ECLI:NL:RBROT:2026:7545
Rechtbank Rotterdam
- Beslissing RC
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwerking DNA-profiel na veroordeling voor opruiing zonder wettelijke uitzonderingsgrond
De rechtbank Rotterdam behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen de verwerking van zijn DNA-profiel na een veroordeling voor opruiing. De Wet DNA verplicht afname en verwerking van DNA bij veroordeelden, tenzij een uitzonderingsgrond redelijkerwijs aannemelijk is. De veroordeelde stelde dat verwerking van zijn DNA een schending vormt van zijn privacy en vrijheid van meningsuiting, omdat het ging om een vreedzame demonstratie.
De rechtbank oordeelde dat opruiing een uitingsdelict is dat valt onder de misdrijven waarvoor DNA-verwerking verplicht is. De aard van het misdrijf en de omstandigheden bieden geen grond voor een uitzondering. De rechtbank verwierp het argument dat de Wet DNA politieke vrijheden beperkt, omdat beperkingen aan deze rechten door het Wetboek van Strafrecht worden gesteld en de strafrechter in de hoofdzaak hierover oordeelt.
De rechtbank concludeerde dat de verwerking van het DNA-profiel proportioneel en noodzakelijk is in een democratische samenleving en dat het bezwaar ongegrond is. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddelen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen verwerking van het DNA-profiel na veroordeling voor opruiing wordt ongegrond verklaard.