Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7481

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/4164
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 5:31 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen spoedsluiting woning wegens drugshandel

De burgemeester van Nissewaard heeft op 2 mei 2026 de woning van verzoeker met spoed gesloten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs, drugsgerelateerde attributen en een stroomstootwapen waren aangetroffen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze spoedsluiting en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 28 mei 2026 en stelde vast dat de politie op 1 mei 2026 een vermoedelijke drugsverkoop had geconstateerd waarbij verzoeker als bestuurder van een grijze Skoda werd aangehouden met handelshoeveelheid cocaïne in zijn kleding. De woning werd doorzocht en er werden aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, heroïne, versnijdingsmiddelen, verpakkingsmateriaal en een stroomstootwapen gevonden.

De burgemeester heeft op basis van het gemeentelijke beleid en de ernst van de situatie geoordeeld dat sluiting van de woning noodzakelijk is om de openbare orde te herstellen, herhaling te voorkomen en de woning te onttrekken aan het criminele circuit. De voorzieningenrechter oordeelde dat de spoedsluiting gerechtvaardigd was, ook gezien de antecedenten van verzoeker en de kwetsbare wijk waarin de woning ligt.

Verzoeker stelde dat hij niet vooraf in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven, maar de voorzieningenrechter vond dat de spoedeisendheid van de situatie dit rechtvaardigde. De voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor de woning voorlopig gesloten blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de spoedsluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de woning voorlopig gesloten blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4164

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker

(gemachtigde: mr. L. Hofman),
en

de burgemeester van Nissewaard

(gemachtigden: mr. L.J.B. Groenewegen en [naam]).
Derde partij: Woningstichting Woonbron (Woonbron), gevestigd in Hoogvliet Rotterdam.

Samenvatting

De burgemeester heeft de woning van verzoeker met spoed voor drie maanden gesloten. De sluiting is gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. In de woning zijn onder meer een handelshoeveelheid drugs, drugsgerelateerde attributen en een stroomstootwapen aangetroffen. Verzoeker is het met de spoedsluiting niet eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.

