ECLI:NL:RBROT:2026:7540

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/712774 HA ZA 26-14
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:140 BWArt. 1:94 BWArt. 1:99 BWArt. 1:100 lid 2 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding en terugbetaling rekening-courantschuld na overlijden echtgenoot

Partijen zijn in geschil over de materiële en financiële verplichtingen van gedaagde jegens de vennootschap van haar overleden echtgenoot. Eiser vordert onder meer teruggave van elektronica, schadevergoeding voor onrechtmatig gebruik van auto’s en betaling van de helft van de rekening-courantschuld.

De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van elektronica af omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagde deze zaken onder zich heeft. De vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen omdat gedaagde de auto’s onrechtmatig in gebruik had, waardoor eiser kosten heeft gemaakt. De vordering tot terugbetaling van de rekening-courantschuld wordt toegewezen voor het door de rechtbank bepaalde bedrag, gebaseerd op het aandeel van gedaagde in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank oordeelt dat het saldo van de rekening-courant verschuldigd en opeisbaar is, en dat gedaagde haar betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. De proceskosten worden toegewezen aan eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, de helft van de rekening-courantschuld en proceskosten, terwijl de vordering tot afgifte van elektronica wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712774 / HA ZA 26-14
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te Rijen,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. van Gastel,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.C. de Bakker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 juni 2025, met producties 1 tot en met 25;
  • het incident strekkende tot (partiële) onbevoegdheid van de kantonrechter, splitsing en verwijzing, tevens houdende een conclusie van antwoord in het incident ex art. 194 / 195 Rv, tevens houdende een conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens houdende een conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident en in het incident ex art. 194 jo Pro. 195 lid 1 Rv;
  • het vonnis van de kantonrechter in de incidenten van 12 december 2025, waarbij de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] is verwezen naar team handel en haven van deze rechtbank;
  • de oproepingsbrief van de rechtbank van 4 februari 2026 voor de mondelinge behandeling op 7 april 2026;
  • de e-mail van de rechtbank van 26 februari 2026 met een zittingsagenda;
  • de brief van 27 maart 2026 van [eiser] , met aanvullende producties 26 tot en met 29;
  • de e-mail van 2 april 2026 van [eiser] , met vervanging van productie 29 en aanvullende productie 30;
  • de oproepingsbrief van de rechtbank van 16 april 2026 voor de mondelinge behandeling op 11 mei 2026, nadat de zitting op 7 april 2026 is aangehouden;
  • de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen zijn in geschil over de vraag of [gedaagde] materiële en financiële verplichtingen heeft tegenover de onderneming van haar overleden echtgenoot. [eiser] vordert teruggave van diverse elektronica, schadevergoeding voor onrechtmatig gebruik van haar auto’s en de helft van de rekening-courantschuld van erflater aan de vennootschap. [gedaagde] betoogt dat zij de gevorderde elektronica niet heeft en betwist het bestaan van een rekening-courantschuld wegens gebrek aan wetenschap.
2.2.
De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van elektronica af omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] over die zaken beschikt. De vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen omdat [gedaagde] de auto’s ten onrechte in gebruik had en [eiser] daardoor kosten heeft gemaakt. De vordering tot terugbetaling van de rekening-courantschuld wordt toegewezen voor het door de rechtbank bepaalde bedrag op grond van het aandeel van [gedaagde] in de door het overlijden van erflater ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank licht in dit vonnis toe hoe zij tot deze en aanverwante beslissingen komt.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] is op [datum 1] in gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 1] (hierna: erflater). Erflater is overleden op [datum 2] . Tot kort voor zijn overlijden was erflater bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . De aandelen zijn sinds 3 augustus 2023 ingebracht in de [naam stichting] ( [naam stichting] ).
3.2.
