ECLI:NL:RBROT:2026:7555

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/708464 / JE RK 25-2119 en C/10/708462 / JE RK 25-2118
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en bevestiging perspectiefbesluit voor twee minderjarige kinderen

De rechtbank Rotterdam heeft op 28 mei 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2016 en 2018, die sinds mei 2023 niet meer thuis wonen vanwege ernstige problematiek bij de ouders. De kinderen verblijven momenteel in een kleinschalige pleegvoorziening die aansluit bij hun specifieke traumagerelateerde opvoedbehoeften.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar. De rechtbank verlengde de ondertoezichtstelling tot 30 november 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot diezelfde datum. De ouders voerden geen verweer tegen de verlenging van de machtiging, maar betwistten het perspectiefbesluit dat terugplaatsing bij hen niet mogelijk is en dat de kinderen in de pleegvoorziening moeten blijven.

De rechtbank oordeelde dat terugplaatsing bij de ouders niet mogelijk is vanwege langdurige en ernstige problematiek, waaronder verslaving, psychische problemen, huiselijk geweld en een instabiele opvoedsituatie. Ook een netwerkplaatsing werd als niet passend beoordeeld. De kinderen hebben een positieve ontwikkeling doorgemaakt in de huidige pleegvoorziening en het belang van stabiliteit en duidelijkheid over hun opgroeiplek staat voorop.

De rechtbank benadrukte het belang van contact tussen de kinderen en beide ouders en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 30 november 2026 en bevestigt het perspectiefbesluit dat terugplaatsing bij de ouders niet mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/708464 / JE RK 25-2119 en C/10/708462 / JE RK 25-2118
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. El Makhtari, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 11 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de herstelbeschikking van 10 december 2025;
  • de briefrapportages met bijlagen (waaronder een opvoedbesluit) van de GI van 3 april 2026, binnengekomen op 20 april 2026.
1.2.
Op 28 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- mr. M.P. Kloppenburg namens de moeder, (waarnemend voor mr. R.W. de Gruijl);
- de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] . De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven op woongroep [naam locatie] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 30 november 2026. Bij deze beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 30 mei 2026 en voor het overige verzochte aangehouden.

