ECLI:NL:RBROT:2026:7574

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/719466 / JE RK 26-894 en C/10/720106 / JE RK 26-985
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:255 BWArt. 1:265c BWArt. 6.1.2 JeugdwetArt. 6.1.3 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Rotterdam behandelde op 11 juni 2026 de zaken betreffende een minderjarige met ernstige traumaproblematiek en gedragsproblemen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling voor een jaar en een machtiging voor gesloten uithuisplaatsing van zes maanden, gevolgd door een reguliere uithuisplaatsing van drie maanden. De minderjarige vertoont suïcidale uitingen, middelengebruik en contact met meerderjarige mannen, en weigert behandeling.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west steunde de verzoeken, maar de minderjarige en haar advocaat voerden verweer tegen de gesloten plaatsing, stellende dat deze averechts zou werken en het wantrouwen zou vergroten. De moeder stemde in met de verzoeken.

De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing. De machtiging voor gesloten jeugdhulp werd echter afgewezen omdat de gedragswetenschapper de minderjarige niet persoonlijk had onderzocht en een gesloten plaatsing de situatie waarschijnlijk zou verergeren.

Daarnaast werd een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen gedurende de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht, verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing, wijst de machtiging voor gesloten jeugdhulp af en benoemt een bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/719466 / JE RK 26-894 en C/10/720106 / JE RK 26-985
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling, machtiging tot (gesloten) uithuisplaatsing en benoeming bijzondere curator
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam mindeerjarige] ,
advocaat: mr. E. Kafa uit, kantoorhoudende in Rotterdam
(alleen in C/10/720106 / JE RK 26-985).
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/719466 / JE RK 26-894
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het rapport van de Raad van 13 mei 2026, ontvangen op 21 mei 2026.
Ten aanzien van C/10/720106 / JE RK 26-985
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 21 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [voornaam mindeerjarige] met haar advocaat;
  • de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ,
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam mindeerjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam mindeerjarige] heeft hierover voorafgaand de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam mindeerjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam stiefvader] (stiefvader), [persoon C] en [persoon D] (mentoren [voornaam mindeerjarige] van iHub).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam mindeerjarige] .
2.2.
[voornaam mindeerjarige] verblijft bij iHub.
2.3.
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [voornaam mindeerjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 27 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam mindeerjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 juni 2026.

3.De verzoeken

Ten aanzien van C/10/719466 / JE RK 26-894
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam mindeerjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/720106 / JE RK 26-985
3.2.
De Raad verzoekt een machtiging te verlenen om [voornaam mindeerjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Aansluitend verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van [voornaam mindeerjarige] te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt deze laatste beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De Raad handhaaft ter zitting de verzoeken en licht dit als volgt toe. [voornaam mindeerjarige] loopt vast in haar ontwikkeling op het gebied van haar thuissituatie, vrije tijd en school. [voornaam mindeerjarige] heeft contact met meerderjarige mannen, gebruikt middelen en loopt weg van de groep. Een gesloten machtiging is nodig om deze situatie te doorbreken. Eerder is deze maatregel overwogen, waarbij [voornaam mindeerjarige] nog een kans is geboden zich aan de afspraken binnen de groep te houden. Tot op heden houdt [voornaam mindeerjarige] zich niet aan deze afspraken. De gedragswetenschapper is twee keer langs geweest om [voornaam mindeerjarige] te spreken, maar [voornaam mindeerjarige] was daartoe niet bereid. Daarnaast weigert zij behandeling die zij nodig heeft.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI ondersteunt de verzoeken van de Raad. Er zijn veel zorgen over [voornaam mindeerjarige] . Er zijn meerdere afspraken met haar gemaakt, maar zij houdt zich hier niet aan. De afspraken gaan onder meer over het tijdig terugkomen naar de groep, het doorgeven waar zij is en het niet omgaan met meerderjarige mannen. In de afgelopen periode is het meerdere keren voorgekomen dat [voornaam mindeerjarige] pas rond middernacht terugkeerde naar de groep. Daarnaast doet [voornaam mindeerjarige] suïcidale uitingen en vertoont zij zelfbeschadigend gedrag. Deze zorgen zijn de afgelopen periode toegenomen. Mogelijk hangt dit samen met de spanning in aanloop naar de zitting, maar de situatie blijft zorgelijk. Er is contact met [locatie] over een mogelijke plaatsing. Indien de gesloten machtiging wordt verleend, kan worden bekeken of een andere gesloten voorziening passender is dan [locatie] , gelet op de aanwezigheid van een meisje daar door wie [voornaam mindeerjarige] is mishandeld. Als de machtiging niet wordt verleend, zal worden gezocht naar een andere open plek waar behandeling mogelijk is. Dit is eerder geprobeerd, maar heeft nog niet tot een passende plaatsing geleid. Dit hangt mede samen met het ontbreken van motivatie bij [voornaam mindeerjarige] om behandeling te aanvaarden. Meerdere keren is voorgesteld dat zij met een psychiater in gesprek zou gaan, maar dat heeft zij telkens geweigerd.