Bij testament heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt en zijn als erfgenamen benoemd [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , allen kinderen van zijn eerder overleden echtgenote. Erflater heeft onder meer (de aandelen in) zijn ondernemingen nagelaten. Erflater heeft bij testament verder aan [gedaagde] een legaat verstrekt op de inboedel, de echtelijke woning en een geldbedrag van € 300.000,00, opeisbaar in termijnen. In het testamant is [naam 5] (hierna: [naam 5] ) benoemd tot executeur van de nalatenschap en tot bewindvoerder van [gedaagde] met betrekking tot het gelegateerde geldbedrag. [naam 5] , verbonden aan [bedrijf 1] , is sinds jaar en dag de boekhouder van de ondernemingen van erflater en heeft die rol na het overlijden van erflater voortgezet.
3.3.
Met verlof van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025 hebben [eiser] en haar dochtervennootschap [bedrijf 2] voor verhaal van hun geldvorderingen ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag onder derden gelegd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. binnen twee dagen na de datum van het vonnis aan [eiser] af te geven:
a. 3 mobiele telefoons: iPhone SE 2020 64 GB;
iPhone 13 256 GB;
iPhone SE 2020 64 GB Space grey;
b. Laptop Acer Aspire c24-865,
op straffe van een onmiddellijk, zonder rechterlijke tussenkomst, opeisbare dwangsom
van € 1.000,00 voor elke dag (en dagdeel daaronder begrepen) dat [gedaagde] in gebreke
blijft met de teruggave van één of meer van de hierboven onder a. en b. genoemde
zaken;
2. tot betaling van € 19.367,61 binnen van zeven dagen na de datum van het vonnis, wegens de door [eiser] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat elke afzonderlijke schadepost is ontstaan, subsidiair vanaf 7 mei 2024, meer subsidiair vanaf 26 augustus 2024 en uiterst subsidiair vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
3. tot betaling van € 361.758,47 binnen zeven dagen na de datum van het vonnis uit hoofde van de rekening-courantvordering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2024, subsidiair vanaf 26 augustus 2024 en meer subsidiair vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
4. tot betaling aan van de beslagkosten van € 2.859,17;
5. tot betaling van de proceskosten, met wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in haar vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

[gedaagde] wordt niet veroordeeld tot afgifte van elektronica omdat niet vaststaat dat zij die zaken onder zich heeft
5.1.
Uitgangspunt is dat de eigenaar van een zaak bevoegd is die zaak van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. [1] [gedaagde] betwist niet dat de iPhones en laptop eigendom zijn van [eiser] , maar wel dat zij die zaken onder zich heeft. [eiser] betoogt de ongeloofwaardigheid daarvan. Hiertoe voert zij aan dat [gedaagde] vanuit een [eiser] -account een e-mail van de advocaat van [eiser] aan haar cliënte heeft doorgestuurd naar zichzelf. Volgens [eiser] heeft zij dat alleen kunnen doen met de zakelijke telefoon van erflater. [gedaagde] betwist niet dat zij de bewuste e-mail heeft doorgestuurd, maar stelt dat zij dat met een privé-telefoon van erflater heeft gedaan. Namens [eiser] is hierop gereageerd met de stelling dat erflater alleen over een zakelijke en niet over een privé telefoon beschikte, wat [gedaagde] heeft betwist onder het noemen van het type privé telefoon van erflater, dat anders is dan de gevorderde types. Daar heeft [eiser] niets concreets tegen ingebracht.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het op zijn minst genomen niet netjes is dat [gedaagde] de bewuste e-mail met een vertrouwelijk karakter heeft doorgestuurd naar zichzelf. Uit het enkele feit dat [gedaagde] dit heeft gedaan kan echter niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat dit met een van de zakelijke telefoons van [eiser] is gebeurd en dat zij die dus kennelijk onder zich heeft, wat [gedaagde] onderbouwd heeft betwist. Het door [gedaagde] aangevoerde scenario dat zij het bericht met een andere telefoon heeft doorgestuurd is niet ondenkbaar en heeft [eiser] weliswaar betwist maar niet zodanig dat de mogelijkheid daartoe concreet is uitgesloten. Nu [eiser] haar stelling dat [gedaagde] de zakelijke telefoons onder zich heeft niet op een andere wijze heeft onderbouwd, wordt de vordering tot afgifte van de telefoons afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Het door [eiser] gestelde en door [gedaagde] betwiste bezit van de laptop is in het geheel niet onderbouwd en kan de vordering tot afgifte daarom ook niet dragen. De conclusie is dat vordering 1 wordt afgewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
[gedaagde] moet schadevergoeding betalen omdat [eiser] kosten heeft gemaakt in de periode dat [gedaagde] ten onrechte twee auto’s van [eiser] onder zich had
5.3.