3.De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van C/10/708464 / JE RK 25-2119 ( [voornaam minderjarige 1] )
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bij voornoemde beschikking in zijn geheel toegewezen. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bij voornoemde beschikking toegewezen tot 30 mei 2026. Er resteert een beslissing voor de resterende zes maanden, te weten tot 30 november 2026. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/708462 / JE RK 25-2118 ( [voornaam minderjarige 2] )
3.2.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bij voornoemde beschikking in zijn geheel toegewezen. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bij voornoemde beschikking toegewezen tot 30 mei 2026. Er resteert een beslissing voor de resterende zes maanden, te weten tot 30 november 2026. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De GI handhaaft ter zitting de verzoeken en licht deze als volgt toe. De kinderen hebben vanwege hun trauma- en hechtingsproblematiek behoefte aan een professionele en traumasensitieve opvoedsituatie. Daarnaast is nog altijd sprake van een zeer problematische relatie tussen de ouders. Er blijven signalen komen van huiselijk geweld en politiecontacten. De incidenten doen zich voor op het adres van de vader, waarbij de moeder, onder invloed van alcohol, voor de deur staat en de situatie escaleert. Dit maakt dat de kinderen bij de vader onvoldoende veilig zijn. Het laatste incident heeft ongeveer een half jaar geleden plaatsgevonden. Eerder hebben beide ouders aangegeven het netwerk niet te willen betrekken. De vader heeft inmiddels aangegeven dat plaatsing binnen zijn netwerk zijn voorkeur heeft indien een terugplaatsing bij hem niet mogelijk is. Deze mogelijkheid is intern besproken, maar gelet op de instabiele situatie en de specifieke opvoedbehoeften van de kinderen is een netwerkplaatsing niet passend. De kinderen verblijven momenteel op een stabiele plek en hebben een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het is van belang dat deze stabiliteit behouden blijft en dat zij goed contact houden met beide ouders. De contacten met de moeder verlopen inmiddels beter. Binnenkort zal worden geëvalueerd of de omgang kan worden uitgebreid naar eenmaal per twee weken. Ook de contacten met de vader verlopen goed. De omgang is inmiddels uitgebreid met een half uur onbegeleid contact. In de komende periode zal worden bekeken of de duur van het onbegeleide contact verder kan worden uitgebreid.
3.4.
De GI heeft een perspectiefbesluit (opvoedbesluit) voor de kinderen genomen, inhoudende dat zij niet bij een van de ouders kunnen opgroeien en dat hun perspectief ligt bij [naam locatie] . De GI verzoekt de kinderrechter dit perspectiefbesluit mee te nemen in de beoordeling van de aangehouden verzoeken.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar wel tegen het onderschrijven van het perspectiefbesluit. De moeder beschikt op dit moment niet over eigen woonruimte, waardoor de kinderen niet bij haar kunnen wonen. De moeder doet haar best om hulpverlening te krijgen, maar loopt daarbij regelmatig tegen drempels aan doordat zij geen adres heeft. Uiteindelijk is het de moeder gelukt zich aan te melden bij het Leger des Heils, waar op 11 juni 2026 een afspraak staat gepland. Daar wordt gekeken naar een tijdelijk verblijf en een urgentieaanvraag voor een woning. De omgang tussen de moeder en de kinderen is teruggebracht naar één keer per maand. Dit is teruggebracht omdat niet alle eerdere bezoeken zijn doorgegaan. De reden dat deze bezoeken niet doorgingen was echter dat de moeder een fors ontstoken been had, waarvan de GI op de hoogte was. Het is dus de vraag of het terecht is dat de bezoeken nu maar één keer per maand plaatsvinden. Verder ziet de GI tijdens de omgang een liefdevolle interactie tussen de moeder en de kinderen. Dit roept de vraag op of de terugschaling van de omgang in het belang van de kinderen is geweest.
4.2.
De moeder voert verweer tegen het perspectiefbesluit. Het perspectiefbesluit is gebaseerd op oude informatie en genomen zonder dat een KSCD-onderzoek is uitgevoerd, terwijl meerdere keren is aangegeven dat dit onderzoek van belang is. De ouders hebben niet ingestemd met het KSCD-onderzoek omdat de informatie die aan het KSCD zou worden verstrekt onjuistheden bevatte. Indien deze onjuistheden zouden worden aangepast, zou wel zijn ingestemd. [voornaam minderjarige 1] heeft aangegeven bij papa en mama te willen wonen. Er dient rekening te worden gehouden met de wensen van de kinderen. Bovendien is niet onderzocht of de kinderen binnen het netwerk kunnen worden geplaatst.

5.Het standpunt van de vader

5.1.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen kunnen op dit moment niet bij de vader wonen omdat de vader zich niet veilig en prettig voelt in zijn woning. De moeder is dakloos en verschijnt regelmatig bij de woning van de vader. Hiervan doet de vader meldingen bij de politie, die worden doorgegeven aan Veilig Thuis. Ten aanzien van de meldingen waarvan de vader werd verdacht, is hij vrijgesproken. Het enige verwijt dat de vader kan worden gemaakt is dat hij onvoldoende afstand van de moeder heeft gehouden. De vader is bereid om samen met de GI veiligheidsafspraken te maken. Daarnaast is de vader bereid om overal aan mee te werken wat nodig is. Ten aanzien van het KSCD-onderzoek had de vader geen vertrouwen in het onderzoek, omdat in de aan te leveren rapportages onjuistheden stonden. De bezoeken tussen de vader en de kinderen verlopen heel erg positief.
5.2.
De vader voert verweer tegen het perspectiefbesluit. De kinderen kunnen op korte termijn bij de vader wonen, als hij een nieuwe woning heeft waar de moeder niet kan komen. Indien dit niet mogelijk is, moet er onderzoek worden gedaan naar plaatsing binnen het netwerk van de vader. De vader ziet dat de kinderen het niet fijn hebben bij [naam locatie] . Verder sluit de vader zich aan bij het standpunt van de advocaat van de moeder, inhoudende dat het de wens van [voornaam minderjarige 1] is om bij haar ouders te wonen.

