ECLI:NL:RBROT:2026:7649

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/10/712592 HA ZA 25-1146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I. van Drongelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a lid 1 RvArt. 477a lid 2 RvArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling derdenbeslag afgewezen, proceskosten deels toegewezen

Eiser heeft op 12 september 2025 executoriaal derdenbeslag gelegd onder gedaagde op huurpenningen van een kantoorruimte. Gedaagde, bestuurder en zoon van eiser en diens ex-partner, legde aanvankelijk geen derdenverklaring af ondanks sommatie. Eiser vorderde betaling van het beslagbedrag van €1.578.614,01 met rente en proceskosten.

Na dagvaarding op 17 december 2025 heeft gedaagde alsnog een derdenverklaring afgelegd, waardoor de primaire vordering tot betaling van het beslagbedrag geen grond meer heeft. Eiser stelde dat gedaagde alleen recht heeft op proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat gedaagde de proceskosten aan de zijde van eiser moet vergoeden, maar niet de kosten van de mondelinge behandeling omdat deze nodeloos door eiser zijn veroorzaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling handhaafde eiser haar primaire vordering zonder voldoende grondslag, en verwees naar ondeugdelijke verklaring en betalingen aan de ex-partner, wat niet relevant was voor de procedure. De rechtbank wees de primaire vordering en beslagkosten af en veroordeelde gedaagde tot betaling van €833 aan proceskosten, exclusief exploot- en betekeningskosten vanwege toevoeging.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 1 juli 2026 door rechter I. van Drongelen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van het beslagbedrag af en veroordeelt gedaagde tot betaling van proceskosten, exclusief kosten mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712592 / HA ZA 25-1146
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Jonkman,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te Schiedam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 december 2026
- de conclusie van antwoord van 11 februari 2026
- de akte van [gedaagde] die zij op 5 mei 2026 aan de rechtbank heeft toegezonden
- de e-mail van de rechtbank van 7 mei 2026
- de e-mail van [gedaagde] van 8 mei 2026
- de e-mail van de rechtbank van 12 mei 2026
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser] heeft derdenbeslag gelegd onder [gedaagde]. [gedaagde] heeft vervolgens nagelaten tijdig een derdenverklaring af te geven. [eiser] maakt in deze procedure primair aanspraak op betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, en subsidiair op vergoeding van de proceskosten. Nadat de dagvaarding aan haar betekend was, heeft [gedaagde] alsnog een derdenverklaring afgegeven. [gedaagde] is van mening dat [eiser] daardoor alleen nog recht heeft op vergoeding van de proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de proceskosten aan de zijde van [eiser] moet vergoeden, met uitzondering van de kosten voor de mondelinge behandeling. Dit wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
3.1.
[eiser] heeft een geschil met haar ex-partner, [naam] (hierna: [naam]). [eiser] heeft op 12 september 2025 ten laste van [naam] executoriaal derdenbeslag gelegd onder [gedaagde], meer in het bijzonder op de huurpenningen betreffende de kantoorruimte die [gedaagde] huurt van [naam]. De bestuurder van [gedaagde] is de zoon van [eiser] en [naam].
3.2.
[gedaagde] heeft ook na daartoe door [eiser] te zijn gesommeerd geen verklaring gedaan van de door het beslag getroffen vorderingen en zaken. [eiser] vordert in deze procedure primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, te weten € 1.578.614,01, met rente, en subsidiair dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de nodeloos gemaakte kosten, waaronder de volledige proceskosten en beslag- en explootkosten. De dagvaarding is op 17 december 2025 uitgebracht. Op 10 februari 2026 heeft [gedaagde] alsnog een verklaring afgelegd.
[gedaagde] moet een deel van de proceskosten vergoeden
3.3.
Als een derde-beslagene geen verklaring aflegt over wat het beslag heeft getroffen kan die derde op vordering van de beslaglegger worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd. Als de derde na dagvaarding alsnog een verklaring aflegt is er geen grondslag meer voor een dergelijke vordering. Wel heeft de beslaglegger dan recht op vergoeding van de proceskosten als nodeloos gemaakte kosten (artikel 477a lid 1 Rv).
3.4.
Omdat [gedaagde] pas na dagvaarding een verklaring heeft afgelegd moet [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de proceskosten aan de zijde van [eiser] vergoeden. De rechtbank ziet in dit geval wel aanleiding om te oordelen dat [gedaagde] de kosten voor de mondelinge behandeling niet hoeft te vergoeden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.5.
[gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij akte erkend dat [eiser] kosten heeft gemaakt voor de procedure en heeft zich bereid verklaard de proceskosten te vergoeden. Daarbij heeft [gedaagde] de rechtbank verzocht de zitting niet door te laten gaan. De rechtbank heeft daarop aan partijen gevraagd of zij gezien de bereidverklaring van [gedaagde] wellicht in staat zouden zijn de zaak in der minne op te lossen. Voor het geval zij hier niet toe in staat zouden zijn, heeft de rechtbank [eiser] gevraagd of zij de zitting wilde laten doorgaan. [eiser] heeft daarop een uitgebreide akte ingediend waarin zij is ingegaan op allerlei aspecten die volgens haar van belang zouden zijn voor de zaak. [gedaagde] heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Omdat de akte van [eiser] was ingestoken als een conclusie heeft de rechtbank deze niet toegelaten. Aangezien [eiser] niet wilde afzien van een zitting heeft de rechtbank deze doorgang laten vinden.
3.6.
Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven dat zij haar primaire vordering handhaaft. Zij heeft echter niet onderbouwd op welke grondslag zij, ondanks het feit dat [gedaagde] inmiddels een derdenverklaring heeft afgelegd, recht zou hebben op betaling van het volledige bedrag waarvoor beslag is gelegd. Wel heeft zij aangevoerd dat de door [gedaagde] afgelegde verklaring ondeugdelijk was en dat [gedaagde] in weerwil van het beslag betalingen heeft verricht aan de heer [naam]. Deze stellingen houden echter geen verband met de vorderingen van [eiser] in deze procedure, nog daargelaten dat een afgelegde derdenverklaring binnen twee maanden na het afleggen van de verklaring moet worden betwist (artikel 477a lid 2 Rv). Daar komt bij dat [eiser] ook ten aanzien van de gevorderde beslagkosten geen grondslag heeft kunnen aangeven en zich wat die kosten betreft heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.7.
Voor een veroordeling tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd en ook voor een veroordeling tot betaling van de door [eiser] gemaakte beslagkosten bestaat in deze zaak gezien het wettelijk systeem geen enkele grond. Dat maakt dat alleen de vordering ten aanzien van de proceskosten voor toewijzing in aanmerking kan komen. [gedaagde] heeft zich al voorafgaand aan de zitting bereid verklaard de proceskosten te voldoen. Daarvoor hoefde dus geen zitting plaats te vinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] de zitting nodeloos doorgang heeft laten vinden. De proceskosten van de zitting blijven daarom voor haar rekening (artikel 237 lid 1 Rv Pro).
3.8.
[gedaagde] zal wel worden veroordeeld in de overige proceskosten aan de zijde van [eiser]. Deze proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat (1 punt)
554,00
(1 punt × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
833,00
Omdat [eiser] procedeert op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] die worden begroot op € 833,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
4043