ECLI:NL:RBROT:2026:7332

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/699047 / FA RK 25-3476
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:244 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de man om gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind toe te wijzen. De vrouw verzette zich gemotiveerd tegen dit verzoek vanwege terugkerende conflicten en communicatieproblemen, maar de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende reden was om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De raad voor de kinderbescherming adviseerde eveneens toewijzing.

Partijen kwamen tijdens de mondelinge behandeling overeen een opbouwende zorgregeling te hanteren, waarbij de man geleidelijk meer omgang met het kind krijgt, te beginnen met korte wekelijkse bezoeken en uitbouw naar langere dagen en uiteindelijk een reguliere zorgregeling. De rechtbank nam deze afspraken over en beschouwde het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling als ingetrokken.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de bijdrage van de man €211 per maand bedraagt, met ingang van 4 februari 2025, rekening houdend met de draagkracht van beide ouders, de behoefte van het kind en een zorgkorting vanwege de omgangsregeling. De onderhoudsbijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag toegewezen, zorgregeling vastgesteld en kinderalimentatie van €211 per maand met ingang van 4 februari 2025 vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/699047 / FA RK 25-3476
Beschikking van 21 mei 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N. Meijer te Rotterdam,
t e g e n
[de man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Sazoglu te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 02 mei 2025;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 14 mei 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 30 mei 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 augustus 2025;
  • het aanvullende zelfstandige verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 17 maart 2026;
  • het verweerschrift op het aanvullende zelfstandige verzoek en aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 maart 2026;
  • het bericht van de man met bijlage van 8 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 08 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