5.Het standpunt van [voornaam mindeerjarige]

5.1.
Door en namens [voornaam mindeerjarige] wordt verweer gevoerd tegen de gesloten plaatsing. [voornaam mindeerjarige] kampt met ernstige traumaproblematiek en een verstoorde hechting. Haar natuurlijke reactie op stressvolle situaties is vluchten. Een dwingende en gesloten plaatsing werkt in een dergelijke situatie vaak averechts. Een gesloten plaatsing zal naar verwachting leiden tot meer wantrouwen en de bereidheid van [voornaam mindeerjarige] om behandeling te accepteren verder verminderen. Daarnaast bestaat het risico dat de situatie verder escaleert. [voornaam mindeerjarige] heeft aangegeven dat zij, indien zij gesloten wordt geplaatst, de boel in brand zal steken of zichzelf iets aan zal doen. Ook is van belang dat de GI voornemens lijkt te zijn [voornaam mindeerjarige] bij [locatie] te plaatsen. Daar verblijft een meisje tegen wie [voornaam mindeerjarige] in het verleden aangifte heeft gedaan wegens mishandeling. Plaatsing op dezelfde locatie brengt daarom een acuut veiligheidsrisico met zich mee. Een getraumatiseerd meisje als [voornaam mindeerjarige] kan onder die omstandigheden niet bij [locatie] worden geplaatst. Verder geldt dat een gesloten plaatsing een uiterste maatregel is. In deze zaak zijn de alternatieven binnen het open kader nog onvoldoende onderzocht en benut. Er liggen nog mogelijkheden. Zo biedt het contact met de biologische vader een positieve ingang. [voornaam mindeerjarige] accepteert zijn gezag en laat zich door hem begrenzen. Daarnaast kan [voornaam mindeerjarige] binnen een open setting passende behandeling ontvangen, bijvoorbeeld bij Fier, waar behandeling gericht op trauma en systeemtherapie wordt aangeboden. Dat [voornaam mindeerjarige] zich momenteel afhoudend opstelt, hangt samen met haar wantrouwen. Wanneer zij op de juiste manier wordt benaderd en zich gehoord voelt, bestaat het vertrouwen dat zij bereid zal zijn mee te werken aan behandeling. [voornaam mindeerjarige] geeft aan dat een van de meerderjarige mannen in haar leven een goede vriend van haar is, die net 18 jaar is. Zij maken geen misbruik van haar, maar zijn juist een luisterend oor.

6.Het standpunt van de moeder

6.1.
De moeder stemt in met de verzoeken. Een gesloten plaatsing is noodzakelijk om [voornaam mindeerjarige] te laten inzien dat behandeling van belang is en om te komen tot het verbreken van het contact met de meerderjarige personen met wie zij momenteel omgaat. [voornaam mindeerjarige] is verder afgegleden dan in de periode dat zij nog bij de moeder woonde. Dreigementen vanuit [voornaam mindeerjarige] mogen geen aanleiding zijn om haar zin te krijgen.

