ECLI:NL:RBROT:2026:7384

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/8461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen aanslag onroerendezaakbelasting wegens termijnoverschrijding

Eiseres diende bezwaar in tegen een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers van een niet-woning, opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Eiseres stelde dat zij erop vertrouwde dat de eigenaar van de onroerende zaak de aanslag zou regelen en dat zij daarom te laat bezwaar maakte.

De rechtbank oordeelde dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedraagt vanaf de dag na bekendmaking van het besluit. Het bezwaar van eiseres werd pas na deze termijn ontvangen. Het vertrouwen van eiseres in de eigenaar vormt geen geldige reden voor de overschrijding van de termijn. Eiseres had zelf tijdig bezwaar kunnen maken.

Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard, hoefde de rechtbank niet te oordelen over de inhoudelijke juistheid van de aanslag. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift is ongegrond verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar dat terecht gedaan. Eiseres had geen goede reden voor de termijnoverschrijding. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers van een niet-woning aan eiseres opgelegd.
2.1.
Met de uitspraak op bezwaar van 4 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 4 juni 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van 27 februari 2024 ontvangen op 26 juni 2024. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en niet is gebleken dat eiseres een goede reden had voor de termijnoverschrijding.
4. Eiseres betoogt dat de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft na ontvangst van het besluit van 27 februari 2024 direct contact opgenomen met de eigenaar van de onroerende zaak, omdat zij volgens de gebruikersovereenkomst geen vergoeding is verschuldigd voor het gebruik van de onroerende zaak. Eiseres ging ervan uit dat de eigenaar het verder zou regelen. Nadat zij een aanmaning had ontvangen, heeft zij alsnog bezwaar gemaakt.
5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken vanaf de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. [1] Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [2] Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De laatste dag van de bezwaartermijn was 9 april 2024 en de heffingsambtenaar heeft het bezwaar daarna ontvangen. Dat eiseres erop vertrouwde dat de eigenaar van de onroerende zaak ervoor zou zorgen dat zij de aanslag niet hoefde te betalen, is geen goede reden voor de termijnoverschrijding. Eiseres had zelf tijdig bezwaar kunnen maken. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Omdat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de heffingsambtenaar terecht een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers van een niet-woning aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank laat de argumenten die eiseres daarover heeft aangevoerd daarom buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:11 van Pro de Awb.