Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7307

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/8409
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 2 Wet op de zorgtoeslagArt. 2 lid 1 Wet op de zorgtoeslagArt. 7 lid 1 Wet op de huurtoeslagArt. 2 lid 1 AwirArt. 26 lid 2 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering huur- en zorgtoeslag 2024 wegens onjuist opgegeven inkomen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin het recht op zorg- en huurtoeslag voor 2024 werd vastgesteld, resulterend in een terugvordering van €7.835,-. De Dienst Toeslagen had het recht op toeslagen vastgesteld op basis van het definitieve inkomen, dat hoger was dan het door eiser opgegeven geschatte inkomen.

Eiser stelde dat het inkomen van zijn dochter ten onrechte was meegenomen bij de huurtoeslag, omdat zij sinds eind 2023 niet meer bij hem woont. Tevens voerde hij aan dat de terugvordering hem in financiële problemen zou brengen en dat de gevolgen niet in verhouding stonden tot het administratieve probleem.

De rechtbank oordeelde dat het inkomen van de dochter terecht was betrokken bij de huurtoeslag omdat zij tot 23 mei 2024 op het adres van eiser stond ingeschreven. Voor de zorgtoeslag is alleen het inkomen van eiser en zijn partner relevant, en het gezamenlijke inkomen overschreed de grens waardoor geen recht op zorgtoeslag bestond.

De rechtbank vond dat de Dienst Toeslagen het recht op toeslagen correct had vastgesteld en dat eiser zelf verantwoordelijk was voor het onjuist opgeven van het inkomen. De psychische klachten van eiser waren onvoldoende onderbouwd om matiging van de terugvordering te rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van huur- en zorgtoeslag 2024 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8409

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag van eiser voor 2024 vastgesteld, waardoor eiser € 7.835,- moet terugbetalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan en hoefde de Dienst Toeslagen geen gebruik te maken van de bevoegdheid de terugvorderingen te matigen. Eiser heeft zelf een onjuist inkomen opgegeven bij het aanvragen van de voorschotten, terwijl hij bekend was met de hoogte van zijn inkomen. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag van eiser voor 2024 vastgesteld.
2.1.
Met het besluit van 18 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 juli 2025 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn dochter [naam 3] , en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2024 vastgesteld op € 0,-, waardoor eiser € 2.833,- moet terugbetalen. Met hetzelfde besluit heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op huurtoeslag voor het jaar 2024 vastgesteld op € 78,-, waardoor eiser € 5.002,- moet terugbetalen. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
4. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen het recht op zorg- en huurtoeslag te laag heeft vastgesteld. Bij de berekening van het toetsingsinkomen is het inkomen van een van de dochters van eiser meegenomen, terwijl zij al sinds eind 2023 niet meer bij hem woont. Eiser had eerder financiële problemen door een achterstand bij de betaling van zijn zorgverzekering, maar dit kwam mede door de zorgtoeslag en huurtoeslag weer onder controle. Door de terugvorderingen dreigt eiser opnieuw in de financiële problemen te komen, met stress, slapeloosheid en psychische klachten tot gevolg. De gevolgen van de terugvorderingen staan niet in verhouding tot het kleine administratieve probleem dat buiten de schuld van eiser is ontstaan.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2024 juist vastgesteld en mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid het volledige bedrag terugvorderen. De rechtbank licht dit hierna toe.
5.1.
Voor het recht op zorgtoeslag zijn alleen het inkomen van eiser en zijn partner relevant. [1] Bij de aanvraag voor zorgtoeslag heeft eiser zijn inkomen in 2024 geschat op € 30.000,- en dat van zijn echtgenote op € 30.000,- negatief. Het inkomen van eiser in 2024 is uiteindelijk vastgesteld op € 47.825,- en dat van zijn echtgenote op € 0,-. Om voor zorgtoeslag in aanmerking te komen, bedraagt het maximale gezamenlijke inkomen in 2024 € 47.368,-. [2] Het gezamenlijke inkomen van eiser en zijn echtgenote is hoger, zodat hij geen recht heeft op zorgtoeslag in 2024. Het inkomen van de dochter van eiser is niet relevant voor de vaststelling van de hoogte van het recht op zorgtoeslag.
5.2.
Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen van eiser, zijn partner en de medebewoners. [3] Een medebewoner is de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende. [4] [naam 4] stond tot 23 mei 2024 ingeschreven op het adres van eiser. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit iets anders blijkt. De Dienst Toeslagen heeft haar daarom terecht als medebewoner aangemerkt en haar inkomen betrokken bij de vaststelling van de hoogte van het recht op huurtoeslag.
5.3.
De Dienst Toeslagen kan een lager bedrag terugvorderen als de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen. [5] Van een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als de terugvordering het gevolg is van het verschil tussen het geschatte inkomen en het definitieve toetsingsinkomen, of als de belanghebbende de terugvordering wegens ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen. [6] Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij in 2024 in loondienst was en vooraf bekend was met de hoogte van zijn inkomen. Dat eiser bij de aanvraag om zorgtoeslag en huurtoeslag een onjuist inkomen heeft opgegeven, als gevolg waarvan aan hem voorschotten zijn verstrekt die hij nu moet terugbetalen, komt daarom voor zijn eigen risico. Eiser heeft de psychische problemen waarmee hij zou kampen niet onderbouwd. De Dienst Toeslagen hoefde daarom geen gebruik te maken van de bevoegdheid de terugvorderingen te matigen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, tweede lid en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag.
2.Zie «https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/zorgtoeslag/content/maximaal-inkomen-voor-zorgtoeslag».
3.Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.
4.Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
5.Artikel 26, tweede lid, van de Awir.
6.Artikel 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.