ECLI:NL:RBROT:2026:7302

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718262 / JE RK 26-721
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing ondertoezichtstelling minderjarige wegens psychische problematiek en thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2010, vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door psychische problematiek, automutilatie en een onstabiele thuissituatie met huiselijk geweld in het verleden.

Tijdens de zitting op 29 mei 2026 waren de ouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De minderjarige is gehoord en haar situatie besproken. De Raad benadrukte de noodzaak van hulpverlening, terwijl de gecertificeerde instelling en ouders aangaven dat de situatie recentelijk is verbeterd en dat zij openstaan voor hulp.

De kinderrechter concludeerde dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, maar dat het nog te vroeg is om te bepalen of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Daarom werd de beslissing aangehouden tot 1 oktober 2026, waarbij de Raad wordt verzocht te rapporteren over de stand van zaken en of het verzoek gehandhaafd blijft.

De beschikking is op 29 mei 2026 uitgesproken door kinderrechter K.T.F. Chocolaad-de Bos. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt aangehouden tot 1 oktober 2026 om te beoordelen of hulpverlening zonder dwang kan worden geaccepteerd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718262 / JE RK 26-721
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 15 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen: de GI, [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
3.
Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft in het verleden sombere gedachtes gehad, waardoor er sprake was van automutilatie. Momenteel gaat [minderjarige] niet naar school. Wel heeft zij een dagbesteding in de vorm van stage, maar de Raad heeft er geen zicht op of het haar lukt om daar dagelijks aanwezig te zijn. Er is hulp nodig voor [minderjarige] en ook systemische hulp is noodzakelijk. De hulp vanuit GGZ Delfland zal binnen twee maanden starten. De oorzaak van de problematiek is niet alleen gelegen in de dingen die op school zijn voorgevallen. Ook de ruzies in de thuissituatie hebben invloed op de problematiek. Vanuit het wijkteam komt naar voren dat de ouders problemen hebben met het accepteren van hulp. De Raad acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om te verzekeren dat de hulp die nodig is daadwerkelijk van de grond komt.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De GI ziet dat de situatie de afgelopen periode is verbeterd. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, maar het lijkt erop dat de thuissituatie inmiddels rustig en stabiel is. Daarnaast is er geen sprake meer van automutilatie bij [minderjarige] . Zij staat op de wachtlijst voor een behandeltraject en heeft een vrijstelling van school. De GI ziet op zitting ouders die bereid zijn mee te werken aan de hulpverlening en adviseert daarom het verzoek van de Raad aan te houden, zodat kan worden gekeken of de hulpverlening zonder een ondertoezichtstelling van de grond komt.
4.2.
De ouders brengen ter zitting het volgende naar voren. Het gaat de afgelopen periode een stuk beter met de ouders en in de thuissituatie zijn geen ruzies meer. De ouders zien dat [minderjarige] hulp nodig heeft. Het is belangrijk dat zij hulp krijgt voor de gedachtes die zij heeft en dat zij daar met iemand over kan praten. De ouders krijgen hulp vanuit het wijkteam, maar de vaste medewerker is weggevallen. De ouders staan open voor (systemische) hulp en willen het beste voor [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de GI als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. [1]
5.2.
Op grond van de stukken en dat wat is besproken ter zitting, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is in het verleden geconfronteerd met forse ruzies tussen de ouders. Daarnaast kampt [minderjarige] met psychische problematiek en is er sprake geweest van zelfbeschadiging. Zij gaat al een langere periode nauwelijks naar school en op school werd zij veelvuldig gepest. [minderjarige] is onvoldoende weerbaar en daardoor erg beïnvloedbaar. Hierdoor is zij in het verleden in aanraking gekomen met de politie. De afgelopen periode zijn er volgens de ouders en [minderjarige] positieve ontwikkelingen geweest. Er is al een aantal maanden geen sprake meer van zelfbeschadiging en [minderjarige] gaat drie dagen in de week naar stage. Ook zal [minderjarige] in het nieuwe schooljaar doorstromen naar het mbo. Daarnaast hebben de ouders ter zitting aangegeven dat de thuissituatie is verbeterd. De kinderrechter overweegt dat het weliswaar positief is dat het rustiger lijkt te zijn in de thuissituatie, maar dat deze ontwikkeling nog pril is.
5.3.
De vraag is vervolgens of de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is voor [minderjarige] en de ouders, niet of onvoldoende door hen wordt geaccepteerd.
5.4.
De kinderrechter is het met alle betrokkenen eens dat er hulp moet worden ingeschakeld voor [minderjarige] . Binnen twee maanden zal er volgens de Raad een psycholoog beschikbaar zijn voor [minderjarige] en er staat een nieuwe intake met het wijkteam gepland. Daarna zal er een nieuwe medewerker vanuit het wijkteam betrokken raken bij het gezin. Samen met het wijkteam moet worden gekeken wat er nodig is in de thuissituatie. De ouders hebben ter zitting aangegeven nog steeds open te staan voor alle hulp, ook als dit betekent dat zij als ouders zelf aan de slag moeten. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders de samenwerking met het wijkteam weer aangaan om in het belang van [minderjarige] de nodige stappen te zetten.
5.5.
De kinderrechter acht het gelet op het voorgaande te vroeg om te beoordelen of hulp in het gedwongen kader nodig is. De kinderrechter zal de beslissing op het verzoek tot een ondertoezichtstelling daarom aanhouden tot de hierna te noemen pro formadatum. In de komende periode zal duidelijk moeten worden of het de ouders en [minderjarige] zelfstandig lukt om de hulp te accepteren.
5.6.
De kinderrechter verzoekt de Raad te rapporteren (met afschrift aan de GI en de ouders) over de stand van zaken op dat moment en daarbij ook te vermelden of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de behandeling van het verzoek van de Raad aan tot
1 oktober 2026 pro forma;
6.2.
bepaalt dat de Raad, de GI, de vader en de moeder op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen;
6.3.
verzoekt de Raad de kinderrechter
voor 1 oktober 2026de onder 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de GI en de ouders).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.