Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 11 februari 2026
- de akte van [gedaagde] die zij op 5 mei 2026 aan de rechtbank heeft toegezonden
2.De zaak in het kort
3.De beoordeling
.
4.De beslissing
4043
Rechtbank Rotterdam
Eiser heeft op 12 september 2025 executoriaal derdenbeslag gelegd onder gedaagde op huurpenningen van een kantoorruimte. Gedaagde, bestuurder en zoon van eiser en diens ex-partner, legde aanvankelijk geen derdenverklaring af ondanks sommatie. Eiser vorderde betaling van het beslagbedrag van €1.578.614,01 met rente en proceskosten.
Na dagvaarding op 17 december 2025 heeft gedaagde alsnog een derdenverklaring afgelegd, waardoor de primaire vordering tot betaling van het beslagbedrag geen grond meer heeft. Eiser stelde dat gedaagde alleen recht heeft op proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat gedaagde de proceskosten aan de zijde van eiser moet vergoeden, maar niet de kosten van de mondelinge behandeling omdat deze nodeloos door eiser zijn veroorzaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling handhaafde eiser haar primaire vordering zonder voldoende grondslag, en verwees naar ondeugdelijke verklaring en betalingen aan de ex-partner, wat niet relevant was voor de procedure. De rechtbank wees de primaire vordering en beslagkosten af en veroordeelde gedaagde tot betaling van €833 aan proceskosten, exclusief exploot- en betekeningskosten vanwege toevoeging.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 1 juli 2026 door rechter I. van Drongelen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van het beslagbedrag af en veroordeelt gedaagde tot betaling van proceskosten, exclusief kosten mondelinge behandeling.