Ook voor de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding is uitgangspunt het eigendomsrecht als meest verstrekkend recht. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de auto’s van de merken Lexus en Mercedes eigendom zijn van [eiser] en dat zij die auto’s heeft gebruikt in de periode waarover vergoeding wordt gevorderd. Vaststaat dat [gedaagde] de Lexus en Mercedes in een periode voor het overlijden van erflater en daarna tot 16 december 2024, toen de auto’s na sommatie daartoe via de deurwaarder zijn ingeleverd, onder zich had. Als onbetwist staat ook vast dat zij de auto’s heeft gebruikt en/of aan haar kinderen in gebruik heeft gegeven.
5.4.
[gedaagde] heeft zelf verklaard dat de Lexus een huwelijkscadeau van erflater aan haar was, bedoeld om privé in te rijden en dat de Lexus om fiscale redenen op naam van het bedrijf en niet op haar naam werd gezet. Deze constructie onderschrijft dat [eiser] in de tijd dat zij die auto gebruikte eigenaar was en dat het gebruik door [gedaagde] dus niet op eigendom (maar waarschijnlijk op een afspraak met erflater, destijds als DGA van [eiser] ) is gebaseerd.
5.5.
Over de Mercedes heeft [gedaagde] verklaard dat dit feitelijk de privé auto van haar en erflater samen was en dat zij de auto als werknemer van [bedrijf 2] , een dochtervennootschap van [eiser] , ter beschikking heeft gekregen. Een eventueel oordeel over dit standpunt betreffende de arbeidsovereenkomst is voorbehouden aan de kantonrechter en voor een beslissing op de vorderingen die voorliggen bij de handelsrechter niet van belang. Dit zegt immers niets over het eigendomsrecht waarop de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd. Eventuele afspraken tussen derden over een zaak waarvan zij geen eigenaar zijn, doen aan dat recht niet af. Op grond van haar eigendomsrecht heeft [eiser] het recht om de Mercedes op te eisen, wat zij ook heeft gedaan. Het voortgezette gebruik door [gedaagde] in weerwil daarvan is tegenover [eiser] onrechtmatig. Ongeacht het al dan niet bestaan van verbintenissen tussen derden met betrekking tot de Mercedes, is [gedaagde] tegenover [eiser] gehouden om de schade als gevolg van dat onrechtmatige gebruik te vergoeden.
5.6.
Voor beide auto’s geldt dat het feit dat de aankoopkosten voor de auto’s niet zijn terug te vinden in de rekening-courant met erflater, de aankoopfacturen en aanslagen motorrijtuigenbelasting zijn gericht aan [eiser] , de verzekeringen op naam staan van het bedrijf, de auto’s op de activalijst van [eiser] voorkomen en parkeerboetes bij haar binnenkomen, de gedachte ondersteunen dat het geen privé- maar zakelijke aankopen waren waarvan [eiser] de kosten heeft gedragen. Dit alles wijst ook op de eigendom van [eiser] , terwijl [gedaagde] daartegen niets heeft ingebracht. Het kan zijn dat erflater als DGA destijds het gebruik door [gedaagde] heeft toegestaan, maar [gedaagde] heeft niet concreet gemaakt onder welke voorwaarden dat is gebeurd (zoals termijnen en eventuele tegenprestaties) en bovendien laat het de eigendom en daaraan verbonden eigendomsrechten van [eiser] onverlet. Die rechten worden sinds zijn overlijden niet meer beheerd door erflater maar door de erfgenamen. Nu [gedaagde] niet gemotiveerd heeft gesteld en evenmin is gebleken dat zij (onbeperkte) gebruiksrechten heeft op de Lexus na het overlijden van erflater, brengt het eigendomsrecht en het feit dat [gedaagde] sinds het overlijden van erflater zonder toestemming van [eiser] gebruik heeft gemaakt van de auto’s mee dat dat gebruik onrechtmatig was. De kosten die [eiser] heeft moeten maken door dat onrechtmatige gebruik, zijn schadeposten waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.
