ECLI:NL:RBROT:2026:7546

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
10.230756.25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling diefstal met bedreiging en wapenbezit in vereniging

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor diefstal met bedreiging met geweld, gepleegd in vereniging, waarbij het slachtoffer in een auto van zijn sieraden werd beroofd. Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte in februari 2026 in zijn woning een vuurwapen en munitie bezat.

De feiten vonden plaats op 26 augustus 2025 te Rotterdam, waarbij verdachte samen met anderen het slachtoffer onder bedreiging van een vuurwapen beroofde. De rechtbank achtte de feiten ernstig en oordeelde dat de verdachte onvoldoende inzicht toonde in de ernst van zijn handelen. Verdachte is een first offender en heeft geen eerdere onherroepelijke veroordelingen.

De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf en een contactverbod, terwijl de verdediging een straf gelijk aan het voorarrest bepleitte. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, rekening houdend met LOVS-oriëntatiepunten en omstandigheden van de zaak. Tevens werd een contactverbod van drie jaar opgelegd.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kende €609 materiële en €2.000 immateriële schadevergoeding toe, met wettelijke rente vanaf datum feit. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders. De vordering werd deels niet-ontvankelijk verklaard voor het resterende bedrag dat bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en drie jaar contactverbod met schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.230756.25
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Datum zitting: 27 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1999 op [geboorteland] ,
verblijvende op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. A. Dogan
Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. W. de Boer
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor diefstal met bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd, door het slachtoffer in een auto van zijn sieraden te beroven. Daarnaast heeft de verdachte in zijn woning een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. De verdachte krijgt hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee ringen en een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “doe je sieraden af”, en/of
- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te richten op de buik en/of borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer] ;
2
hij op 10 februari 2026 te Leeuwarden, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 26 Gen 4, kaliber 9x9mm, en/of daarbij voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar heeft ten aanzien van feit 1 partiële vrijspraak bepleit van het gebruik van het vuurwapen.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van feit 2 (het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie) is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van politie [3]
3.
Proces-verbaal van politie [4]
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1.
Verklaring van de verdachte [5] Ik werd op 26 augustus 2025 samen met [slachtoffer] bij Rotterdam Centraal opgehaald en ben in een auto gestapt waar al twee anderen inzaten, waaronder [persoon A] . In de auto heb ik tegen [slachtoffer] gezegd dat hij zijn spullen moest geven en heb ik alles van hem afgepakt. Het waren twee ringen en een ketting.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] [6]
Op 26 augustus 2025 zijn [verdachte] en ik samen met de trein naar Rotterdam Centraal gegaan. Daar zijn wij ingestapt in een voertuig waar al twee jongens inzaten. Wij reden naar het Baljuwplein in Rotterdam. Toen wij daar aankwamen hoorde ik dat [verdachte] zei ‘doe alles af’ en ‘begin alles af te doen’. Ik zag dat de bijrijder een zwarte revolver uit zijn tas pakte. Ik duwde de revolver weg, deze leek nep. Ik hoorde dat een ander vuurwapen werd doorgeladen en zag dat de bijrijder een zwart vuurwapen op mij richtte. Terwijl er nog steeds een vuurwapen op mij gericht was, pakte [verdachte] 2 ringen van mij af en deed mijn ketting af. Ik hoorde dat de jongens zeiden ‘stap uit’ en toen ben ik uitgestapt.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de bijrijder in de auto een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op het slachtoffer terwijl de verdachte diens sieraden afhandig maakte. Hieruit volgt ook dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de bijrijder.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 26 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander twee ringen en een ketting die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
door envergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door
- die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “doe af”, en
- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te richten op die [slachtoffer] ;
Feit 2
hij op 10 februari 2026 te Leeuwarden, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 26 Gen 4, kaliber 9x
19mm, en daarbij voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
diefstal, voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 2
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] .
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarbij eventueel een voorwaardelijk strafdeel.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is in augustus 2025 samen met het slachtoffer, een bekende van hem, naar Rotterdam gereisd. De verdachte is daar samen met het slachtoffer in een auto gestapt waarin twee andere mannen zaten, en heeft hem vervolgens in die auto, terwijl een van de andere mannen het slachtoffer bedreigde met een vuurwapen, van zijn sieraden beroofd. Dit is een zeer ernstig feit dat, blijkens de verklaringen van het slachtoffer, grote impact op hem heeft gehad. De verdachte heeft dit naar eigen zeggen gedaan omdat het slachtoffer hem nog een geldbedrag schuldig was vanwege de aankoop van drugs. Door zo te handelen heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd en geen enkel respect getoond voor andermans spullen. Dat de verdachte zijn problemen met anderen op deze wijze oplost en, zoals ter zitting is gebleken, de ernst daarvan niet lijkt in te zien, rekent de rechtbank hem aan.
