ECLI:NL:RBROT:2026:7655

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/4561
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit van het CBR waarin zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard. Dit verzoek betrof een brief van het CBR van 28 april 2026 en een besluit op bezwaar van 11 december 2025. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht van € 200,-, dat binnen een door de griffier gestelde termijn moest worden voldaan. Verzoeker werd per aangetekende brief op 30 mei 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. Deze brief werd op 2 juni 2026 bezorgd en ondertekend ontvangen. Verzoeker heeft het griffierecht echter niet tijdig betaald en gaf geen reden voor dit verzuim.

Omdat geen verontschuldiging werd aangevoerd, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan op 1 juli 2026 door voorzieningenrechter V. van Dorst.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4561

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
1.1.
Verzoeker heeft op 11 mei 2026, nader gespecificeerd op 19 mei 2026 verzocht om een voorlopige voorziening tegen een brief van het CBR van 28 april 2026 [1] . Daarnaast heeft verzoeker beroep [2] ingesteld en een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit op bezwaar van 11 december 2025, waarin verzoekers rijbewijs ongeldig is verklaard.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [3] In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 30 mei 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 juni 2026 om 09:08 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer ROT 26/4321.
2.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ROT 25/10204.
3.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.