[gedaagde] moet de verzekeringskosten, motorrijtuigenbelasting, eigen risico schadeherstel, afschrijving auto’s en verkeersboetes betalen bij wijze van schadevergoeding
5.7.
Voor het onrechtmatig gebruik van beide auto’s vordert [eiser] vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt in de periode vanaf het overlijden van erflater tot 16 december 2024 toen zij weer de beschikking kreeg over haar eigendommen. [gedaagde] heeft de juistheid van die periode als grondslag voor de schadeberekening niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. [eiser] heeft met facturen en aanslagen onderbouwd gesteld dat zij € 2.723,70 aan verzekeringskosten en € 2.050,00 aan motorrijtuigenbelasting voor de Lexus en Mercedes heeft betaald in de betreffende periode. [gedaagde] heeft de gemaakte kosten niet betwist, zodat dit schadeposten zijn die door haar aan [eiser] moeten worden vergoed. Dit geldt ook voor het onbetwist door [eiser] betaalde eigen risico van € 363,26 voor het niet door de verzekering gedekte schadeherstel, waarvan [eiser] de helft, te weten € 181,68, heeft gevorderd.
5.8.
[gedaagde] heeft wel betwist dat de gevorderde afschrijvingskosten als schade kunnen worden aangemerkt omdat het volgens haar slechts gaat om een boekhoudkundige aangelegenheid en niet om een werkelijke vermindering van financiële middelen van [eiser] . Dat betoog gaat niet op. Er is sprake van een in hoogte op zichzelf niet betwiste waardevermindering van de auto’s van € 13.166,45. Die waardevermindering betekent een vermindering van het vermogen van [eiser] die is ontstaan door tijdsverloop en gebruik van de Lexus en de Mercedes in een periode waarin [eiser] door toedoen van [gedaagde] niet over die auto’s kon beschikken. Anders dan [gedaagde] betoogt, gaat het ook als de waardevermindering niet direct ten laste komt van de liquiditeit om een vermogensvermindering die kan worden aangemerkt als schade. [gedaagde] is daarvoor aansprakelijk is omdat zij de auto’s in de betreffende periode ten onrechte onder zich hield en [eiser] de lasten van de auto’s droeg en niet zij maar [gedaagde] de lusten ontving.
5.9.
[gedaagde] heeft niet betwist dat zij de verkeersovertredingen, waarvoor in totaal
€ 1.245,78 aan boetes aan [eiser] is opgelegd, heeft begaan. Daarom moet zij ook die kosten vergoeden. Het aanvankelijke beroep van [gedaagde] op verrekening leidt niet tot een ander oordeel omdat [gedaagde] op zitting heeft erkend dat de vermeende tegenvordering geen vordering is op [eiser] maar op de nalatenschap die geen partij is in deze procedure.
5.10.
De slotsom is dat [gedaagde] een bedrag van € 19.367,61 [2] aan schadevergoeding aan [eiser] moet betalen. Over dit bedrag is [gedaagde] de wettelijke rente [3] verschuldigd vanaf 13 mei 2024. Dit is de dag waarop de aan [gedaagde] bij aanmaning van 7 mei 2024 gegeven termijn voor betaling en afgifte van de auto’s is verstreken.
[gedaagde] moet de helft van de rekening-courantschuld van erflater betalen
5.11.
[eiser] vordert van [gedaagde] de helft van het saldo van de rekening-courant tussen haar en erflater, gerekend vanaf de datum waarop erflater en [gedaagde] in de echt zijn gehuwd, als haar aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap.
5.12.
[gedaagde] betwist het bestaan van de rekening-courant, waar zij nooit weet van heeft gehad. Als erflater al een rekening-courantschuld had, dan is met een overschrijving van ruim € 1.000.000,00 vanaf de bankrekening van erflater wegens verkoop van een schip die schuld ruimschoots ingelost.
