Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure vorderde eiser aanvankelijk schadevergoeding en andere veroordelingen tegen BRR Assurantiën B.V. BRR voerde verweer en stelde dat eiser niet-ontvankelijk was omdat de vordering bij Klap B.V. moest worden ingesteld. Na overleg bood BRR aan dit verweer te laten vallen indien eiser afstand deed van vorderingen tegen Klap B.V. Eiser trok daarop zijn vorderingen tegen BRR in, behalve de vordering tot proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat BRR geen onrechtmatig gedrag had vertoond door het aanbieden van een pragmatische oplossing en dat eiser vrij was om de procedure voort te zetten. De verwijzing naar Klap B.V. was bekend bij eiser, die echter geen contact met Klap B.V. had gezocht. De stelling dat BRR nodeloos kosten had veroorzaakt werd verworpen.
Omdat eiser zijn hoofdvorderingen introk, werd hij gelijkgesteld met de in het ongelijk gestelde partij en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van BRR, begroot op €12.820,00, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van BRR na intrekking van zijn vorderingen.