7.De beoordeling

Ten aanzien van C/10/719466 / JE RK 26-894
7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
De ontwikkeling van [voornaam mindeerjarige] wordt ernstig bedreigd. Bij [voornaam mindeerjarige] is sprake van traumatische problematiek en hechtingsproblematiek. Vanwege een verstoorde thuissituatie tussen [voornaam mindeerjarige] en de moeder verblijft [voornaam mindeerjarige] sinds mei 2025 op vrijwillige basis op een open afdeling van iHub. Sinds 20 maart 2026 verblijft zij daar op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling. Op de groep houdt [voornaam mindeerjarige] zich niet aan de afspraken en verblijft zij regelmatig tot in de nacht buiten. [voornaam mindeerjarige] geeft aan dit te doen om tot rust te komen. Ook bestaan er zorgen over haar middelengebruik en haar meerderjarige vrienden. Daarnaast doet [voornaam mindeerjarige] regelmatig suïcidale uitingen. [voornaam mindeerjarige] heeft behandeling nodig, maar weigert dit.
7.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [voornaam mindeerjarige] geeft duidelijk aan niet open te staan voor behandeling, waardoor de benodigde hulpverlening niet van de grond komt. Het is daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de regie te voeren en te komen tot het vinden van een ingang voor behandeling van [voornaam mindeerjarige] . De ondertoezichtstelling is in dit geval noodzakelijk. De kinderrechter stelt [voornaam mindeerjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van C/10/720106 / JE RK 26-985
7.4.
De kinderrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een machtiging gesloten jeugdhulp. [2] Hierna legt de kinderrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.5.
Een verzoek tot een machtiging gesloten jeugdhulp behoeft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. [3] Van de gedragswetenschapper wordt verwacht dat hij of zij in eigen persoon de jeugdige heeft onderzocht, waarbij het onderzoek onder meer een gesprek met de jeugdige omvat. Hoewel er een instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper bij het verzoek gevoegd is, blijkt uit diezelfde verklaring dat [voornaam mindeerjarige] niet is gesproken door de gedragswetenschapper. Dit staat aan toewijzing van de machtiging gesloten jeugdhulp in de weg.
7.6.
Hoewel een spoedmachtiging op basis van artikel 6.1.3 van de Jeugdwet, wel zou kunnen worden verleend zonder dat [voornaam mindeerjarige] is onderzocht door een gedragswetenschapper, is de kinderrechter van oordeel dat ook niet aan de voorwaarden wordt voldaan voor een spoedmachtiging. Niet ter discussie staat dat er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [voornaam mindeerjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Dit is de eerste voorwaarde van artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet. De tweede voorwaarde is dat de opneming en het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt dienen te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Aan deze voorwaarde wordt volgens de kinderrechter niet voldaan. Een gesloten plaatsing zou naar verwachting van de kinderrechter de problematiek en het wantrouwen bij [voornaam mindeerjarige] juist vergroten, waardoor aannemelijk is dat zij zich nog meer dan nu al het geval is aan de jeugdhulp zal onttrekken. Er wordt gesteld dat niet met [voornaam mindeerjarige] te communiceren valt, maar de kinderrechter heeft tijdens het kindgesprek een ander beeld gekregen. Ook haar advocaat kwam goed met haar in contact. Gelet hierop dient te worden ingezet op het winnen van vertrouwen en het aangaan van een gesprek met [voornaam mindeerjarige] over het nut en noodzaak van een behandeling voor haar trauma’s.
7.7.
Alles overziend is de kinderrechter van oordeel dat voor een gesloten plaatsing, als meest ingrijpende maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, op dit moment niet aan de voorwaarden is voldaan en ook niet in het belang van [voornaam mindeerjarige] wordt geacht.
7.8.
Duidelijk is dat [voornaam mindeerjarige] met deze problematiek en zorgen niet kan terugkeren naar de moeder. De relatie tussen hen is ernstig verstoord. De kinderrechter is daarom van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [voornaam mindeerjarige] . [4] Hiertegen is ook geen verweer gevoerd. De Raad heeft een reguliere machtiging uithuisplaatsing van drie maanden verzocht aansluitend aan de gesloten machtiging. Nu de gesloten machtiging niet verleend wordt, zal de kinderrechter de verzochte reguliere machtiging voor de duur van drie maanden verlenen.
Benoeming bijzondere curator
7.9.
Ingevolge artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel diens vermogen, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, dan wel de voogd, in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere
curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
7.10.
Er is sprake van een ernstige verstoring in de relatie tussen [voornaam mindeerjarige] en haar moeder. [voornaam mindeerjarige] heeft meerdere keren benadrukt dat zij zich niet gehoord voelt door haar moeder en dat zij zou willen dat haar moeder geen gezag meer heeft. Verder is er sprake van een complexe situatie voor wat betreft de in te zetten hulpverlening en het perspectief van [voornaam mindeerjarige] , waarbij het van belang is dat de belangen van [voornaam mindeerjarige] worden vertegenwoordigd. In de procedure over de gesloten machtiging werd zij bijgestaan door een advocaat die haar belangen heeft vertegenwoordigd. Het verzoek om een gesloten machtiging is afgewezen, waardoor de advocaat wegvalt. Daarom acht de kinderrechter een bijzondere curator in haar belang. Een bijzondere curator kan, indien nodig, juridische stappen nemen en onderzoeken wat in het belang is van [voornaam mindeerjarige] .
7.11.
De bijzondere curator wordt gevraagd om voorafgaand aan het einde van de verleende machtiging uithuisplaatsing (dus in de periode voor 20 september 2026) te rapporteren aan de rechtbank, met afschrift aan de GI en de moeder.
7.12.
mr. G.E. van der Pols heeft zich bereid verklaart de benoeming tot bijzondere curator van [voornaam mindeerjarige] te aanvaarden. De kinderrechter zal daarom mr. G.E. van der Pols als bijzondere curator benoemen. De benoeming zal gelden voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 11 juni 2027.

8.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/719466 / JE RK 26-894
8.1.
stelt [voornaam mindeerjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Dordrecht met ingang van 11 juni 2026 tot 11 juni 2027;
Ten aanzien van C/10/720106 / JE RK 26-985
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam mindeerjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 september 2026;
8.3.
wijst het overige verzochte af;
8.4.
benoemt mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Schiedamsedijk 69a
3011 EK Rotterdam, tot bijzondere curator in de onderhavige zaak ten behoeve van de belangenbehartiging van de minderjarige;
8.5.
verzoekt de bijzondere curator
uiterlijk twee weken voor de datum van 20 september 2026, of zoveel eerder als een eventueel verlengingsverzoek aan de orde is,aan de kinderrechter te rapporteren over zijn bevindingen, met afschrift van die rapportage aan de GI en de moeder;
8.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek.
2.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet.
3.Artikel 6.1.2, vijfde lid, Jeugdwet.
4.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.