ECLI:NL:RBROT:2026:7379

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/9729
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 PwArt. 44a PwArt. 8:58 AwbArt. 30b Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling plan van aanpak en re-integratieverplichtingen op grond van de Participatiewet

Eiseres werkt sinds 2018 zeven uur per week in de thuiszorg en stelt vanwege medische klachten niet in staat te zijn meer uren te werken of ander lichter werk te verrichten. Het college stelde op 11 juni 2025 een plan van aanpak vast met re-integratieverplichtingen, dat eiseres betwistte. Na een bezwaarprocedure verklaarde het college het bezwaar ongegrond op 17 oktober 2025.

De rechtbank behandelde het beroep op 9 juni 2026 waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, maar de gemachtigde van het college niet. De rechtbank concludeert dat het college het plan van aanpak terecht heeft opgelegd op basis van een medisch belastbaarheidsonderzoek van een verzekeringsarts, die vaststelde dat eiseres in haar huidige functie maximaal belast is, maar in lichtere functies tot 20 uur per week belastbaar kan zijn.

De rechtbank weegt mee dat het college maatwerk heeft geleverd, de medische situatie zorgvuldig heeft meegewogen en het plan van aanpak concreet en kenbaar heeft gemaakt. De aanvullende medische stukken die eiseres vlak voor de zitting indiende, worden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college het plan van aanpak terecht heeft opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9729

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.J. Michielsen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college