5.13.
De rechtbank stelt voorop dat de rekening-courant [4] een hulpovereenkomst is die voorziet in een regeling voor de afwikkeling van geldvorderingen en schulden (verbintenissen uit andere rechtsverhoudingen) tussen de partijen die daarbij betrokken zijn. De overeenkomst is vormvrij en kan ook uit gedragingen van partijen worden afgeleid. Het is een mechanisme waarin vorderingen en schulden bij boeking direct met elkaar worden verrekend, zonder dat daarvoor een afzonderlijke verrekeningsverklaring nodig is.
5.14.
In het kader van haar stelplicht en bewijslast is het aan [eiser] , die de rekening-courant ook bijhield, om het bestaan en de juistheid van het saldo van de rekening-courant aan te tonen. [eiser] heeft daartoe een overzicht van de grootboekrekening met alle boekingen over meerdere jaren waaruit het saldo is opgebouwd overgelegd. Daarin komen onder meer vele privé-opnamen en uitgaven van erflater voor, zoals overboekingen naar de privérekening van erflater en uitgaven met een huishoudelijk of ander niet-zakelijk karakter. Daarnaast heeft [eiser] een overzicht van de bankrekening van erflater overgelegd waaruit blijkt van een patroon van regelmatig naar [gedaagde] overgeboekte bedragen van totaal circa € 85.000,00. De uitleg van [eiser] dat de bedragen die erflater uit de onderneming heeft gehaald (ook) aan [gedaagde] ten goede zijn gekomen, is daarmee aannemelijk nu [gedaagde] niet betwist regelmatig bedragen te hebben ontvangen en dit ook past bij haar eigen stelling dat erflater als echtgenoot financieel voor haar zorgde. Verder heeft [eiser] jaarstukken 2024 overgelegd, waarin het saldo van de rekening-courant is opgenomen. In het kader van haar betwisting van het bestaan en de omvang van de rekening-courant(schuld) had het ten minste op de weg van [gedaagde] gelegen om in te gaan op de afzonderlijke boekingen die tot het saldo hebben geleid. Nu zij dat niet heeft gedaan, is geen sprake van een begin van tegenbewijs en staat naast het bestaan van de rekening-courant ook de juistheid van de boekingen en daarmee het saldo vast. Het argument dat [gedaagde] de jaarstukken pas op de dag van de mondelinge behandeling heeft ingezien maakt dit niet anders. Die stukken zijn tijdig in het geding gebracht en bovendien slechts relevant als bevestiging voor het bestaan van de rekening-courant en het saldo, waarvan de opbouw grotendeels al blijkt uit het overzicht van de grootboekrekening dat bij dagvaarding al in het geding is gebracht en waar zij niets concreets tegenin heeft gebracht. Dat de inhoud van de jaarrekening onbetrouwbaar zou zijn omdat zij is opgesteld door [naam 5] en hij partijdig zou zijn, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd, temeer omdat [naam 5] ook voor het overlijden van erflater al jaren de boekhouder was. Al met al heeft [gedaagde] volstaan met een blote betwisting van de rekening-courant wegens gebrek aan wetenschap. In het licht van de concreet onderbouwde stellingen van [eiser] heeft [gedaagde] haar betwisting daarmee onvoldoende gemotiveerd.
5.15.
