 2025. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht van € 200,-, dat binnen een door de griffier gestelde termijn moest worden voldaan. Verzoeker werd per aangetekende brief op 30 mei 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. Deze brief werd op 2 juni 2026 bezorgd en ondertekend ontvangen. Verzoeker heeft het griffierecht echter niet tijdig betaald en gaf geen reden voor dit verzuim.
Omdat geen verontschuldiging werd aangevoerd, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan op 1 juli 2026 door voorzieningenrechter V. van Dorst.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.