(gemachtigde: L.N. Julia).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het plan van aanpak in de zin van artikel 44a van de Participatiewet (Pw) zoals door het college is vastgesteld op grond van de Pw. Eiseres is het niet eens met het plan van aanpak. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college aan eiseres de in het plan van aanpak vermelde geconcretiseerde verplichtingen ex artikel 9, eerste lid van de Pw, heeft kunnen opleggen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 11 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college in het kader van de re-integratie verplichtingen van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) een plan van aanpak vastgesteld.
2.1.
Met een besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het college is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres werkt sinds 2018 voor zeven uur per week in de thuiszorg, verdeeld over drie ochtenden. Eiseres stelt als gevolg van medische belemmeringen niet in staat te zijn om meer uren per week te werken. Ook acht eiseres zichzelf als gevolg van vermoeidheidsklachten niet in staat om ander, lichter werk te verrichten.
Om de belastbaarheid van eiseres in kaart te brengen is er op 1 april 2025 een medische keuring opgevraagd bij Stichting SAP. Naar aanleiding van de aanmelding heeft er op
16 april 2025 een huisbezoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. De arts heeft geconcludeerd dat eiseres in haar huidige functie maximaal belast is. Haar functionele mogelijkheden zijn vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst. Daarmee kan vastgesteld worden of er fysiek lichtere functies bestaan waarin eiseres meer uren belastbaar kan zijn. Met het primaire besluit heeft het college een plan van aanpak opgesteld. Het plan van aanpak heeft als einddoel dat eiseres zo spoedig mogelijk werk aanvaard waarmee ze zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. Eiseres kan worden voorgedragen voor sollicitatiegesprekken met potentiële werkgevers. Als het einddoel niet haalbaar is dan zal het college in overleg met eiseres een nieuw doel bepalen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de arts heeft vastgesteld dat eiseres fysiek in staat is lichte arbeid te verrichten, binnen de grenzen van haar belastbaarheid. Er zijn geen medische gronden gebleken die ontheffing van haar arbeidsverplichtingen rechtvaardigen. Het college acht het daarom passend dat in het plan van aanpak rekening wordt gehouden met de medische beperkingen van eiseres, maar dat zij tegelijkertijd blijft deelnemen aan re-integratie verplichtingen die passen binnen haar belastbaarheid. Het college stelt zich op het standpunt dat zorgvuldig onderzoek is verricht waarbij de medische situatie van eiseres is meegewogen. De arts heeft de aanvullende informatie van eiseres beoordeeld, maar dit heeft niet geleid tot een ander medisch oordeel. Volgens het college is er maatwerk verricht door rekening te houden met de situatie van eiseres en met wat haar mogelijkheden zijn. Niet is gebleken dat het plan van aanpak onjuist zou zijn of niet correct is opgesteld. De verder door eiseres aangegeven bezwaargronden geven geen aanleiding te oordelen dat het plan van aanpak niet correct of onjuist zou zijn op de situatie van eiseres.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat haar medische belemmeringen het niet toelaten om meer uren per week te werken. Ook acht zij zich als gevolg van vermoeidheidsklachten niet in staat om ander, lichter werk te verrichten. Eiseres werkt sinds 2018 voor zeven uur per week verdeeld over drie ochtenden. Eiseres wil de balans tussen haar werk en het herstel van de daaruit voortvloeiende vermoeidheidsklachten behouden. Een verhoging van het aantal arbeidsuren zal de vermoeidheidsklachten van eiseres doen toenemen. Eiseres is het niet eens met de functionele mogelijkheden zoals vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst. Eiseres betoogt dat haar chronische pijnklachten (fibromyalgie, artrose en hypermobiliteit) het niet toelaten meer dan 7 uur per week te werken. Eiseres meent dat de arts dit onvoldoende heeft meegewogen in het oordeel
.
Wettelijk kader
5. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
6. Voordat de rechtbank tot bespreking van de beroepsgronden overgaat, moet zij eerst beoordelen of zij met het oog op de goede procesorde de door eiseres op 2 juni 2026 ingediende stukken bij de beoordeling van de beroepsgronden kan betrekken. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De door eiseres op 2 juni 2026 ingezonden aanvullende medische stukken zijn zeven dagen voor de zittingsdag ingediend. Het college heeft daar niet meer adequaat op kunnen reageren bijvoorbeeld door de verzekeringsarts te vragen nog eens naar de nadere stukken te kijken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de procedure aan te houden en het college in de gelegenheid te stellen om schriftelijk op de nadere stukken te reageren. Het betreft geen informatie die eiseres niet eerder had kunnen indienen en eiseres heeft daarvoor ook ruimschoots de gelegenheid gehad. De stukken zullen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing blijven.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] (de Raad), is het niet aan de betrokkene, maar aan het bijstandverlenend orgaan om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. Wel is vereist dat het bijstandverlenend orgaan maatwerk levert en dat de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. Het bijstandverlenend orgaan moet voorts aan de betrokkene kenbaar maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en omstandigheden in het individuele geval, is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd.
8. De rechtbank oordeelt dat het college hieraan heeft voldaan met het plan van aanpak en de daarin vermelde geconcretiseerde verplichtingen ex artikel 9, eerste lid van de Pw, zodat het college dit plan van aanpak heeft kunnen opleggen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
9. In de rapportage medisch belastbaarheidsonderzoek van de verzekeringsarts van 21 april 2025 staat vermeld dat eiseres op het moment 3 ochtenden in de week werkt. Eiseres werkt in de thuiszorg en verricht in deze functie relatief fysiek zwaar werk. Zij is met de beperkingen die ze ervaart op fysiek gebied, op het moment in deze functie maximaal belast te achten. De belastbaarheid zal in een fysiek lichtere functie, volgens de verzekeringsarts hoger zijn. Eiseres werkt op het moment ongeveer 2 - 2.5 uur per week in de huidige functie. In een fysiek lichtere functie, zou zij 3.5 tot 4 uur per dag kunnen worden belast. Deze functie zal dan fysiek aanzienlijk lichter moeten zijn, dan de functie die ze nu uitvoert. Er is sprake van een duurzame situatie en de verwachting is dat de belastbaarheid op termijn gelijk zal blijven. De arts heeft de belastbaarheid van eiseres weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst. Hiermee kan geëvalueerd worden of er fysiek lichtere functies bestaan, waarin eiseres meer uren belastbaar kan zijn.
10. De rechtbank ziet in de beroepsgronden geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het uitgebrachte advies van de verzekeringsarts van 21 april 2025. De rechtbank ziet daarin ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het rapport van de verzekeringsarts onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de verzekeringsarts de door eiseres ingebrachte medische informatie bij zijn onderzoek heeft betrokken. Het college heeft aan eiseres kenbaar gemaakt waaruit de voorziening concreet zou bestaan, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en de omstandigheden van eiseres was aangewezen en welk tijdpad zou worden gevolgd. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres met de zeven uur per week in haar huidige functie maximaal belast is. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat eiseres in een functie met fysiek aanzienlijk lichtere werkzaamheden voor maximaal 20 uur per week belastbaar is. Wat eiseres aanvoert geeft geen reden om te oordelen dat het college het plan van aanpak niet op het medische advies mocht baseren.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepsgrond slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.
Op grond van artikel 44a, eerste lid, van de Pw bevat het plan van aanpak:
a. indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning;
b. de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen.
Op grond van het tweede lid van dit artikel begeleidt het college een persoon die recht heeft op algemene bijstand bij de uitvoering van het plan van aanpak en evalueert, in samenspraak met die persoon, periodiek het plan van aanpak en stelt dit zo nodig bij.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2036.