3.De beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
De man verzoekt bij aanvullend zelfstandig verzoek te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan aan partijen gezamenlijk toekomt.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW ) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.1.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.1.5.
De man stelt dat er geen aanknopingspunten zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De man stelt dat dit al bij de erkenning van de minderjarige had moeten gebeuren, maar dat dit op uitdrukkelijk verzoek van de vrouw niet is gebeurd. Het op dit moment ontbreken van communicatie kan volgens de man niet zonder meer met zich meebrengen dat er geen gezamenlijk gezag kan zijn. De vrouw stelt dat de terugkerende conflicten en de eenzijdige wijze van communiceren maken dat er een reëel risico bestaat dat de minderjarige klem en verloren zal raken. De vrouw stelt dat er op dit moment nog onvoldoende draagvlak is voor gezamenlijk gezag. Partijen zullen dan eerst aan hun communicatie moeten werken en in dat opzicht komt het verzoek van de man net te vroeg, aldus de vrouw. De raad heeft de rechtbank geadviseerd het verzoek van de man toe te wijzen. Op deze manier kan de man laten zien dat hij zijn verantwoordelijkheden serieus neemt. Mocht de man toch gezagsbeslissingen dwarsbomen, kan deze beslissing later nog gewijzigd worden.
3.1.6.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de raad heeft geconstateerd, er onvoldoende reden is om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De enkele angst van de vrouw dat er spanningen zullen ontstaan is daarvoor onvoldoende. De communicatie tussen partijen is nog niet wat deze in de meest ideale situatie moet zijn, maar dat kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van één van de in artikel 1:253c BW genoemde afwijzingsgronden. De rechtbank begrijpt dat de vrouw moeite heeft met het vertrouwen in de man. De rechtbank acht het daarom van belang dat de man laat zien dat hij zijn ouderlijk gezag serieus neemt, zodat hij op deze manier het vertrouwen bij de vrouw kan laten groeien. De rechtbank geeft partijen nog in overweging om zich tot het sociaal wijkteam te wenden. Via het wijkteam kunnen zij vervolgens onder begeleiding werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. De rechtbank rekent erop dat partijen dat zullen doen, nu zij beiden tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven hiervoor open te staan.
3.1.7.
Voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk ouderlijk gezag zal toewijzen.
3.2.
Zorgregeling
3.2.1.
Omdat de rechtbank het verzoek over het gezamenlijk gezag zal toewijzen, zal hierna worden gesproken over een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).
3.2.2.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen gezamenlijk afspraken gemaakt met betrekking tot de zorgregeling. Partijen hebben, met ingang van 10 april 2026, de volgende opbouwende zorgregeling afgesproken:
  • (in beginsel) de eerste twee weken heeft de man één keer per week op een vast moment omgang met de minderjarige voor de duur van 2 tot 3 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit ook de derde week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
  • de daaropvolgende (in beginsel) drie weken heeft de man één keer per week omgang met de minderjarige voor de duur van 3 tot 5 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit nog een week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
  • de daaropvolgende vier weken heeft de man één keer per week een gehele dag, van 10.00 uur tot 19.00 uur, omgang met de minderjarige;
  • hierna zal een reguliere zorgregeling gaan gelden waarbij de man één keer per week op een – in onderling overleg te bepalen – dag omgang zal hebben met de minderjarige van 10:00 uur tot de daaropvolgende dag 10:00 uur, welke tijden afwijkend kunnen zijn als de minderjarige naar school moet;
  • de man zal ruim van tevoren zijn concept-werkrooster aan de vrouw overleggen met een voorstel voor beschikbare dagen, zodat partijen gezamenlijk een passend moment kunnen uitkiezen voor de omgangsmomenten;
  • de omgang zal zo min mogelijk op vrijdag plaatsvinden, in verband met de opa-en-oma-dag, tenzij niet anders mogelijk.
3.2.4.
Gezien de overeenstemming beschouwt de rechtbank het door de man gedane verzoek als ingetrokken en zal dit afwijzen. De rechtbank zal de overeenstemming in deze beschikking opnemen.
3.3.
Onderhoudsbijdrage
3.3.1.
De vrouw verzoekt bij gewijzigd verzoek met ingang van primair 4 februari 2025, subsidiair de datum van indiening van haar verzoekschrift, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 328,- per maand vast te stellen, althans een ander bedrag door de rechtbank te bepalen.
3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij (aanvullend) zelfstandig verzoek met ingang van de datum van de indiening van zijn verweerschrift een door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 167,-, respectievelijk € 174,70 per maand vast te stellen.
3.3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De ingangsdatum
3.3.4.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
3.3.5.
Gebleken is dat de vrouw op 4 februari 2025 de man voor het eerst heeft verzocht om een kinderbijdrage te voldoen. Partijen zijn hierna met elkaar in overleg getreden. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met de door de vrouw verzochte kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
3.3.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) € 880,- per maand bedroeg in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 937,- per maand.
Draagkrachtberekening
3.3.7.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.8.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
Draagkracht vrouw
3.3.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw in 2025 € 42.066,- bedroeg.
3.3.10.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van voornoemd bedrag van € 42.066,- per jaar, op € 3.553,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.11.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 4.930,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.3.12.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 824,- per maand.
Draagkracht man
3.3.13.
Partijen zijn het er over eens dat voor de man ook moet worden gerekend met zijn inkomen over 2025. Partijen zijn het echter niet eens over wat zijn inkomen dat jaar is geweest. De vrouw stelt dat uit moet worden gegaan van € 66.067,56, omdat dat bedrag als cumulatief brutoloon op de loonstrook van december 2025 staat vermeld. De man voert aan dat moet worden gerekend met € 62.268,-, zijnde het belastbaar loon als opgenomen in zijn jaaropgave 2025. De man heeft evenwel niet kunnen uitleggen waarom beide bedragen verschillen en waarom niet van het hogere, cumulatieve brutoloon kan worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom uitgaan van de cumulatieve gegevens van de loonstrook over december 2025. Hieruit blijkt aldus dat het loon van de man dat jaar € 66.067,56 bedroeg. De rechtbank zal dit als uitgangspunt nemen.
3.3.14.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van voornoemd bedrag, op € 3.894,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.3.15.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 991,- per maand.
3.3.16.
Gebleken is dat de man inmiddels een nieuwe zoon heeft gekregen. Partijen zijn het erover eens dat zijn draagkracht van de man daarom moet worden gehalveerd. Dit betekent dat de man een draagkracht beschikbaar heeft van (€ 991,- / 2) € 496,- per maand ten behoeve van een kinderbijdrage voor de minderjarige.
Draagkrachtvergelijking
3.3.17.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 496 / € 1.320 x € 937 = € 352,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 824 / € 1.320 x € 937 =
€ 585,-+
samen € 937,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 352,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 585,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.3.18.
Gezien de door partijen afgesproken zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 15%.
3.3.19.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 937,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 141,- per maand.
3.3.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 211,- per maand.
Conclusie
3.3.21.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 211,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.3.22.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.3.23.
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, maar met ingang van 4 februari 2025, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarige vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
neemt op de overeenstemming die partijen hebben bereikt over de zorgregeling tussen de man en de minderjarige. Met ingang van 10 april 2026 geldt:
  • (in beginsel) de eerste twee weken heeft de man één keer per week op een vast moment omgang met de minderjarige voor de duur van 2 tot 3 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit ook de derde week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
  • de daaropvolgende (in beginsel) drie weken heeft de man één keer per week omgang met de minderjarige voor de duur van 3 tot 5 uur. Mochten partijen het nodig vinden, zal dit nog een week zo plaatsvinden, waarna wordt overgegaan naar de volgende stap;
  • de daaropvolgende vier weken heeft de man één keer per week een gehele dag, van 10.00 uur tot 19.00 uur omgang met de minderjarige;
  • hierna zal een reguliere zorgregeling gaan gelden waarbij de man één keer per week op een in onderling overleg te bepalen dag omgang zal hebben met de minderjarige van 10:00 uur tot de daaropvolgende dag 10:00 uur, welke tijden afwijkend kunnen zijn als de minderjarige naar school moet;
  • de man zal hierbij ruim van tevoren zijn concept-werkrooster met een voorstel voor beschikbare dagen aan de vrouw overleggen, zodat zij gezamenlijk een passend moment kunnen uitkiezen voor de omgangsmomenten;
  • de omgang zal zo min mogelijk op vrijdag plaatsvinden, in verband met de opa-en-oma-dag, tenzij niet anders mogelijk;
4.4.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 4 februari 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 211,- per maand;
4.5.
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.8.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 21 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.