6.De beoordeling

Het perspectiefbesluit
6.1.
Het perspectiefbesluit kan volgens de Hoge Raad aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het perspectiefbesluit. Dit is hier - ondanks dat de ouders instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing - het geval. Gelet op de voorliggende verzoeken, moet de rechtbank concreet de vraag beantwoorden of [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] weer bij (een van) de ouders kunnen wonen. Als dat antwoord negatief is, moet de vraag worden beantwoord waar het perspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dan wel ligt. De kinderrechter zal dit meenemen in onderstaande beoordeling van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.2.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hun verzorging en opvoeding. [1]
6.3.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven sinds mei 2023 niet meer thuis. Zij woonden bij de moeder en zijn uit huis geplaatst omdat zij hen geen stabiele en veilige opvoedsituatie kon bieden. Er was sprake van een zwaar verwaarloosde woning, overlast, verward gedrag, overmatig alcohol- en drugsgebruik en meldingen van huiselijk geweld vanuit de vader richting de moeder. Ook voor mei 2023 zijn de kinderen al tweemaal voor kortere periodes uit huis geplaatst geweest en dus mislukt thuisgeplaatst. De relatie van de ouders is zeer problematisch en is de afgelopen jaren niet verbeterd. Zo hebben zich op 11 februari jl. en 29 februari jl. nog incidenten voorgedaan, waarbij de moeder onder invloed van alcohol voor de woning van de vader stond en door de politie moest worden weggevoerd. In oktober 2025 zijn er meerdere heftige incidenten geweest, waarbij de politie in moest grijpen. Zowel de vader als de moeder hebben een huisverbod hebben gekregen en de vader is aangehouden op verdenking van mishandeling van de moeder. Het is goed mogelijk dat de strafzaken tegen de vader de laatste tijd (overwegend) eindigen in sepots of vrijspraak, maar dit laat onverlet dat er zeer heftige escalaties zijn, waarbij beide ouders onder invloed van alcohol zijn en - in ieder geval - verbaal geweld gebruiken. De kinderen kunnen in deze situatie niet bij de vader wonen, hetgeen de vader ter zitting ook onderschrijft. De kinderrechter ziet ook geen situatie voor zich waarin de kinderen over enkele maanden bij de vader - in een nieuwe woning - wonen en de moeder niet weet waar dit is, zoals de vader kennelijk voor ogen heeft. Dit zou betekenen dat de kinderen in hun contacten met de moeder niets kunnen en mogen zeggen over waar zij wonen, sporten en spelen. Dit kan niet van kinderen worden verwacht. Daarbij komt dat de vader volgens de Reclassering, die hem al jaren begeleidt - onder andere wegens een veroordeling voor huiselijk geweld tegen de moeder - een kwetsbare man is die op dit moment niet stabiel genoeg is om zijn behandeling bij Fivoor af te maken. Ook heeft de vader in december 2025 enkele weken in detentie gezeten wegens een openstaande straf. Al met al is de kinderrechter van oordeel dat de vader, ondanks dat de bezoeken tussen hem en de kinderen goed verlopen en hij zijn leven steeds meer op orde heeft, de kinderen geen veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden. Daarnaast kunnen de kinderen niet bij de moeder verblijven vanwege haar forse verslavings- en psychische problematiek en het feit dat zij geen woning heeft.
6.4.
Bij al het voorgaande komt nog dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vanwege hun belaste verleden forse hechtings- en traumaproblematiek hadden die in het pleeggezin niet te hanteren was. Zij zijn daarvoor klinisch opgenomen en behandeld bij Yulius, waar zij in de tweede helft van 2025 zijn uitgestroomd. Door Yulius is geadviseerd om de kinderen in een traumasensitieve opvoedomgeving te laten opgroeien waar zij veel regelmaat, structuur en veiligheid aangeboden krijgen. De kinderen verblijven nu bij [naam locatie] , een kleinschalige perspectiefbiedende voorziening die aansluit bij deze speciale opvoedbehoefte van de kinderen. De kinderen hebben hier een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De kinderrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de informatie van de GI en [naam locatie] dat de kinderen er hun plek hebben gevonden. Daarnaast is positief dat zij daar in de buurt naar de basisschool gaan, waar zij goed presteren en vriendjes en vriendinnetjes hebben gemaakt.
6.5.
De bedoeling was om middels een onderzoek van het KSCD het perspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te bepalen. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden omdat de ouders geen toestemming hebben geven omdat zij het niet eens waren met de door de GI aangeleverde informatie. Dit stond al beschreven in de beschikking van 16 juni 2025. De kinderrechter heeft de ouders toen opgeroepen alsnog mee te werken aan een dergelijk onderzoek, omdat dit van belang was voor een eventuele terugplaatsing. De GI heeft ter zitting toegelicht dat de situatie tussen de ouders daarna (in oktober 2025) zo fors escaleerde dat alsnog is afgezien van een KSCD-onderzoek en een perspectiefbesluit is genomen. De kinderrechter kan zich hierin vinden. De kinderen kunnen niet langer wachten. Uit het kindgesprek met [voornaam minderjarige 1] blijkt ook dat zij een grote behoefte heeft aan duidelijkheid. De kinderen wonen al ruim drie jaar niet meer thuis en het is zoals hiervoor is overwogen niet te verwachten dat zij (op afzienbare termijn) kunnen terugkeren naar (een van) de ouders. Daarnaast zijn de kinderen eerder twee keer teruggeplaatst, hetgeen niet is gelukt en tot teleurstelling heeft geleid. Een nieuwe mislukte thuisplaatsing zou de kinderen wederom ernstig beschadigen, terwijl zij nu juist succesvol zijn behandeld bij Yulius en een passende en perspectiefbiedende plek hebben bij [naam locatie] .
6.6.
De kinderrechter begrijpt dat de vader de laatste tijd in zekere zin slachtoffer is van het gedrag van de moeder, die hem blijft opzoeken, maar het belang van de kinderen staat voorop en ziet op duidelijkheid over hun opgroeiperspectief. [naam locatie] biedt hen een rustige, veilige en stabiele plek waar zij kunnen opgroeien, met passende professionele begeleiding die aansluit bij hun specifieke opvoedbehoefte.
6.7.
Een eventuele netwerkplaatsing wordt niet passend geacht, omdat deze niet voorziet in de specifieke opvoedbehoeften van de kinderen en bovendien opnieuw een wisseling zou betekenen in hun reeds instabiele verleden. Dit acht de kinderrechter niet in hun belang.
6.8.
Ouders voeren ter zitting aan dat het de wens van [voornaam minderjarige 1] is om bij haar ouders te wonen en dat daarnaar moet worden geluisterd. De kinderrechter overweegt dat zij daar zeker naar heeft geluisterd, maar dat [voornaam minderjarige 1] als tienjarige niet in staat is om de gevolgen daarvan te overzien. Kinderen zijn nu eenmaal eindeloos loyaal naar hun ouders en willen het liefste bij hun ouders zijn. Dit is, hoe verdrietig ook, in deze situatie alleen niet mogelijk door de problematiek van de ouders en het heftige verleden van de kinderen.
6.9.
Het blijft van belang dat het contact tussen de moeder en de kinderen enerzijds, en de vader en de kinderen anderzijds wordt onderhouden en waar mogelijk wordt uitgebreid. Het is van groot belang dat beide ouders een rol blijven spelen in het leven van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Bij de invulling hiervan is het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] leidend.
6.10.
Gelet op al het voorgaande onderschrijft de kinderrechter de visie van de GI over het opgroeiperspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/708464 / JE RK 25-2119 ( [voornaam minderjarige 1] )
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 november 2026;
Ten aanzien van C/10/708462 / JE RK 25-2118 ( [voornaam minderjarige 2] )
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 november 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.