ECLI:NL:RBROT:2026:7471

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
11908220 CV EXPL 25-20955
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 242 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen na niet-uitgevoerde beveiligingswerkzaamheden

Eiser heeft beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van gedaagde en twee facturen gestuurd die niet volledig en tijdig zijn betaald. Gedaagde erkent de hoofdsom niet te betwisten, maar stelt dat hij deze heeft verrekend met een no show factuur wegens niet-uitvoering van werkzaamheden op 27 en 28 juni 2025.

De rechtbank oordeelt dat hoewel eiser de werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden. Tevens is onvoldoende aangetoond dat het gebruik van een no show factuur in de branche gebruikelijk is, terwijl eiser dit betwist. Daarom faalt het beroep op verrekening.

De vordering van eiser wordt toegewezen tot een bedrag van €224,35, vermeerderd met handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, waarbij de incassokosten worden gematigd conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, handelsrente, incassokosten en proceskosten; beroep op verrekening met no show factuur faalt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11908220 CV EXPL 25-20955
datum uitspraak: 8 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,die handelt onder de naam
[bedrijf 1],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M. Leung,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam
[bedrijf 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: [gemachtigde] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • het antwoord, met bijlage;
  • de akte van [eiser] , met bijlagen 6 tot en met 33.
1.2.
Op 7 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met, namens zijn gemachtigde, mr. A. den Drijver. [gedaagde] en zijn gemachtigde waren bij de zitting niet aanwezig.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiser] heeft beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft twee facturen die [eiser] daarvoor heeft verstuurd, niet tijdig en volledig betaald. [eiser] vordert betaling van het openstaande deel, te weten € 224,35. Daarnaast vordert [eiser] handelsrente van € 44,27 en € 476,53 aan buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
[gedaagde] stelt dat hij de openstaande facturen heeft verrekend met een zogenaamde ‘no show’-factuur die hij aan [eiser] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] is dit een factuur die in rekening wordt gebracht voor geleden schade als een opdrachtnemer niet verschijnt voor afgesproken werkzaamheden en is dit heel gebruikelijk in de branche. [eiser] is niet verschenen op 27 en 28 juni 2025 voor afgesproken werkzaamheden en [gedaagde] heeft daardoor schade geleden.
[gedaagde] moet een bedrag van € 224,35 aan [eiser] betalen
2.3.
[gedaagde] betwist de hoofdsom niet. Het beroep op verrekening van [gedaagde] slaagt niet. Weliswaar staat vast dat [eiser] de overeengekomen werkzaamheden op 27 en 28 juni 2025 niet heeft uitgevoerd, maar [gedaagde] heeft, mede gelet op de betwisting van [eiser] ter zitting, onvoldoende onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden. Daar komt bij dat [gedaagde] ook niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat het in de branche gebruikelijk is om een no show factuur te sturen. Dit had gelet op de betwisting door [eiser] wel op zijn weg gelegen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar en een bedrag van € 224,35 wordt toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 442,69 betalen
2.4.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 442,69 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiser] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv Pro). [eiser] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.
[gedaagde] moet rente betalen
2.5.
De handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het toegewezen bedrag € 44,27 aan vervallen handelsrente.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 123,73 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 823,73. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. [eiser] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk weliswaar rente betalen over de hoofdsom, maar het betalen van proceskosten behoort niet tot de primaire betalingsverplichting. Daarom wordt de rente over de proceskosten toegewezen op basis van artikel 6:119 BW Pro.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 711,31 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 224,35 vanaf 22 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 823,73 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.