Op grond van artikel 6:140 lid 1 BW Pro is het saldo van de rekening-courant op ieder tijdstip verschuldigd. Dit betekent niet zonder meer dat het saldo ook op elk moment (geheel) opeisbaar is. Op welk moment en/of onder welke omstandigheden het saldo opeisbaar is, is afhankelijk van de afspraken die partijen daarover hebben gemaakt. [eiser] heeft hier niets over gesteld. Dat het saldo geheel of gedeeltelijk niet opeisbaar is van haar als langstlevende echtgenoot heeft [gedaagde] op haar beurt niet betoogd door in te gaan op de afzonderlijke boekingen, terwijl zonder andere afspraken aangenomen wordt dat de rekening-courant eindigt per overlijdensdatum en dat op dat moment het saldo wordt vastgesteld. Na het overlijden van erflater is de huwelijksgoederengemeenschap van rechtswege ontbonden. [5] Vorderingen die vanaf de huwelijksdatum zijn ontstaan [6] komen vanaf de datum van overlijden voor de ene helft voor rekening van de nalatenschap en voor de andere helft voor rekening van [gedaagde] als langstlevende echtgenoot. Voor een andere verdeling van de draagplicht [7] heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd, te meer omdat uit de overgelegde stukken en uit haar eigen verklaringen volgt dat zij en erflater hebben samengeleefd en [gedaagde] dus ook heeft geprofiteerd van wat erflater uit de onderneming heeft gehaald. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen niet wist van de rekening-courantverhouding is ook geen grond voor een andere verdeling van de draagplicht.
5.16.
Voor de jaren tot en met 2022 blijkt uit de grootboekkaarten dat jaarlijks het eindsaldo is vastgesteld, doordat dit vervolgens is opgenomen als beginsaldo van het nieuwe jaar. Tot en met 2022 kan erflater, als DGA, geacht worden het saldo jaarlijks te hebben medegedeeld (aan zichzelf) en vastgesteld. Van enig protest daartegen is gesteld noch gebleken. Voor het saldo van 2023 hebben de erfgenamen die mededeling in elk geval bij dagvaarding gedaan. Tegen dat saldo en de opbouw ervan is niet gemotiveerd geprotesteerd (zie ook hiervoor) zodat het tussen partijen als vastgesteld geldt. [8] De conclusie is dan ook dat het saldo verschuldigd en opeisbaar is. De vordering tot betaling van het saldo is daarmee toewijsbaar.
5.17.
Het verweer van [gedaagde] dat het saldo al is ingelost leidt niet tot een ander oordeel omdat [gedaagde] die door [eiser] gemotiveerd betwiste stelling niet concreet heeft gemaakt. [gedaagde] verklaart hierover ook tegenstrijdig. Zo stelt zij in de dagvaarding dat zij en haar dochter op de bankrekening van erflater hebben waargenomen dat een bedrag van ten minste € 1.000.000,00 op de bankrekening van erflater is bijgeschreven en vervolgens is doorgeboekt naar de bankrekening van [eiser] of [eiser] Crewing. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] echter verklaard dat zij geen toegang tot en geen inzicht in de privé- en zakelijke bankrekeningen van erflater heeft. Daarbij komt dat [eiser] een notariële nota van afrekening in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat het saldo van de opbrengst van het schip na inlossing van schulden en na aftrek van kosten, per saldo € 363.378,92 en dus niet een bedrag in de door [gedaagde] genoemde orde van grootte, op 9 september 2023 door de notaris is overgemaakt naar [bedrijf 3] en dus niet (direct) aan [eiser] ten goede is gekomen, laat staan dat een deel van de schuld van erflater aan [eiser] daarmee zou zijn ingelost. Dat erflater na de verkoop van het schip een winstuitkering aan zichzelf zou hebben gedaan – en dat hij daarmee zijn rekening-courantschuld zou hebben ingelost – heeft [gedaagde] na de gemotiveerde betwisting door [eiser] niet verder onderbouwd. Ter zitting heeft [gedaagde] voor het eerst gerept over een telefoongesprek op 8 september 2023 tussen erflater en [naam 3] , waarin erflater [naam 3] zou hebben verboden om een bedrag van € 1,2 mio van zijn privérekening over te maken. [naam 3] heeft gemotiveerd betwist dat een telefoongesprek met die strekking heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft zij onbetwist aangevoerd dat zij niet gerechtigd was om zulke bedragen van de privérekening van erflater over te maken. Omdat [gedaagde] haar op inconsequente stellingen gebaseerde verweer op geen enkele wijze verder heeft onderbouwd komt de rechtbank op dit punt niet toe aan bewijslevering
.Gelet hierop faalt ook het beroep van [gedaagde] op schending van de informatieplicht [9] en een daaraan door de rechtbank te verbinden sanctie.
5.18.