Toen de verdachte maanden later, in februari 2026, werd aangehouden voor deze diefstal met geweld, vond de politie in zijn woning een vuurwapen met bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De rechtbank vindt het zorgelijk en kwalijk dat de verdachte naar eigen zeggen altijd een vuurwapen bij zich draagt en daar zeer lichtvaardig over lijkt te denken.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit zowel het strafblad van Nederland als van [geboorteland] van respectievelijk 4 mei 2026 en 25 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Hoewel in het reclasseringsrapport over veroordelingen van de verdachte op [geboorteland] wordt gesproken, beschouwt de rechtbank hem op basis van de uittreksels uit de justitiële documentatie als first offender.
Rapport reclassering
De reclassering heeft op 22 april 2026 een rapport uitgebracht, waarin het volgende is opgenomen. De verdachte is afkomstig van [geboorteland] en verblijft af en toe een paar maanden in Nederland, waar hij geen binding mee heeft en waar hij onder de radar leeft. Na detentie wil hij terug naar [geboorteland] . De verdachte maakt duidelijk dat hij zijn zaken zelf regelt en wenst geen enkele bemoeienis vanuit de reclassering of andere overheidsinstanties. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat. Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd en een maatregel ex artikel 38v Sr, te weten een contactverbod met aangever [slachtoffer] voor de duur van drie jaren.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is, ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen, ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten die voor dit feit een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorschrijven. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op die oriëntatiepunten en de omstandigheden waaronder de beroving heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden. De eis van de officier van justitie komt de rechtbank onder de gegeven omstandigheden te hoog voor.
Anders dan door de raadsman is verzocht, ziet de rechtbank geen redenen om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. De reclassering ziet geen heil in het opleggen van bijzondere voorwaarden en de verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij na detentie zal terugkeren naar [geboorteland] .
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie jaren. Deze maatregel houdt in: een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] .
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.259 als vergoeding van materiële schade en € 2.500 als vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat deze pas drie dagen voor de zitting is ingediend. De verdediging is hierdoor ernstig beperkt in een gedegen voorbereiding
Subsidiair is aangevoerd dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dat de immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat in de vordering staat vermeld dat er geen sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij. Om die redenen wordt ook subsidiair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Meer subsidiair is verzocht het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel de vordering van de benadeelde partij pas drie dagen voor de zitting is ingediend, is de vordering niet uitgebreid of ingewikkeld van aard. De verdediging heeft onvoldoende aangetoond dat het zich niet goed heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank gaat dan ook over tot de beoordeling van de vordering.
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit, nu zijn ringen daarbij door de verdachte zijn weggenomen. De vordering wordt voor dit gedeelte, te weten voor een bedrag van
€ 609, toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op het geldbedrag dat de verdachte zou hebben weggenomen, nu de diefstal daarvan niet aan de verdachte ten laste is gelegd en dus ook niet bewezen is verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is door de verdachte, een bekende van hem, een auto in gelokt en daar onder dreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) beroofd van zijn sieraden, waarna hij op straat is achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 19b (planmatige overvallen, waarbij de benadeelde naar een locatie wordt gelokt), waarbij een bandbreedte geldt tot een bedrag van € 3.000. Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.000 voor immateriële schade hier billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.3.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als een mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
5.4.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 26 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 55, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart
bewezendat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor feit 1 op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de verdachte:
- op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
Vordering [benadeelde partij]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de [benadeelde partij] (feit 1), te betalen een
bedrag van € 2.609, bestaande uit € 609 als vergoeding van materiële schade en € 2.000 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door de mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 2.609te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
26 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. L. den Teuling en N.A. Nowotny, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [naam] met nummer [dossiernummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.
3.De kennisgeving van inbeslagneming, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer 1] , pagina 97 en 98.
4.Het proces-verbaal onderzoek wapen, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer 2] , pagina 195 tot en met 201, opgemaakt door verbalisant [verbalisant]
5.Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.
6.Het proces-verbaal van aangifte, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer 3] , pagina 1 tot en met 4 van het zaaksdossier [naam] , inhoudende als aangifte van [slachtoffer] .