ECLI:NL:RBROT:2026:7424

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3644
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Wajong-uitkering en gezinshereniging

Verzoekster heeft het UWV gevraagd om terug te komen op een eerder besluit van 29 april 2024 waarin een Wajong-uitkering werd geweigerd. Na afwijzing van dit verzoek op 4 maart 2026 en het indienen van bezwaar, heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Verzoekster stelt dat zij vanwege haar medische situatie afhankelijk is van haar familie en dat haar echtgenoot uit Marokko naar Nederland moet komen om bij te dragen aan de zorg. Voor een verblijfsvergunning is echter een Wajong-uitkering vereist.

De rechter stelt vast dat verzoekster momenteel een bijstandsuitkering ontvangt en niet zonder zorg is. Ook is niet aangetoond dat de zorg per se door haar echtgenoot moet worden verleend. Mogelijk kunnen andere voorzieningen worden ingezet. Daarom is er geen spoedeisend belang en wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3644

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

1. Verzoekster heeft het UWV gevraagd om terug te komen op de beslissing van het UWV van 29 april 2024 over een Wajong-uitkering. Met het besluit van 4 maart 2026 heeft het UWV dit verzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden teruggekomen op de eerdere beslissing. Volgens het UWV is er geen sprake van toename van klachten en beperkingen voor de 23e verjaardag. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan haar een Wajong-uitkering wordt toegekend. De insteek van de procedure is dat verzoekster haar echtgenoot naar Nederland wil halen in verband met de verzorging van haarzelf en hun kind.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Verzoekster voert aan dat zij vanwege haar medische situatie afhankelijk is van haar ouders en broer. Deze situatie is niet duurzaam houdbaar en legt een zware belasting op haar familie. De echtgenoot van verzoekster verblijft in Marokko. Als hij op korte termijn naar Nederland kan komen, dan kan hij een bijdrage leveren in de zorg. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging is het echter noodzakelijk dat verzoekster een Wajong-uitkering ontvangt.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt en daarmee kan voorzien in haar levensonderhoud. Verder is niet gebleken dat zij op dit moment van zorg verstoken is en al zou dat wel het geval zijn, dan is nog maar de vraag of die zorg dan per se door haar echtgenoot verleend dient te worden. Wellicht kan in dat geval een beroep doen op voorzieningen vanuit bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de beslissing op bezwaar zou kunnen afwachten en geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar verzoek.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.