De rechtbank heeft geconstateerd dat het bedrag van de rekening-courantschuld op de grootboekkaarten hoger is dan het bedrag in de jaarrekening. [eiser] heeft geen verklaring gegeven voor dit verschil. Daarom gaat de rechtbank voor het verschuldigde saldo uit van het laagste saldo. Dat is het in de jaarrekening genoemde bedrag van
€ 770.508,00. Hierop brengt de rechtbank het door [eiser] onbetwist gestelde correctiebedrag van € 103.301,38 [10] in mindering omdat dit het door erflater verschuldigde saldo is dat is ontstaan voor de huwelijkse periode en daarom buiten de huwelijksgoederen-gemeenschap valt. Dit betekent dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap het saldo van € 667.206,62 [11] verschuldigd is. De helft hiervan komt voor rekening van [gedaagde] . Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde] € 333.603,31 aan [eiser] moet betalen. Over dit bedrag is [gedaagde] de wettelijke rente [12] verschuldigd vanaf de dag van dagvaarding omdat gesteld noch gebleken is van een eerdere datum van aanmaning.
5.19.
De rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] dit bedrag binnen een bij deze rechtbank gebruikelijke betaaltermijn van veertien dagen moet voldoen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank zich kan indenken dat dit voor [gedaagde] lastig of zorgwekkend kan zijn. Mede gelet op de kennelijke wens van erflater om [gedaagde] verzorgd achter te laten [13] , geeft de rechtbank partijen in overweging dat zij in onderling overleg met elkaar een langere betaaltermijn of regeling voor betaling in termijnen kunnen afspreken. Voor zover nodig roept zij partijen daartoe ook op indien betaling ineens redelijkerwijs niet mogelijk is.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
5.20.
[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten worden begroot op:
  • Kosten dagvaarding € 120,21
  • Griffierecht € 6.861,00
  • Salaris advocaat € 5.770,00
  • Beslagkosten € 2.859,17
  • Nakosten
Totaal € 15.799,38
5.21.
De toe te wijzen beslagkosten betreffen het volledig bij dagvaarding gevorderde en gespecificeerde bedrag. Het beslag is echter gelegd en beslagkosten zijn dus gemaakt voor zowel de vorderingen bij de handelsrechter als de vorderingen die afzonderlijk door de kantonrechter worden behandeld. Gelet op de splitsing van de vorderingen en onbekendheid met de door de kantonrechter te nemen beslissing(en), is toerekening naar entiteit niet werkbaar. Daarbij komt dat [eiser] in dit verband op zitting heeft toegezegd en ook in de dagvaarding vermeld dat reeds aan haar vergoede beslagkosten door haar dochtervennootschap niet ook in de procedure bij de kantonrechter worden gevorderd. De rechtbank gaat ervan uit dat de kantonrechter hiervan zo nodig door partijen op de hoogte wordt gesteld.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
5.22.
De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat [eiser] dat met een wettelijke grondslag heeft gevorderd en [gedaagde] tegen die vordering geen verweer heeft gevoerd.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 19.367,61 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 mei 2024, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de rekening-courantschuld van € 333.603,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 7 juni 2025, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 15.799,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Van Hooft- [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na dit vonnis,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
3268/1918

Voetnoten

1.Artikel 5:2 BW Pro
2.€ 2.723,70 + € 2.050,00 + € 181,68 + € 13.166,45 + € 1.245,78, zie 5.7-5.9
3.als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro
4.Artikel 6:140 BW Pro
5.Artikel 1:99 BW Pro
6.Artikel 1:94 BW Pro
7.Hiervoor geldt de strenge toets van artikel 1:100 lid 2 BW Pro
8.Artikel 6:140 lid 3 BW Pro
9.Artikel 21 Rv Pro
10.€ 117.998,76 -/- € 14.697,38, productie 21 bij dagvaarding
11.€ 770.508,00 -/- € 103.301,38
12.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro
13.Getuige onder meer het aan haar afgegeven legaat
14.2 punten voor de dagvaarding en de mondelinge behandeling × tarief VI van € 2.885,00
15.plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing