ECLI:NL:RBROT:2026:7461

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
11426273 CV EXPL 24-29911
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde niet gebonden aan contract wegens ontbreken vertegenwoordigingsbevoegdheid

In deze civiele procedure eiste eiseres een bedrag van €12.500,- op grond van een contract met een relatiebeding, waarvan zij stelde dat gedaagde daaraan gebonden was. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het contract niet door haar was gesloten.

De kantonrechter oordeelde dat het contract was gesloten met een opdrachtnemer die als zelfstandige beveiligingswerker handelde en niet namens gedaagde. De handelsnaam en het adres in het contract kwamen niet overeen met die van gedaagde, en er was geen bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid of schijn daarvan.

Eiseres kon niet aantonen dat gedaagde op de hoogte was of instemde met het sluiten van het contract in haar naam. Mailcorrespondentie die dit zou kunnen ondersteunen was niet overgelegd. Daarom kon gedaagde niet worden aangesproken op het contract en werd de eis afgewezen.

De proceskosten werden aan eiseres opgelegd, begroot op €432,-, omdat zij in het ongelijk werd gesteld. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De eis tot betaling van de contractuele boete wordt afgewezen omdat gedaagde niet gebonden is aan het contract wegens ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. G.H. Kroon,
tegen
[bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam
[handelsnaam],
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
voormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t/m 9;
  • het antwoord;
  • de brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;
  • de brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .
1.2.
Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.
[gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]
2.2.
[eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.
2.3.
Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:
“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de
[adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]
ingeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”
Het KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.
De bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .
2.4.
Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW Pro). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.
De eisen worden afgewezen
2.5.
De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;
3.3.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.