Procesverloop

1. Op 2 mei 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker op het adres [adres] (de woning) met spoed gesloten voor de duur van drie maanden. Met het bestreden besluit van 6 mei 2026 heeft de burgemeester de spoedsluiting schriftelijk bevestigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is huurder van de woning aan de [adres]. Hij staat als bewoner op dit adres ingeschreven, samen met zijn vierjarige dochter. De woning is eigendom van Woonbron.
3. Uit de voorlopige bestuurlijke rapportage van 2 mei 2026 blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. Op 1 mei 2026 heeft de politie een vermoedelijke verkoop van verdovende middelen gezien op de Vlinderveen in Spijkenisse. De verkoper zou rijden in een grijze Skoda. De koper werd door de politie staande gehouden. Hij bevestigde dat hij zojuist drugs had gekocht. Bij hem werd een plastic zakje met daarin een gebruikershoeveelheid witte brokjes aangetroffen, die indicatief getest werden op cocaïne. De bestuurder van de grijze Skoda (verzoeker) werd door de politie gevolgd en even verderop aangehouden op verdenking van het handelen in verdovende middelen. Tijdens de aanhouding werd in de kleding van verzoeker een handelshoeveelheid drugs aangetroffen, waaronder 11 gram van een stof die indicatief werd getest op cocaïne.
4. Hierop heeft de politie de woning van verzoeker betreden en doorzocht. Bij de doorzoeking werden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:
  • Ongeveer 600 gram (bruto) aan pillen, poeders, kristallen en vloeistoffen waarvan 116 gram (bruto) indicatief is getest op cocaïne en 195 gram wit poeder indicatief is getest op het versnijdingsmiddel mannitol;
  • Verpakkingsmateriaal, waarin een deel overeen kwam met het verpakkingsmateriaal dat bij verzoeker werd aangetroffen in zijn kleding bij de aanhouding;
  • Een stroomstootwapen;
  • Meer dan € 4.000,- aan contant geld in munten en biljetten;
  • Diverse luxe merkgoederen en horloges.
5. Uit de definitieve bestuurlijke rapportage van 16 mei 2026 blijkt dat de aangetroffen stoffen en voorwerpen nader zijn onderzocht. Daarbij is vastgesteld dat het gaat om:
Bij de koper:
0,2 gram netto cocaïne.
In de kleding van verzoeker:
  • Diverse verpakkingen (plastic zakjes, gripzakjes, envelopjes en een zak) met in totaal 22,8 gram (netto) cocaïne;
  • Envelopjes met 3,0 gram (netto) heroïne;
  • Blauwe pillen, 2,0 gram (netto) MDMA.
In de woonkamer, in een bergingskast onder de trap:
  • Diverse verpakkingen (gripzakjes, boterhamzakjes, sealzakjes) met in totaal 51 gram (netto) cocaïne;
  • 19 gevulde ponypacks met in totaal 3,7 gram (netto) heroïne.
In de slaapkamer aan de achterzijde:
  • Twee zwarte ampullen en twee zakjes met in totaal 22,9 gram (netto) cocaïne;
  • Een zakje met 23,6 gram (netto) heroïne;
  • Een zakje met 194,5 gram (netto) mannitol (versnijdingsmiddel voor o.a. cocaïne);
  • Vier flesjes rode vloeistof, totaal 168,1 gram (netto) (geen indicatieve uitslag);
  • Portemonnee van het merk Louis Vuitton;
  • € 4.263,36 aan contant geld;
  • Gouden ketting in een doosje in een kluis;
  • Zilveren armband in een envelop in een kluis;
  • Horloge van het merk Aeromeister in een zwart doosje;
  • Een stroomstootwapen.
Waar gaat deze zaak om?
6. Op 2 mei 2026 heeft de politie de burgemeester verzocht om met spoed een bestuurlijke maatregel te treffen. De burgemeester heeft hierop besloten om de woning met onmiddellijke ingang voor de duur van drie maanden te sluiten. Dit besluit is op 6 mei 2026 op schrift gesteld. Een sluiting van drie maanden is volgens de burgemeester een geschikt en noodzakelijk middel om de daarmee beoogde doelen, waaronder het herstel van de openbare orde, het voorkomen van herhaling en het onttrekken van de woning aan het criminele (drugs)circuit, te bereiken. De burgemeester acht een dergelijke sluiting voldoende evenwichtig.
7. Verzoeker is het met de (spoed)sluiting van zijn woning niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat de woning weer open mag, totdat op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
8.1.
De spoedsluiting heeft tot gevolg dat verzoeker nu drie maanden lang geen toegang heeft tot zijn woning en, al dan niet tijdelijk, dakloos is. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij op dit moment geen vaste slaapplaats heeft, maar wisselend in de opvang (via het maatschappelijk werk) en bij familie en bekenden slaapt. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Juridisch kader
10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in de gemeente Nissewaard tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nissewaard 2019 [1] (de Beleidsregels). Volgens dit beleid wordt als uitgangspunt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien. Daarnaast volgt uit dit beleid dat de burgemeester bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs in een woning in beginsel over gaat tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.
Bevoegdheid
12. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning harddrugs zijn aangetroffen. De voorlopige bestuurlijke rapportage van 2 mei 2026 vermeldt een hoeveelheid van in elk geval 116 gram (bruto) cocaïne. Uit de definitieve bestuurlijke rapportage van 16 mei 2026 volgt dat het gaat om ieder geval 73,9 gram (netto) cocaïne en 27,3 gram (netto) heroïne. Cocaïne en heroïne komen voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft alles bij elkaar een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. Naast de harddrugs zijn in de woning ook 194,5 gram (netto) versnijdingsmiddel, verpakkingsmaterialen en een stroomstootwapen aangetroffen. De burgemeester heeft daarom kunnen aannemen dat de drugs in de woning aanwezig waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking ervan. Verzoeker heeft niet betwist dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd is om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daar anders over te oordelen.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?
13. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerder genoemde Beleidsregels vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal hij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken. [2]
Geschiktheid
14. Niet is in geschil dat de sluiting van de woning op zichzelf een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde, het verder voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning en het wegnemen van de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit. Daarbij is een sluiting tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
Noodzaak
15. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
15.1.
De burgemeester hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs in een woning in beginsel wordt overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Daarbij worden volgens de paragrafen 3.1.4. tot en met 3.1.7. van de Beleidsregels ook de ernst van het geval, de gezinssamenstelling, de (leef)omgeving en overige omstandigheden van het geval betrokken. Bij de ernst van het geval wordt gekeken naar strafbare feiten van de overtreder, geweldsdelicten, wapenbezit of andere openbare orde problematiek die gerelateerd is aan de woning. Ook aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar kan daarbij een rol spelen. Maar ook de betrokkenheid van minderjarigen wordt meegenomen in de vaststelling van de ernst van de situatie.
15.2.
De voorzieningenrechter beoordeelt daarom aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of de sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel in drugs in of vanuit het pand, zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Daarbij draagt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de noodzaak voor een sluiting ook bij of het pand is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. [3]
15.3.
De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de situatie die op 2 mei 2026 in de woning is aangetroffen als ernstig kan worden aangemerkt. Naast een (ruime) handelshoeveelheid van in totaal 97,5 gram (netto) aan harddrugs, zijn in de woning ook 194,5 gram (netto) versnijdingsmiddel, diverse drugsgerelateerde attributen, waaronder verschillende verpakkingsmaterialen, en een stroomstootwapen aangetroffen. Daarbij is van belang dat verzoeker bij de politie in beeld is gekomen omdat de politie op 1 mei 2026 een vermoedelijke verkoop van drugs heeft geconstateerd. Bij de koper werd na diens staandehouding een gebruikershoeveelheid (0,2 gram netto) cocaïne aangetroffen, waarvan hij verklaarde deze zojuist te hebben gekocht van een verkoper die in een grijze Skoda reed. De politie heeft de grijze Skoda gevolgd. Verzoeker bleek de bestuurder van deze Skoda. Bij de daaropvolgende aanhouding van verzoeker werd in zijn kleding een handelshoeveelheid harddrugs, waaronder cocaïne, aangetroffen. Het bij verzoeker in zijn kleding aangetroffen verpakkingsmateriaal bleek overeen te komen met de verpakkingsmaterialen die de politie kort daarna in de woning van verzoeker heeft aangetroffen. Verder is van belang dat van verzoeker in de afgelopen 12 maanden twee antecedenten op het gebied van de Opiumwet bij de politie bekend zijn.
15.4.
De burgemeester heeft in het voorgaande sterke aanwijzingen kunnen zien voor drugshandel in of vanuit de woning en op basis daarvan mogen aannemen dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel, of in ieder geval bekend is in het criminele (drugs)circuit. De burgemeester heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat een sluiting van de woning noodzakelijk is om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen, verdere herhaling en overlast te voorkomen en de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit ongedaan te maken. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking kunnen nemen dat de woning is gelegen in een (voor drugshandel) kwetsbare wijk. De voorzieningenrechter is dan ook met de burgemeester van oordeel dat de doelen die met de sluiting zijn beoogd niet enkel kunnen worden bereikt met het geven van een waarschuwing of een last onder dwangsom.
15.5.
Aan de noodzaak voor sluiting kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet afdoen dat de politie bij de inval alle drugs en andere (drugsgerelateerde) goederen al in beslag heeft genomen. Anders dan verzoeker stelt, neemt dit de dreiging en de kans op herhaling niet (onmiddellijk) weg. Daarnaast betekent de omstandigheid dat het openbaar ministerie geen aanleiding heeft gezien verzoeker in voorlopige hechtenis te nemen nog niet dat verzoeker niet opnieuw in de fout zal gaan. Hierbij is van belang dat van verzoeker meerdere drugsgerelateerde antecedenten bij de politie bekend zijn.
Evenwichtigheid
16. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
16.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat inherent is aan de sluiting dat verzoeker de woning al dan niet tijdelijk moet verlaten. De burgemeester heeft echter aangeboden dat verzoeker zich bij de gemeente kan melden voor hulp bij het vinden van (maatschappelijke) opvang, indien het hem niet op eigen kracht lukt om vervangende woonruimte te vinden. Op de zitting is gebleken dat verzoeker van het aanbod van de burgemeester nog geen gebruik heeft gemaakt.
16.2.
Verder is verzoeker als hoofdbewoner van de woning verantwoordelijk voor wat er zoal in de woning gebeurt. In zoverre kan hem de situatie in de woning geheel worden verweten.
16.3.
De burgemeester heeft daarnaast de individuele belangen van de kinderen van verzoeker kenbaar en voldoende gemotiveerd in de belangenafweging betrokken. De burgemeester heeft in de basisregistratie personen gezien dat op het adres van de woning slechts één kind stond ingeschreven, de vierjarige dochter van verzoeker. Het heeft de burgemeester daarom niet, ook niet ambtshalve, bekend kunnen zijn dat verzoeker meerdere kinderen heeft. Het was aan verzoeker om hiervan (eerder) melding te maken. Gebleken is dat de drie andere kinderen van verzoeker staan ingeschreven op het adres van hun moeder en daar ook hun hoofdverblijf hebben. De vierjarige dochter van verzoeker verbleef volgens de politie op het moment van de politie-inval eveneens bij haar moeder. De burgemeester heeft daarom met de situatie van de kinderen van verzoeker verder geen rekening hoeven houden. Zij hebben onderdak bij hun moeder en dreigen dus niet dakloos te worden.
Spoedeisende bestuursdwang / schending hoorplicht
17. Verzoeker voert aan dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de woning zou worden gesloten. De situatie was volgens verzoeker niet zodanig spoedeisend dat de woning direct (met spoed) gesloten mocht worden.
17.1.
De burgemeester kan in spoedeisende gevallen besluiten om een woning per direct te sluiten (spoedsluiting). [4] Als de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan het besluit tot spoedsluiting zo spoedig mogelijk achteraf bekend worden gemaakt. [5] De burgemeester heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat hier sprake is van een spoedeisend geval. Gelet op de beschrijving onder 4. en 5. van deze uitspraak is in de woning een ruime (handels)hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Tevens zijn versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde attributen, zoals verpakkingsmaterialen, en een stroomstootwapen aangetroffen. Daarbij is van belang dat verzoeker meerdere drugsgerelateerde antecedenten heeft en dat verzoeker op 1 mei 2026 in beeld is gekomen nadat de politie een vermoedelijke verkoop van verdovende middelen heeft geconstateerd. Bij de aanhouding van verzoeker werd in zijn kleding een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, waarvan het verpakkingsmateriaal overeen bleek te komen met het verpakkingsmateriaal dat in de woning is aangetroffen. De burgemeester mocht daarom in redelijkheid uitgaan van een spoedeisende situatie. Na de spoedsluiting heeft de burgemeester met het besluit van 6 mei 2026 alsnog zo spoedig mogelijk de schriftelijke vastlegging van de sluiting aan verzoeker bekend gemaakt.
17.2.
Gezien het spoedeisende karakter van de sluiting heeft de burgemeester verzoeker niet eerst in de gelegenheid hoeven stellen om een zienswijze in te dienen. Maar ook als sprake zou zijn van een gebrek ziet de voorzieningenrechter hierin nog geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat dit gebrek nog in de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarbij heeft verzoeker in het kader van deze voorzieningenprocedure voldoende gelegenheid gehad om zijn zienswijze tegen de (spoed)sluiting naar voren te brengen. Ook is van belang dat de woning op 4 mei 2026 tijdelijk is geopend om verzoeker in de gelegenheid te stellen bepaalde persoonlijke eigendommen uit de woning te halen.
18. Uit het voorgaande volgt dat het besluit tot sluiting van de woning naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en zal het verzoek daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning voorlopig gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit van de burgemeester van de gemeente Nissewaard tot vaststelling van beleidsregels voor de sluiting van woningen, lokalen en daarbij behorende erven bij overtreding van de Opiumwet (Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Nissewaard 2019).
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
3.Zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
4.Dit volgt uit artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Dit volgt uit artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.